Spring naar inhoud

Liever planten

januari 19, 2004

1

Een doos ja zeker, nu u het zo nadrukkelijk vraagt, ik leef in een doos, zo’n speciale doos, u kent ze wel, dozen die van gemeentewege verstrekt worden. Geheel en al gratis. Ja, u hoort het goed, zomaar gratis en voor niets geeft de gemeente die dozen weg. Niet aan iedereen natuurlijk. Zeg, ze zijn uiteraard niet gek daar bij de gemeente. Nee, die dozen worden alleen gegeven aan mensen die even geen huis hebben, die maar zo’n beetje overal rond wonen, die ook overal maar neerploffen begint de slaap hun lichaam te overmannen. Nu ja, eigenlijk aan mensen zoals ik. Mensen die het leven nogal makkelijk verteren, die zich overal wel thuis voelen. Zelfs in een doos. Ja, zelfs in deze … Hoewel, nu moet ik toch even iets recht zetten, even de boel wat verduidelijken. De doos namelijk die u hier voor u ziet staan is niet de doos van gemeentewege verstrekt. Nee, dit is een andere doos. Een eigen doos zeg maar. Dat andere ding namelijk, dat opberggeval van de gemeente, beviel me niet. Heel snel had ik het gezien met die doos. Veel te klein. Nauwelijks zestig centimeter hoog was dat rotding. En dan ook nog met zo’n schuin dak. Het leek wel een doodskist. Zo’n begraafla met dakdeksel. Ja werkelijk, een danig pasklare kuiljas, dat was het. Net of je iedere nacht vrijwillig je kist inschoof. En dan maar denken hé. Dat kon gewoon niet anders, een doodskist inschuiven en dan niet aan de dood denken nou dan moet je wel een hele erge kouwe kikker zijn. En dat, ook al heb ik het als thuisloze vaak wat koud, ben ik niet van nature. Nee, al heel gauw had ik gezien dat die zo heel erg gratis gegeven doos nu niet bepaald uitnodigde tot een rijk bungalowgevoel. Je kon er verdomme niet eens rechtop in zitten! Met je voeten naar voren, zo hup met je voeten naar voren moest je er inschuiven. Als een lijk. Geen pretje dus. Zeker als het weer ook nog eens een keer niet meewerkte. Als het stortregende bijvoorbeeld, iets dat toch niet uitzonderlijk genoemd mag worden in dit land, lag je wel mooi in je natte kloffie te zwemmen in zo’n doos. Heus, het was werkelijk niks. Al vond men het aanzicht van zo’n doos ook honderd keer aangenamer dan zo’n haveloos lichaam waar ook nog eens allerlei onsmakelijke rochel- en ronkgeluiden uit opstijgen, zo’n doos was niks voor mij. Heel snel had ik het gezien met dat gratis grafgeval. Twee nachten, zegge en schrijve twee nachten heb ik er in doorgebracht. Zonder achterom te kijken liet ik dat ding achter in het park waar ik op dat moment sliep. Nooit ben ik er meer bij in de buurt geweest. Uit angst de dood opnieuw te beleven. Kijk, dan deze doos. De doos waar we nu voor staan. Dat is tenminste een doos. Daar kan je in zitten en zelfs in staan, al is het gebukt. Daarbinnen kan je tenminste je natte kleren uittrekken mocht dat nodig zijn. Een doosje om te zoenen. En zomaar gevonden, zomaar lag het ding bij een hoop grof vuil op straat. Net of ik nu een ‘huis’ heb, want het valt voor de duvel niet mee hoor om zonder huis te leven in een stad waar bijna iedereen een huis heeft en ook iedereen wil dat de ander een huis bewoont. Veel eenvoudiger namelijk, geen chaos en zo.

2

Niet dat ik niet zonder huis zou kunnen leven. Denkt u dat nu niet, want dat is het niet. Een huis daar maal ik niet om, al ben ik blij met mijn doos. Huizen kunnen me eigenlijk wel gestolen worden. Al dat gedoe alleen al om zo’n cementkast schoon te houden. Of alle kosten die je iedere maand maar weer bij elkaar moet zien te bewaren om in zo’n steenstapel te mogen vertoeven. Ik weet dat beetje geld dat ik krijg wel aan andere, leukere dingen uit te geven. Je zal me toch een hele maand met een stapel niet uit te geven euro’s op zak lopen, en dat voor zo’n stompzinnige steenklomp waar je uiteindelijk alleen maar in slaapt. Ja zeker, waar ík alleen maar in slaap. Want echt lollig is zo’n huis niet. Al na een paar uur begint het kletsen tegen de muren, leuter je wat tegen de deuren, tegen het aanrecht of schreeuw je uiteindelijk tegen de ramen om toch vooral de buitenwereld te laten weten dat je er nog bent, dat je bestaat, zonder ook maar één enkele reactie te krijgen. En daar zal ik iedere maand een deel van mijn geld voor gaan bewaren. Zoveel euro’s niet opmaken om me tussen een paar duurbetaalde muren een beetje eenzaam te gaan zitten voelen? Mij niet gezien. Nee, dan buiten, het heerlijke wijde buiten. Dáár zijn geen muren, daar is ruimte nog ruimte. Een wereld zonder muren. Nu ja, er zijn natuurlijk wel muren maar dat zijn muren die je niets doen, die je niet laten voelen dat je alleen bent. Muren die je vanaf de andere kant bekijkt, vanaf de buitenkant. Muren ook waar je niets mee te maken hebt, die je hooguit een stukje de pas afsnijden, waar je omheen kan lopen als je dat wil, muren met een geschiedenis volledig buiten jouw om, muren… Goed, soms zijn er ook binnenmuren. Muren van winkels bijvoorbeeld. Of beter nog, de muren van een café, zo’n lekker klein café. Want een mens krijgt natuurlijk wel eens dorst. Zo af en toe moet men toch wat innemen nietwaar. Dus moet je soms ergens naar binnen. En ga je zo’n gelegenheid binnen dan kom je veelal wel even tussen een paar muurtjes die niet de behoefte oproepen om tegen te gaan kletsen, geen stenen vlakken waartussen je het gevoel krijgt een gevangene te zijn. In een café daar zijn mensen om tegenaan te kletsen, om mee te drinken. Mensen ook om soms mee te lachen. Kortom een gebeuren waardoor je het vergeet, dat van die muren. Ben je niet meer alleen met die stenen wanden. In een café kan je praten. Communiceren zeg maar. Even dat broodnodige woordcontact hebben. Niet dat er naar mijn woorden wordt geluisterd. O nee, dat zeker niet. Maar daar gaat het ook niet om. Waar het om gaat is dat er wat om je heen beweegt, dat er geluiden zijn, er gelachen wordt, dat je gewoon even tussen de mensen bent, waarmee je wat kunt hebben als je dat zou willen.

3

Niet dat ik dat wil, iets hebben met mensen. Ik ben het liefst maar op mezelf. Eigenlijk zeg ik nooit wat tegen iemand, nu ik erover nadenk. Werkelijk, het is al jaren geleden dat ik tegen een vreemde of zomaar iemand echt wat heb gezegd. Goed, de gebruikelijke praatjes, het eeuwige lege woorden uitwisselen, dat wel, maar echt iets tegen iemand zeggen? De laatste keer was denk ik tegen mijn vriendin toen ik haar pas leerde kennen. Ja, dat moet beslist de laatste keer geweest zijn. Daarna is het niet meer voorgekomen geloof ik. Heb ik alleen nog maar losse woorden rondgestrooid, heb ik … De doos, ik had het over de doos, over die andere dan de van gemeentewege uitgegeven doos, waarin ik ’s nachts zo heerlijk kan slapen sinds ik dat doodsding heb achtergelaten in het park. Was trouwens, nu ik het er toch over heb, nog een hele toestand dat afhalen van die doos, dat kartonnen grafjasgeval. Ergens op een afgelegen gedeelte van het industriegebied buiten de stad hadden ze een loods, die gemeente, op zo’n godvergeten plek. En daar moesten de voor ons bestemde dozen worden afgehaald. Ik weet dat nog precies, het was namelijk een hele wandel om er te komen. Ver buiten de stad lag die verdomde loods. En nergens een plaats om eens even wat uit te puffen, om even een oppeppend slokje te nemen. Helemaal niets! Alleen maar grote, van hard werken krakende gebouwen kwam je er tegen. Behoorlijk benauwd kreeg ik het er van, van zoveel gebouwen. Kolossen waartussen een mens zich klein gaat voelen, waarvan je automatisch een stukje sneller gaat lopen. Zeker met al dat geknars en gezucht uit die steenklompen. Of ze het wellustig zwaar hadden die betonbakken in hun fris opgeschilderde zomerjasje. Werkelijk, het leek of ze er voor mij nog eens even extra de puf in hadden gezet. God, wat kreeg ik het er spaans van. Maar ik moest wel. Ik moest doosplichtig blijven voortlopen tussen die luidruchtige blokkendozen met al die gaten in het frisse schilderwerk. Gaten waarachter ik mensjes heen en weer zag rennen als leken ze in paniek gebracht door het gekraak van die steenklompen waarin ze vertoefden, of ze met alle geweld wilden voorkomen dat die stenen omhulsels waarvan ze zo aan het rennen waren geraakt zouden instortten. Een zeer benauwende ervaring. Ik weet zelfs nog dat ik dacht hoe intens onnadenkend het van de gemeente was om ons hier de gratis doos te laten ophalen. Beslist ons onvriendelijk was het. En dat snotver terwijl we iedere dag zo goed zijn in deze gemeente te verblijven. Een hele nare ervaring! Zijn we iedere dag stevig aan het dubben hoe we de stad kunnen verrijken met onze aanwezigheid, toch altijd een moeizaam en bedrukkend puzzelen welke plekjes nu weer te verfraaien met ons, krijg je verdomme zulke beelden voorgeschoteld! Je zou toch weigeren ooit nog een stap in zo’n gemeente te zetten.

4

Daarmee was het trouwens nog niet afgelopen. Die moderne industrieloods binnendringen was zo mogelijk nog erger. Eerst namelijk kwam je in een alles ontregelende grote hal. Een ruimte die geen echte ruimte lijkt omdat je het gevoel hebt dat de muren, van metaal in dit geval, overstelpend van je willen wegstormen. Zo’n hal ook waarin je automatisch gaat denken dat iedereen naar je kijkt, waarvan je als het ware al direct een beetje meer gebogen gaat lopen, bang anders teveel op te vallen, je opgelaten gaat voelen de doos niet te krijgen waarvan de gemeente vindt dat je die absoluut nodig moet hebben. Een hal dus die in al zijn relatieve grootheid te klein is voor ons mensen die altijd maar buiten zijn, die we eigenlijk niet willen betreden dan alleen bij absolute noodzaak. Zoals voor die doos in dit geval. Nooit voel ik me verloren als ik me voortbeweeg onder grijs of blauw, nooit ook heb ik het gevoel dat de hemel zover weg is dat ik de wolken niet zou kunnen aanraken, dat ik met mijn lippen niet het blauw zou kunnen beroeren, nooit! Pas in deze immense hal schoot het besef van een onbereikbaar heelal voor het eerst in mijn gedachten. Daar, midden in die ruimte verschrompelde ik tot een nietig puntje. U weet wel, zo’n punt waar uiteindelijk geen punt meer van gemaakt wordt in een sfeer van al teveel bedrijvigheid. Zo gold dat waarschijnlijk ook voor de gemeenteambtenaar die mij vanuit het loket in het oog kreeg. Uit het vierkante gat sneed een merkwaardige blik naar de plek waar ik nog verloren stond van zoveel eerste indrukken, een staan waarin beslist doorklonk niet al te lang in deze hal te willen vertoeven. Een blik was het die alles maar tegelijkertijd ook niets leek te zien. Zeker niet zo’n klein puntje als ik inmiddels was geworden in die griezelig aandoende loods. En nu moet u weten, ik vind het niet prettig als men mij voor een puntje gaat aanzien, als men over mij heen kijkt. Daar kan ik niet tegen.

5

Ik wil gezien worden! Ik wil dat men weet van mijn bestaan. Alleen ’s nachts, dan vind ik het niet erg dat men mij in een doos wil proppen, men mijn persoontje voor een doos wil aanzien. Dan slaap ik toch. En ja zeg, anders zou ik daar niet hebben gestaan. Had ik wel langs mijn geliefde plekjes in de stad gedwaald. Maar zoals ik al zei, ze moeten geen punt van mij maken, want dan word ik, nu ja, dan probeer ik mij voor zo’n over-mij-heen-kijker zo groot mogelijk te maken. Dan ren ik als het ware tot vlak voor die iemand zijn neus opdat ie nu wel een punt van me maakt, eh… Nou ja, u begrijpt me wel, zo iemand moet gewoon notitie nemen van mijn bestaan, moet mij even laten weten dat ik besta, moet vooral begrijpen dat ik er wel een punt van maak geen punt te zijn. Ik dus in looppas naar dat loket waarachter die ambtenaar zat om zo snel mogelijk de grootste punt te worden die er in het bestaan van zo’n loketwerkertje ooit heeft bestaan. Een punt waarvan hij voor de rest van zijn zittende loopbaan een punt zou blijven maken, ook op verjaardagsfeestjes en dergelijke. Maar helaas, verdomme helaas, de dag ervoor was ik, zoals wel vaker gebeurt, in een café beland. Gewoon zo’n doordeweeks café waar er gelukkig tientallen van zijn in dit stadje. Een plaats waar de muren geen muren meer zijn en waar een mens zich eens even lekker kan laten gaan. Ach, ik zei het al eerder geloof ik, dat van die muren en die mensen. Enfin, een vrolijk geroezemoes van stemmen kwam mij als een welkome wolk tegemoet. En ja, dán ben ik verkocht hé. Dán word ik als het ware opgezogen door zo’n café, verdwijn ik er geheel in op, bijna als ’s nachts in de doos. Snel vergeet ik de wereld dan om mij heen en begin als in een euforische stemming het geld dat ik niet de hele maand voor zo’n stenen huurklomp hoef te bewaren met grote teugen minder te laten worden. Het toeval wilde ook nog dat ik via mijn postbus het verplichte opmaakgeld middels een cheque net een dag of twee geleden had ontvangen van de gemeente. U begrijpt, ik keek niet op een borrel of drie vier. En al helemaal niet meer nadat ik het bijzondere gevoel kreeg dat de mensen me wel aardig begonnen te vinden, zo na het derde weggeven rondje. Want ook al heb ik niks met mensen, populair zijn is natuurlijk wel leuk voor een paar uurtjes, soms.

6

Verdomde aardig dus die mensen. Nou ja, alleen aan het eind van de avond, zo tegen sluitingstijd, toen veranderde er plots iets. Was er in een oogwenk veel ruimte om mij heen nadat ik op aandringen van de barman opnieuw had moeten betalen. Dat betalen, om kort te zijn, stokte, want mijn geld was plots op. Al stevig dronken trok ik de voering van beide broekzakken naar buiten, toonde die hiklachend aan de barman. De ruimte om mij heen werd zoals gezegd heel groot en een minuut later al schoof ik met mijn linkerwang over de tegels van de stoep voor het café. Niet dat ik er iets van voelde. Zeker niet. Ik voelde überhaupt niets. Alleen die plotse stilte was wat onwennig. Uren zal ik daar zeker hebben gelegen. Ik weet nog dat ik rillend wakker werd van het op gang komende leven dat zich half slapend zo nodig en heel vroeg in blik moet wurmen ter verplaatsing naar die toen nog niet bewust door mij beleefde kolossen. Veel te vroeg leven dus. Het raasde grommend vlak langs mijn lichaam. Na de gezellige uurtjes in het café was ik nu niet bepaald in staat om welk leven dan ook al direct weer bij de kladden te grijpen. Geen pretje was het om… Maar goed, ik zal u de details besparen, teveel dwaal ik weer af zie ik. Een paar uur later haastte ik me dus naar het loket om de niet-punt die ik voor dat ambtenaartje was geworden zo snel mogelijk weg te werken. Woedend gemaakt door die priemende ogen, rende ik door de hal. Schoof plotseling, resultaat van de wankele toestand veroorzaakt in de nacht ervoor, met mijn linkerwang over de betonnen vloer. Nu ja, onder het stof en met een opnieuw bloedende wang kwam ik uiteindelijk bij dat loket aan. Het loket waarachter dat ambtenaartje plots meewarig en vol zorg naar mij keek. Een hele verkeerde houding natuurlijk. Hij had verdomme, zoals ik gewoon ben, op me neer moeten kijken als was ik een punt waarvan hij geen punt maakte, en wel zo’n vies oud vodpunt. Zeker daar ik er op dat moment zo uitzag. Maar nee, dit ambtenaartje moest zo nodig medelijden met mij krijgen, zo nodig meewarig met het hoofd schudden en vragen of alles wel goed met mij ging. En kijk, dat is nog erger dan geen punt van mij maken hé. O, dat zogenaamde medelijden, vooral het neerbuigende in dat medelijden daar word ik nog woester van. Ik, toch iemand die de vrijheid als geen ander ken, die moet geen medelijden. Het is dat mijn wang zo’n pijn deed anders had ik dat mannetje eens behoorlijk op zijn nummer gezet. Maar die verdomde pijn. En het bloed dat op de kraag van mijn jas droop. Godver. Het ontnam mij de kracht, werkelijk, het was die pijn en dat verdomde bloed anders had ik zeker… Hè wacht. Waar gaat u naar toe? Ach nee hé. Wacht.

7

Toe luister nu toch nog even, ik ben bijna klaar met mijn verhaal, nog een klein stukje. U wilt toch wel weten hoe het afgelopen is? Of ik überhaupt die doos wel gekregen heb die dag. Dat wilt u toch zeker wel weten? Nog even. Ja kom maar weer bij de doos staan. Zo ja, zo is het prima. Het duurt echt niet lang meer. Nee, ik ga direct verder zonder nog langer te zeuren, u zult het zien. Dat ambtenaartje haastte zich dus achter zijn raamwerkje vandaan en loodste mij naar een kantoortje waar hij me op een stoel plantte voor hij door een andere deur verdween. Al na een paar minuten stonden een aantal bezorgde mensen om mij heen. Ze begonnen aan me te plukken of ik een dikke bezienswaardigheid was. Vooral mijn wang was hun doelwit. Er werd gedept, er werd geplakt, er werd gewreven aan en over mijn gezicht alsof ik binnen een niet afzienbare tijd een toneelvoorstelling te doen had, of ik zo de Bühne op moest. Zeker een half uur liet men mij niet met rust, werd ik overgoten met medelijden. En, nogmaals, het is dat die pijn, want anders… Enfin, beplakt met pleisters, mijn jas zo goed als mogelijk schoongepoetst werd ik even later voorkomend meegetroond naar buiten en in een autozetel geduwd met de mededeling dat men mij wel terug naar de stad zou brengen. Ik hoefde maar te zeggen waar ik heen wilde en men zou mij daar afzetten met mijn doos. Kijk, en dat is wel weer aangenaam hoor, zo’n gevolg van die val bedoel ik. Dat medelijden, dat hoef ik niet, maar dat naar de stad teruggereden worden dat was natuurlijk prettig. Dat moest ik dat loketmannetje toch weer nageven al had ik hem, na mijn stoelplanting, niet meer gezien.

8

En zo ben ik dus uiteindelijk hier terecht gekomen. Hier waar we nu voor mijn echte doos staan. Voor mijn zelf gevonden doos. Mijn eigen huis zeg maar. Een mooi plekje vindt u niet? Toch prima voor mijn doos. Een plek waar niemand er last van heeft en die bloembak werd toch al lang niet meer gebruikt, het enthousiasme van de gemeente om de straten op te knappen, er van die mensvriendelijke woonoorden van te maken, die modegril is al weer een paar stevige jaartjes weggezakt, al tijden werd het ding verwaarloosd. Een uitgelezen plek dus om er mijn doos te plaatsen. Zo staat ie lekker een metertje van de begane grond en struikelt of botst niemand er al te makkelijk tegenaan. Een prima plek toch? Lekker midden in de straat en niemand tot last. Eerder is men hier in de straat wel wat bezorgd geweest. Heeft een aantal mensen mijn doos getest door er af en toe een emmer water overheen te gooien. Nou en ik kan u vertellen, geen druppel! Helemaal geplastificeerd aan de buitenkant, mijn doos. Al dat smijtwater, glansrijk heeft mijn bescheiden huisje het doorstaan. Heb ik ook tegen die mensen gezegd. Weliswaar zijn ze er, uit een overdreven bezorgdheid denk ik, nog wel een tijdje mee door blijven gaan, met die emmers, maar de doos week geen millimeter. Uiteindelijk geloofde men het wel. Werd het watergooien gestaakt. Goed, af en toe smeert men nog wat modder op mijn doos. Als het regent bijvoorbeeld. Maar dat is vast een balorigheid van de kinderen uit de straat. Dat ze me een beetje willen plagen bedoel ik, maar echt precies weten doe ik het niet. Meestal namelijk ben ik al vroeg vertrokken. Al voor er iemand is opgestaan. Direct ga ik dan de stad in om het ontwaken ervan te zien. Vooral zomers in de al opkomende zon, maar ook ’s winters in de grijze, vol sneeuw zittende en daardoor geluiden opslokkende lucht. Maar heerlijk ook is het om eerst even voor ik op pad ga ongezien naar buiten te kijken. Ongezien ja, want kijk, moet u eens kijken hier, ik heb namelijk een gaatje in de voorkant gemaakt zodat ik zonder gezien te worden naar buiten kan kijken als ik eens niet kan slapen of onverhoopt overdag in mijn doos vertoef. Want dat doe ik ook wel eens. Vooral zomers als de zon fel schijnt. Zo’n mooi rond gaatje ziet u wel. En het mooie van dat gaatje is nu dat ik er niet alleen door naar buiten kan kijken. Nee, dit zou te gewoon zijn om te vermelden. Het doet veel meer dan dat, het gaatje. Oneindig veel meer zelfs. Het laat namelijk de wereld naar binnen sijpelen. Dit kleine gaatje laat de hele grote wereld op de achterwand van mijn doos vallen als in een echte camera obscura. Ha, daar kijkt u van op hé. De wereld hup zomaar bij mij, toch een thuisloze nietwaar, in de doos gebracht. Gratis en voor niets. Net zo gratis als dat gedakte gemeentedoosje zo u wilt. Vooral als die heerlijke zon schijnt kan ik de buiten mijn doos liggende wereld op de achterwand afgetekend zien. Wonderbaarlijk niet? En dat door zo’n zelfgemaakt gaatje. Ik hoef niet eens naar buiten. Niet eens mijn doos uit om toch in de wereld te zijn. Zonder moeite zie ik het leven. Alleen mijn ogen hoef ik maar te openen en hup ik heb de wereld wanneer ik hem maar hebben wil. Op ieder tijdstip van de dag.

9

Nou ja, op ieder tijdstip. Bij helder daglicht. Maar dan is ie er ook in vol ornaat, die wereld. Alleen hangt ie, en nu moet u even opletten want nu komt het belangrijkste, op de achterwand volledig op zijn kop. U gelooft mij niet zie ik? Werkelijk, onze, of eigenlijk beter nog, úw wereld bevindt zich op zijn kop, bungelt als het ware aan het plafond van mijn doos. Helemaal op z’n kop. U bijvoorbeeld, ook u zou ik ondersteboven in mijn wereld zien zou u die kant op gaan. Natuurlijk, nu kijkt u ongelovig, maar ook u loopt daar ondersteboven rond komt u in de lichtval van het door mij kunstig gemaakte gaatje. Ach ik zie u steeds ongeloviger kijken, maar nogmaals, de buitenwereld, de uwe, hangt werkelijk in mijn doos. En dan niet zoals ie zo sprookjesachtig in hét Bijbelboek beschreven staat, dat boek waar zoveel mensen nog zich aan vastklampen. Nee, in mijn doos is uw wereld ietwat verdraaid, alles is er veranderd in het tegendeel namelijk. Bomen groeien als het ware uit de hemel, de zon schijnt uit de aarde en zo ook bijvoorbeeld, om bij het geijkte gelijk maar even iets boventastbaars te noemen, het goed en kwaad, want hemel en aarde hebben stuivertje gewisseld. Met als logisch gevolg dat er op mijn doosaarde een veel grotere portie aan goeds voorkomt dan in deze, uw wereld. Maar verdorie u gelooft me nog steeds niet. Welnu kom dan maar, let niet op de rommel en kruip even in mijn doos dan zult u… Hé wat nu, wacht even. Waar gaat u zo plots naar toe? Geen tijd meer zegt u? U wil toch niet even mijn hemel zien? U moet beslist weg vindt u? U moet nog heel veel doen? Ach ja, goed, goed, ik begrijp het. U heeft voor mijn hemel even geen tijd. Een volgende keer dan maar? Alleen hoop ik dan wel dat de zon schijnt. Anders is ook mijn hemel een beetje wazig, zijn er alleen maar schimmen. Maar het beste ervan hopen hé. Nou tot ziens hoor. Later, ja later zal ik u verder vertellen. Op een dag als u hier weer langs komt. Wel jammer hoor. Zeker daar het ideale omstandigheden zijn voor het bezichtigen van mijn hemel. Zou u niet toch even? Nou, ik ga er wel van genieten. En nu u toch hier bent, zou u voor mij misschien die kant op willen lopen? Ja die kant op. Dan kan ik u door mijn doos zien lopen, vertoeft u toch nog even in mijn hemel. Die kant op ja. Gewoon recht doorlopen en… Wat zegt u? U hoeft die kant niet op? Ach toe, zou u toch niet? Nee? Jammer, verdomde jammer zelfs, want het zou toch mooi geweest zijn. U wilt echt niet? Niet toch even? Wat? Terugkomen? U komt terug zegt u? Aha, ziet u wel dat u in mijn hemel wilt blikken, dat u… Wat zegt u? Over een kwartiertje bent u terug om… Met een agent en een paar collega’s komt u terug zegt u? Maar eh… Helemaal weg moet ie, mijn doos? Maar dat kan toch niet? Planten? In de bloembak moeten planten? Ja, nee… Eh, ik begrijp het, planten, men wil mij… Planten hé, de gemeente heeft liever planten.

(april ’99)

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: