Spring naar inhoud

Brief (52) uit Schiedam

april 13, 2009

Na in de vorige brief een beetje over
de dood gebabbeld te hebben kwam
de gedachte of al die ondergrond-
se beestorganismen wel het ver-
schil zouden proeven tussen een
jong en een oud lichaam zo fijn
begraven ter bevrediging van hun
eetlust. Daarbij kwam ook de vraag
aan welk lichaam meer plezier be-
leefd wordt tijdens het oppeuzelen.
In eerste opwelling, via menselijk
inleven in het organismebestaan,
verwacht je natuurlijk dat ze een
jonggestorven lichaam zeker tot
een vijfsterrenmaaltijd zullen reke-
nen, want ook in ’t mensenleven-
bestaan is er niets lekkerders om
op aan te vallen dan een mals en
zeker niet al te lang geleefd stukje
vlees. Lamsvlees bij voorbeeld is
een geliefd hapjeswonder, ook een
te vroeg gesmoord kalfje wil zeker
het water in de mond onvervaard
doen vloeien, terwijl een varken
met overdadig veel slobberuren
in het lijf veelal niet onze eerste
keus gaat zijn, om van de ons
welbekende kip met dertienduizend
kooi-uren maar helemaal te zwijgen,
al komt het halen van die duizenden
uren zelden nog of eigenlijk nooit
meer voor.

Het kan natuurlijk zijn dat die onder-
grondbeestjes er heel anders over
denken; dat een oud en afgeleefd
lichaam dé lekkernij is waarvan ze
stevig op stoom gaan. Al dat erin
gepropte leven van zeg zo’n zeventig
jaar daar is mogelijk voor die vretende
kleinbekjes zoveel genoegen aan te
verhapstukken dat al het levenslege
jongspul daar niet aan kan tippen al
zijn ze ongebruikt als pas geboren
baby’s nog nat van de moederschoot.

Al die ervaring in oude lijken, dat is
toch niet te versmaden, een enorme
groei in onze ontwikkeling maken wij
grondbeestjes door hebben we een
lijkje op oud flink wat achter de kiezen.
Waar de mens een heel leven over
doet om tot volheid te komen klaren
wij in een fiks maandje of tien aan
lijkknagen zonder dat vette leven
van daarboven te hoeven leven. Ja,
zelfs zonder licht kunnen we, dat
krijgen we imaginair met het lijkvreten
mee zeg maar. En alles is gratis. Bij
bosjes ploffen de lijken naar ons bord.
Nauwelijks uigebuikt of hup daar komt
weer zo’n houtpakketje vol vlees onze
richting uit. Werkelijk geen poot hoeven
we uit te steken. Een gewoonweg niet te
bedenken hemel is het.

Ha, die de mens zou dat eens moeten
weten!

Helaas, al die dommerds komen alleen
naar hier als ze dood zijn.

Ook kan het zomaar zijn dat ze toch
veel liever voor al het jongvlees gaan, want
ff toch heel wat zeldzamer en dus veel ex-
clusiever, begeerlijker ook.

We zullen het nooit weten waarschijnlijk.

 

From → brieven

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: