Spring naar inhoud

Brief (189) uit Schiedam

juli 14, 2020

Verdomme, wel erg persoonlijk de
laatste zwik brieven, en dat terwijl
ik er tot brief 135 bijna steeds voor
heb gewaakt niet al te veel over mij
zelve te kakelen. Het komt, zoals ik
al eerder schreef, vast door dat dood
van Pierlalamannetje dat maar in
mijn rug blijft porren en mij ’n richt-
ing op blijft duwen die ik beslist nog
niet in wil. Ik sla hem af en toe flink
op zijn bek maar hij komt aldoor te-
rug, laat zich niet met een kluitje in
het riet sturen, daar is ie niet voor ge-
komen hijgt hij dan fluisterend op het
ritme van de ontelbare porstompen
in mijn rug. Er zijn toch wel andere
wrakken schreeuw ik hem veelal toe,
wrakken waarbij je niet zo zwaar
hoeft aan te dringen, wrakken die
graag bereid zijn met je mee te wan-
delen naar de Lethe om overgezet te
worden, wrakken die het op dit aard-
klootje wel gezien hebben en toe zijn
aan iets nieuws, iets spannends wel-
licht, zeker nadat ze handen vol leven
hebben gedronken zodat ze alles wat
geweest is op hun dooie gemakkie
graag willen en kunnen vergeten.
Hij blijft volharden het doodsman-
netje. Het idee hem op een onbe-
waakt moment in de rivier flikkeren
ramt soms mijn leef-lievend breintje
binnen. Vergeet het kreng misschien
mij en alles waarmee hij mee bezig
is. Is er de kans nog een stevig tijdje
het leven in het lijf laten woelen als
bij een vers geboren baby, want god-
ver aan een lijf zonder leefstof heb
ik mooi nog even een wijle de pest.

Te persoonlijk?

Dit dan maar:

Huis geverfd

Het begon pas echt nadat ik met een hamer
de pootjes van de kat aan gort had geslagen.
Tot dan toe had het geen enkele kans gehad.

Mijn leven.

Dus liet ik de kop van de hamer na de daad
omsmeden tot een brede band. Om de pols
te dragen. Mijn pols.

Drie dagen na het smeden zat ik in het gevang
al  heeft dit geen enkel belang voor mijn leven.
Een kleine week later namelijk was ik weer vrij.

Men had zich nogal vergist.

Uit het gevang wilde ik diep.

Eens danig onder de zeespiegel rond sprokkelen
leek me het juiste begin daartoe. Groots en vrij
zogezegd. Twee drie decimeter. Dieper kwam ik
niet. En dat fijne vrije bleef ontstellend weg met
zo’n luchtcilinder op je rug. De vissen ook dull.

Dan maar een straat beleven in een te iele auto.
Rood met witte stippen. Maar spillebenen had ik
al uit het water zo wil hier de logische volgorde.

Dus bouwde ik een vliegtuig.

Omdat er geen rem op zat werd ook dat niks
volgens de verkeersleiders. Ze wezen naar
beneden. Daar hing een fiets op slot tegen
de flank van een onaardig versleten paard.

Een oude man aaide de fiets.
Liet het paard ongemoeid.

Het paard kreunde de fiets van zich af. De
oude man liep door want een te meisje in
minirok keek alsof ze beslist!!! niet geaaid
wilde worden. De stof gaf haar rijke heup-
lijf voldoende ruimte.

Later dronk ze vast thee.
Met uitzicht op opa.

Beetje hongerig stap je van zoiets een patat-
zaak binnen en biedt op een hele koe. Dat
wilde ik. Alleen een koe in stukjes was er.
Broodje kroket dan maar. We kunnen er wel
een bestellen. Dat hoefde voor mij niet, een
meisje had ik ook nog niet gehad zo zonder
echt begin. Aldus verdronk er in het kanaal
een vis. Het dier was niet geleerd hoe kieuwen
werken. De burgemeester (ook van het kanaal)
sprak de hoop uit dat dit niet heel veel vaker
ging gebeuren: Jezus had al ’s iets met vissen
uitgehaald.

Terug naar moeder. Geen optie. Ik zag haar
al staan met die manke kat in haar handen.

Achter het enorme bureau stond een lege stoel.

De secretaresse en de stoelzitter waren gaan
lunchen. De telefoon rinkelde niet en op straat
speelde een mier met de schone gedachte een
klinkklare hoop op te werpen. Van tussen de
naden om de tegels verzamelde het dier gelikte
korrels zand.

In de fabriek maakten ze lepeltjes.

Er moest toch wat.

Toen ik mijn huis niet meer uit kon vanwege
de lepeltjes volgde ontslag want het gevang
had ik al gehad. De lucht kreeg een eigenaar-
dige gele kleur. Net of van Gogh tegen een
onnoemelijke hoge ladder op was geklommen.

In een kamer renden twee mensen om een
modelspoorbaan. Ruzie of gewoon wat geil.
De bakker stond al zijn hemden te verkopen.
Van brood en meer bakspul dus veel sprake.

De buurt wilde even geen vis meer.
En ik ving mijn huis te verven aan.

Zonder de lepeltjes was er weer ruimte. Het
huis brandde niet af. Zonk wel wat weg in de
aarde. Het geverfde was niet geheel en al voor
niets dus kwam ik vader tegen. Hij was ermee
verlegen. Moeder is dood maar nog altijd niet
bereid je te vergeven en zullen we het dak nu
repareren. Maar ik had net mijn huis geverfd.

“““““““““““““““““““

From → brieven

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: