Skip to content

Brief (114) uit Schiedam

april 5, 2013

Met nog net open ogen kijk ik op mijn horloge en zie dat het al
bijna middernacht is en dat doet me weer beseffen dat ik al een
stevig jaar niets nieuws heb geschreven dan een diggie of twee
en hooguit drie van deze brieven uit Schiedam.

Er zijn dichters die per jaar minder poëzie maken, er zijn mensen
die in hun leven helemaal niets gaan schrijven dan het noodzake-
lijke (boodschappenbriefjes of anderszinse krabbels) om door het
leven te geraken op een voor hen, ondanks dat schrijfloze, welda-
dige manier van doelloos gescharrel.

Een gescharrel overigens waar ik absoluut niets mee heb dan dat
het soms noodzakelijk is iets uit dat gedoe gedaan te krijgen om
mij een binnenvaartje verder te helpen met een leven waarin de
nu stilstaande schrijverij weer tot  een dik pak geschreven woord-
en zal komen.

Toe maar Spaland, een dik pak nog wel.

Goed goed, 10 velletjes mag ook al heel wat zijn, ik ben de beroerd-
ste niet. Wellicht ligt daar mijn minvijver: te beginnen met een versje
als hieronder (ooit ver in de tijd door mij in een toen al bui van beslist
een beroemd te worden schrijver geschreven):

over de dood van een tuinman of zo

pot
sier
lijk as
in steen

zo
weerloos

zon
der bloemen

zo
eerloos

in een urn
naar het hof

van
louter
stillen

waar doden
noch jouw bloemen
leven willen

Heel gebruikelijk voor een beginschrijver hoor, zo’n versje met bloemen
en dood en zo, maar het is wel zonder de vetpuf die je als dichter heden
ten dage in het versspul moet stoppen om de wenkbrauwen van een lezer
nog een milimeter te doen optrekken richting haargrens.

Laat ik eens vetspullerig doen en hier een versje schrijven waarvan
mogelijk de wenkbrauwen tot aan de nekharen zullen schieten zodat de
lezer even niet meer weet dat er ook nog een bestaan is buiten het door
hem net gelezen vers.

Juwelen van buitencategorie

een gevierendeeld viooltje
haar muziek al jaren kwijt
ligt op straat erg te janken

maar de goten blijven stok
een etalage bulkt speels uit
stoeptegels roepen donders
zijn aan hun schik gestoord

een kind tekent tegelkruisjes
de duif min tenen op de nok
aan zon nipt vreselijk blauw

velen dragen stenen in tassen
krijgen hoofden als een krot
schoenen slobberen het zweet
van huid die zich niet meer weet

in het park hossen borsten
de vijver doet een rimpel
en bomen flossen de lucht

een gevierendeeld viooltje

het ligt op straat te janken

Zo, dit door mij in twintig minuten geschreven versje doet het eerste
versje toch wel verbleken tot een iel bloedblaartje zonder bloed. Zo-
dat hiermee kan gesteld dat het zo erge stille jaar van niet-schrijven
wellicht tot een een einde zal raken.

EINDELIJK!!!!!!

Eindelijk ja!

Daarom hupsake komt er nog een vers out of te bleu, om te bewijzen
dat een schrijfloos jaartje niet per se het einde hoeft te betekenen van
een oerend obsessief gerotzooi met woorden op wit.

Zonnige perioden met opspat

foto’s van dode mensen
guts ik diep in dit tekstje

in de massa doe ik
onaangenaam want
bijna alle verhalen
staan in het teken
van uiterst normaal

(de ouderen willen liefst
terug naar hoe het was)

en dan ook nog  is er de kwestie van de te korte bocht

de foto’s
ik maak ze
zwart
want met doden deel je niets

En ook (ofwel ter ondersteuning van deez hele zaak):

Ars poëtica

Niets meer doe ik
Dan het droppen

Op papier

Van woorden
Die
Elkaar verhangen

Godver, het is toch een begin!

Advertenties

From → brieven

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: