Spring naar inhoud

Brief (163) uit Schiedam

januari 18, 2020

Vanavond uit eten met het Bel-
gische echtpaar Lieve en Renaat
Ramon. Renaat is dichter, schrij-
ver en kunstenaar. Lieve is zijn
wat jongere vrouw die de heer-
lijkste gerechten ieder jaar onze
eetbekkies voorzet. Het is name-
lijk langzamerhand traditie dat
Saskia en ik in de zomer een
aantal dagen bij hen gaan lo-
geren en dan die heerlijke ge-
rechten krijgen voorgeschoteld.
Kosten nog moeite worden door
het echtpaar gespaard om ons
het naar de zin te maken in
een prachtig huis, wat zeg ik,
in een villa gelegen in een
grote tuin waarin het lekker
vakantiegevoelig toeven is als
we, Saskia en ik, de omgeving
van Brugge en Brugge zelf niet
aan het verkennen zijn. Ze laten
ons daarin geheel vrij, ’t logeren
schept wat hun betreft geen ver-
plichtingen om elkaar maar te
vermaken. Nee, wij, Saskia en
ik, zijn graag met zijn tweeën
op pad, wat ff niet wegneemt
dat we af en toe ook met Lieve
en Renaat het Belgische leven
in duiken. Af en toe, want de
gastgevers zijn, ondanks hun
stevige leeftijd, Renaat heeft
al lang de niet-meer-werken-
plicht op zak, nogal eens aan
het werk met eigen teksten
zoals recensies, beschouwen-
de stukken, gedichten, essays,
kunst en een tijdje geleden
met een boek over concrete
poëzie, getiteld: Vorm & Visie
waarin ook een stevig stuk
over ons, SAGE, werk is ge-
plaatst daar wij ook concrete
poëzie maken. Vanuit die
hoedanigheid hebben we
elkaar ook leren kennen op
een tentoonstelling in het huis
van twee Belgische dichters
(Olaf Risee en Tine Moniek) 
in het dorp Waregem alwaar
we Renaat hebben ontmoet.
Later heeft Renaat meegedaan
aan een tentoonstelling in Schie-
dam die we met Olaf en Tiene
maakten als een vervolg op die
expositie bij hun thuis.  

Vanwege mijn kekke niet-ge-
zondheid zijn we de laatste
twee jaar niet meer in Brug-
ge geweest, maar dit jaar zo
hebben we met elkaar af-
gesproken gaan Saskia en ik
weer proberen om het jaar-
lijkse logeren een vervolg te
geven als mijn hart zo vrien-
delijk wil zijn ff mee te werken
aan de onderneming, jazeker,
want met m’n knaklichaam op
reis gaan is tegenwoordig ver-
domme verdomme een hele
onderneming.

Maar genoeg over België en
dat brakke lichaam van mij.

Tijd voor een eigen versje dat
ik ook al plaatste in brief 152
maar hier nog eens herhaal
vanwege Mien die zo haar
eigen ideeën over gedichten
heeft.

So ’n netjes leven

eer ik voor eeuwig liggen ga
geen been meer zal verzetten
mijn voeten aan septembersla
de haren danig aan het pletten

ja eer ik op een steen zal staan
gebeiteld in begin en eind
het vlees alreeds te ver gegaan
de huid heel slapjes afgeteint

wil ik per bloterike onderbroek
de rulle sokken op halfzeven
mijn mond naar enen kus op zoek

de dood nog wel wat laten streven
door te rukken aan het kille doek
en als een kat mijn zee van levens leven

Wat heeft Mien van zestienhoog-
achter aan dit gedicht eigenlijk?
Mien zit daar niet op te wachten.
Mien heeft haar leven aan d’r kop,
die heeft geen enkele behoefte aan
al dat poëtengedoe, Mien wil goed
vreten en een vent, en Mien is daar
al d’r hele leven een beetje in onder-
bedeeld, Mien is niet voor de korte
rok geboren zeg maar, Mien bengelt
met d’r lege handen eeuwig langs ’n
oerlelijke lange roepjurk omdat d’r
loopstengels met recht stengels ge-
noemd worden door de zeldzaam
aan d’r bedrand toegekomen man-
nen die zichzelf, bij nader toezien
van al dat benige niets, met dove
blindheid zagen beladen en vanuit
dit inzicht dan liever toch kozen
voor de wat hoeriger korte rokken-
storm ergens heel ver van Miens
plots wel heel ontzielende bedrand.
En Mien dan in tranen uiteraard,
heel gewoon overigens, want Mien
doet meestal in tranen, da’s heel
lang geleden al d’r levensroep ge-
worden zeg maar, vandaar ook
dat wonen op zestienhoogachter,
mét balkonnetje, een hoog bal-
konnetje, een balkonnetje waar
vanaf ze tot nu toe nog niet heeft
durven springen bang als ze toch
is haar dé man te moeten mislopen
in d’r soepdood daar ergens onder
aan de gevel van haar zoveelhoog-
achter, nee, Mien wordt niet nat
van zo’n versje, Mien wilde zolang
als ze zich al kent een vent en Mien
wil dat nog steeds, dus een vers, an
d’r reet termee!

Hoewel…

Maar ach, met zo’n doodkwak-
psalmpje als hierboven gegeven,
daar ontroer je toch zeker zelfs
niet de allerzachtste boterbakker
mee tot mannentranen om ver-
liefd op te worden? Nee, die poëten
poe he zien maar tot ze een ons
wegen met hun vleugversjes, ze
kunnen wat Mien betreft de voeten
van die kersekut aan de overkant
beter gaan kussen, tenzij…

Tenzij die poëten zelf aan haar
bedrand… Miens stengels willen
bij deze gedachte wel klapperen
als zijn het plots echte volbenen,
Mien moet er heel erg van kirren,
maar van versjes pur sang blijft
ze een afkeer houden. Zoals ge-
zegd; geen boterham kan ermee
belegd, en dat, natuurlijk met
een heerlijke vent erbij, dat is
waar het allemaal voor haar om
draait, één bloem gekregen van
een vent is haar meer poëzie dan
heel zo’n vers als hierboven, d’r
balkonnetje zou niet meer voor
haar bestaan zou er nu zo’n heer-
lijke harige hand vol bloem aan
haar bedrand staan te beleven,
want zo’n dood vers, ook al is
het met veel vitaliteit aan leven
d’r in, da’s toch zeker een bord
zonder vreten. En dan die zee
van levens, an-Miens-hoela toch
zeker, heus, één keer een balkon-
stort en de rest van die zeelevens
huppelt vrolijk mee de dood in
daar onderaan die veelhooggevel
terecht gekwakt.

En daar heeft Mien me een behoor-
lijk stevig punt.

From → brieven

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: