Spring naar inhoud

Brief (119) uit Schiedam

september 6, 2014

Nachtherrie.

Gisteren was ik weer eens niet in slaap te frommelen ook
al sleepte het welbekende zandmannetje zo’n dertig zakken
zand naar mijn ogen. Ogen zo wakker in hun kassen dob-
berend dat de oogleden elkaar, ondanks de bergen zand
van dat mannetje, even lekker niet opzochten om volledig
van de wereld afgekeerd een danig doezelnachtje te ver-
oorzaken. Ja verdomd, de tijd en mijn slapeloze ogen be-
gaven zich al een zeer ongemakkelijk eindje de nacht in.
Een veel en veel te ver eindje, zo rilde het in mijn lijf, al
moet gezegd dat het me wel de puike mogelijkheid gaf de
herinnering op te duikelen dat men mij ooit, toen mijn
groei nog niet de omvang had die het nu rijkelijk heeft,
voorspiegelde dat schaapjes tellen hét middel is om de
slaap alsnog bij de warme wollige kladden te grijpen.

Rap verzamelde ik dus een zooi
schapen bij elkaar in mijn hoofd.

En verdomd in eerste instantie leek het te helpen, de
schapen hupten braaf op en over een door mij erbij
verzonnen dam na ieder telgetal. Ik werd er inderdaad
redelijk gaap van. Een gaap echter, die grof werd ge-
sloopt toen ik bij nummer 100- zoveel aankwam. Al
een tijdje namelijk hoorde ik onder het tellen flink wat
rumoer vanuit de getelde beesten. Ik keek ’s over de
dam en zag verdomme dat het weiland erachter al ver-
vaarlijk vol raakte, dat er zelfs geen uitgetelt schaap
meer bij kon. Ook hadden ze het hele weiland in rap
tempo kaal gevreten. Als ik doortelde zou er binnen
een mum van tijd een hels aantal sterfgevallen door
mijn teldoen gaan plaatsvinden. Een veld vol lijken
kon zomaar het geval worden. Door dit aanstormende
lijkfeit besloot ik het tellen sneller te stoppen dan een
auto tegen een boom kan knallen, over de dam te klim-
men en maar de hele zooi aan schaap weer terug te
jagen naar de van slapeloosheid vergeven andere kant.

Helaas daar waren de schapen die nog niet over de
dam waren geteld het gruwelijk mee oneens. Zij wilden
ook over de dam. Daar hadden ze recht op vonden ze.
En dat moest dan ook gebeuren met een voor schapen
ongekende stelligheid die niet te stoppen was zodat de
door mij fiks teruggejaagde schapen, in weerwil van
hun braafheid mij te gehoorzamen, tegen het zooitje
ongeregeld knalden dat gewoon maar even niet naar
mijn argumenten over dood en verderf wilde luisteren
en de dam opstoomde als was het een leger in schaaps-
kleren dat koste wat kost een vijandige stelling moest
veroveren, ha, ook al vielen er nog zoveel doden aan
de andere kant.

Zo alarmerend was het hele schaapgebeuren dat ik
gedwongen werd het inzicht in mij te laten knallen
in te grijpen. Maar wat ik ook aan opjagends onder-
nam, het schaapspul liet mij even niet meer be-
palen waar het ging verblijven. Nog even en er zou
niets meer te tellen zijn. En die verrekte zandman
met zijn zakken vol zand, nu urgent gesproken uiter-
mate geschikt ter eventuele noodophoging van de
bijna gesloopte dam, was ook al in geen velden of
wegen meer te bekennen. Even overwoog ik als
laatste redmiddel om het leger te bellen. Maar
legermannen, die knallen graag! Alle schapen, ge-
garandeerd de dood ingejaagd zouden ze worden
zo bedacht ik me bijtijds.

De dam-sloop, inmiddels zover voltrokken dat
er van een dam nauwelijks nog sprake was en het
dodental werd er, graftechnisch gesproken, ook
zonder leger mooi niet lichter op. Er moest nog
meer wat, anders zou het op zijn minst een natio-
nale schaapsramp worden. Dus deed en deed en
deed ik al dat nog meer. Maar uiteraard, ook nu;
niets hielp. Smeken niet, slaan niet, janken niet,
mijn haren uittrekken niet, hard schreeuwen niet,
een flinktal voettrappen niet, de waarschuwing
dat hun wereld zou vergaan niet en ook godver
was het inmiddels bijna zeven uur zo zag ik van-
uit een om slaap schreeuwend al te wakker lijf.

Een verwoeste dam, veel te dode schapen en
onnoemelijk slaapgretige ogen die binnen een
half uur naar werk gesleept dienden te worden,
dat was het fraaie resultaat van een hoopvol
tellen van schaapjes die er ff de hele nacht geen
flikker van hadden willen begrijpen.

En, zoals gezegd, al ZEVEN uur verdomme!

Schapen?

Hooguit in reepjes gesneden en geroosterd tussen
twee helften van een pitabroodje wil ik ze nog zien.

Werner Spaland

From → brieven

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: