Spring naar inhoud

Brief (170) uit Schiedam

maart 6, 2020

Eerst toch maar weer even wat
lekker hypochonderen want
de afgelopen weken leek mijn
lichaam, of beter nog dat toch
al niet zo willige hart het loodje
te leggen. Vooral ’s nachts was
het heerlijk raak met dat ding
dat dus stevige last kreeg van
een zwaar stukje lood dat mij
fiks uit mijn slaap hield en mij
ten volle dreef tot hypochonde-
ren waar de dood graag brood
van lust. Niets namelijk voert
naar mijn idee sneller naar de
dood dan er constant aan denk-
en dat je het loodje legt. Gebeurt
dat tot wonder van jezelf niet
dan leef je wel als de dood om
dood te gaan. Nou moet eerlijk-
heidshalve gezegd dat ik al een
aardig tijdje, door het gedonder
van dat lubberhart, met het ein-
de van mijn leven rondhuppel
in mijn hoofd en er van doods-
angst al bijna geen sprake meer
is. Eerder is die angst geslonken
naar een poeltje vol stilstaand
water waarin ik, toegegeven,
zeker als het hart weer zieke-
lijk vervelend doet, nog al eens
als in een spiegel kijk om dan
daar mijn einde te zien rond-
wandelen. Een einde, zo zie
ik in dat stille watertje, dat er
van overtuigd is mij zonder
de minste moeite aan te kun-
nen raken wanneer dat eindje
dat wil doet ie bijvoorbeeld uit
verveling een wandelstapje ex-
tra mijn richting uit daar echter
vooralsnog een fijn tikkie te lui
voor is.

Maar goed, tot hier het hypo-
chonderen dat dus eigenlijk
geen hypochonderen is want
drijvend op een stevige rea-
listische basis liggend in een
werkelijkheid die ik toch even
liever niet als werkelijkheid
gehad had willen hebben. On-
gelukkig genoeg is het de o zo
onverschillige natuur die mij,
zonder er ook maar een mo-
ment bij na te denken, in een
voor een mens veel te grote
willekeur aan kan wijzen om
dood neder te vallen ook al
heb ik daar geen ene spijker
zin in. Godver, ik heb nog wel
een stuk of wat ideeën in mijn
grijsbrij rondwaren aangaande
het een stuk lekkerder maken
van de wereld met door ons,
SAGE, gemaakte kunstwerkjes
en daarbij zeker nog een on-
noemelijke zin in een fikse
zooi van deze brieven ‘vol mij’
klaar te kladderen. Haast is
wellicht geboden, want de
natuur heeft er nog eens lek-
ker wat bij verzonnen om de
mensheid de doodstuipen op
het lijf te jagen met dat kers-
verse virusje met de veel te
mooie naam corona dat nu
gezellig over de aardbol graast
naar slachtoffers, vooral naar
kwetsbare al zieke ouderen.
En laat ik er door dat lubber-
hart van mij nu zomaar on-
bedaarlijk een van zijn. Wel
deerlijk lullig natuurlijk zo’n
viruseinde, kan je beter net als
Herman Brood heroïsch van
het dak van een hotel, het Hil-
ton bijvoorbeeld, afspringen,
blijft er tenminste nog iets van
je dood beklijven in de wereld,
zeker als je daarbij ook nog een
vriend als Bart Chabot hebt die
van dat beklijven een beklijven
heeft gemaakt waar je, zelfs al
leef je onder een tegel, niet aan
voorbij kan. Wegblijven van dat
virus dus. Echter Rabia, de van
staatswege aangestelde zeer
hardwerkende stofruimster,
toonde mij gisteren een mail
waarin meegedeeld werd dat
op de school waar haar doch-
ter les krijgt een virusgeval is
geconstateerd. Met andere
woorden, het komt wel erg
heerlijk dichtbij dat corona-
dingetje behept met een vraat-
zucht ongekend volgens een
aantal mensen die beweren
er verstand van te hebben.

















From → brieven

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: