Spring naar inhoud

Brief (118) uit Schiedam

maart 26, 2014

 


Oh, mijn Schiedam

bomen iel gewaaid
zijn vol met einde
en de lucht van aarde is bewolkt

er geen verleden meer
gemaakt wordt
waarin grage stappen haken

de snelheid van
het heden alleen
nog op een stoel
wordt vastgelegd

als woorden schrijnen
in hun letters van
gedachte zinnen zonder zijn

als dan pas als het ware
knelt er woede in geraamde
ogen ergens achter een gordijn

Snapt u het?

Ik bedoel die titel en het gedicht samen?

Niet?

Terecht want ze horen in de verre verste verte niet bij elkaar.
Toch staan ze, zo heel erg niet bij elkaar passend, in de bundel
Groeten uit Zwart Nazareth, gedichten over Schiedam, samen-
gesteld door ene Jan van B & H. en ene Ruud A., jawel en waar-
achtig zo’n beetje de zelfberoepen literatoren van Schiedam mag
wel gezegd.

In 2004 verscheen het boekje. En daar gaat het nu nog lekker
even over, over dat boekje. Jazeker, nu nog! Zo zegt de verant-
woording in het boekje ergens “Wie in deze bundel op zoek gaat
naar hartstochtelijke gedichten komt bedrogen uit. Het ligt niet
in de aard van de Schiedammer zich op dergelijke wijze te uiten.
En de dichter die over de stad schrijft weet dat gelukkig.” Een
nogal boude uitspraak wat mij betreft dat dé Schiedammer zich
niet op dergelijke wijze uit, en dat de dichter dat weet, zeker ge-
zien het eerste gedicht van de bundel dat al direct stevig en harts-
tochtelijk, jawel, over Schiedam verhaalt:

Schiedams stedelied

Waar de Maasstroom, breed en krachtig
Langs zijn oevers zeewaarts vliedt,
Ligt mijn stede die ik liefheb
Die ‘k wil eren in mijn lied.

(…)

Lusthof! waar, rond klare vijvers
Rijke kleurenweelde lacht,
Waar, in ’t lommer van je lanen
Rust den nijv’ren werker wacht.

(…)

“Ligt mijn stede die ik liefheb.” En ook nog “Lusthof”. Als dat
geen hartstocht is, wat dan wel volgens de samenstellers? En
dan de dichters die dat weten, wat zijn dat voor een slappe
happen die dichters? Zich een beetje truttig gaan zitten confor-
meren aan de hierboven beweerde aard van Schiedammers.
Producten van zulke dichters wil je toch niet samenbrengen in
een bundel? Gezien het eerste voorbeeld zijn er dus wel een
paar vraagtekens te plaatsen over dat aardje van de Schiedam-
mer en die conformerende dichters.

Ook het “Voor uitbundige gedichten is in deze bundel dus geen
plaats.” is wel een ietsje pietsie in tegenspraak alleen al met dit
eerste gedicht in de bundel. En zo zijn er nog wel meer aan te
wijzen in het boekje, pagina 39, 47, 51 enz., de geïnteresseerde
lezer kan ze er zomaar vinden. Terug naar het gedicht waarmee
dit stukje begon. De titel is goed, maar er had een heel ander
gedicht onder moeten hangen. Want wat er nu staat gaat eh
helemaal niet over Schiedam. Nu slaat het geheel als een ont-
kleurde wang op natte straatstenen. Ook is er in het gedicht
een woord weggevallen; er had moeten staan in het eerste vers
“Als bomen iel gewaaid zijn”, nu knalt het gedicht als een on-
begrepen haarbal bij de lezer binnen en gaat er liggen schuren
als was het een net vol scherpe spijkers, waarmee overigens
niet wil gezegd dat een gedicht niet mag schuren als een net
vol spijkers, maar in dit geval is het een verkeerd zakje spijkers.

Hoe het dan wel had gemoeten in dat boekje:

O mijn Schiedam,

Jij plaatsje met je vele waters
Alsook je goud op flessensnee
Wellicht herberg je vele haters
Wellicht ook speel je katje weltevree

Toch jij blijft mijn lekkerst stadje
Want reeds vroeg voor dag en dauw
Vond ik hier mijn liefste schatje
Vol met ‘O, ik ook zoveel van jou’

Maar bah en o zo wezenlijk blauwtje
Aan de boulevard vond het z’n eind
Daar steeg ik snel te dip op rouwtje
Kwam ik vele uren niet meer opgelijnd

Later bij het pleingebouw met al die palen
Kreeg ik uit ach en wee geen steentje steun
Ook al liep ik als van maan zo gek te dwalen
Het palenpand gaf niets o zelfs geen kreun

Edoch een plaats met zoveel mooie molens
Daar krijgt men toch een ieder aan de wiek
Vooral de Keteldruppels o o nolens volens
Helen elk te dipje al snel naar niet meer ziek

O lief Schiedam jij blijft mijn lekkerst stadje
Al leef ik nu alleen van fles naar zwabberbeen
Zo zonder mijn hier toch gevonden lieve schatje
Eén als jij, wellicht nog beter, ik ken er geen

Toegegeven, geen absolute topper dit gedicht.

Wel met een behoorlijk gedoe aan hartstocht.

En zo wil de toekomst van het ietwat mislukte
boekje toch weer een beetje re getrokken zijn.

 

From → brieven

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: