Spring naar inhoud

Brief (167) uit Schiedam

Ik dacht dat ik weer aan het
leuteren was geslagen in de
de vorige brief, al dat dode
geouwehoer over Chinezen
en hun coronadingetjes zo
dacht ik op het eerste ge-
zicht toen ik net die brief
nog eens las maar op de tv
even later de feiten toe-
geschoven kreeg van een
nieuwslezer dat er inmid-
dels meer dan veertig-
duizend mensen ziek zijn
geworden en er al zo’n
zevenhonderd-zoveel aan
het virus zijn bezweken dus
dood geouwehoer wil het
in de tijd toch niet helemaal
zijn geweest in vorige brief.
Maar achteraf wil een tekst
nog wel eens wat naar een
meerwaarde groeien door
feiten die er op het moment
van het schrijven nog even
niet waren.

Maar godverdomme het lijkt
of het steeds moeilijker wordt
om iets te schrijven dat een
beetje hout snijdt, aangenomen
dat ik sowieso een houtje in
handen heb waarmee de taal
rond gemept kan worden naar
een deuksappig verhaal waar
iedere lezer van uit het veilige
veldje wordt gelazerd. Maar eh
is het schrijven juist niet dé man-
ier om het juiste houtje te vin-
den, je via de taal bijvoorbeeld
de dood die mij op de hielen zit
zo te bewoorden dat het geval
geen zin meer heeft om daarna
in mijn taal te huizen als een
horzel uitbundig feestvierend
op een paard om het beest er
van te vergewissen gewoon
een beest te zijn op vier poten
met heus ook de mogelijkheid
van afsterven op korte termijn.

En weer ben ik bezig met dat
dood-gedoe, slush ermee nu ff.

Is er niet even nog een anek-
dootje te vertellen over het te-
huis of over Elles, die rooie, en
zo?

Zoiets als over een week in de
isoleercel worden gepropt om-
dat je een stootje tegen de regels
van het tehuis bent ingegaan zo-
als bijvoorbeeld dat je met het
kapot gooien van een stapel bor-
den verzet hebt gepleegd omdat
je gedwongen werd je haar heel
kort te laten knippen terwijl de
jongens buiten het tehuis (op ‘n
middelbare school in de stad waar
je als tehuiskind les kreeg omdat
er in het tehuis zo’n school niet
was) met lang haar rondliepen
en je op die manier precies kon
zien dat je met je stekeltjeshoofd-
uiterlijk uit een tehuis kwam, 









 






 

Brief (166) uit Schiedam

Een paar dagen geleden
een halve dag in het ate-
lier in de weer geweest
met kunstgedoe voor een
tentoonstelling in maart, 
want af en toe moet je,
kunstenaar zijnde, je ge-
doetje laten zien om niet
helemaal te versterven naar
onzichtbaarheid per snel-
kookpan vol allerhande
leven waar een mens zich
nu eenmaal niet onderuit 
kan beleven.

De expo heeft een politiek
themaatje over het terug-
brengen van 130- naar
100 kilometer op al de
Nederlandse wegen. We
doen mee met een zen-tijd
tekening nog te maken op
een redelijk groot doek. De
hele middag bezig geweest
en ff geen zin meer om te
koken dus op naar het Chi-
nees afhaalrestaurant om
een klodder op Chinees lijk-
end eten te kopen. Neder-
lands eten eigenlijk, om-
gebouwd tot een Chinees
lijkende hap, of, dat kan
ook, andersom. Nu ja, het
is om het even zo zullen
de Chinezen wellicht den-
ken; als de rare Nederlan-
ders het maar vreten, en
gelukkig dat doen ze dan
ook in donders grote slobber.

Waarom dit hele gebeuren
hier vermeld?

Wel, het verbaasde ons dat
het zo stil in het restaurant
was daar waar het altijd wel
krioelde van klanten en het
verbaasde ons nog een fiks
metertje of wat meer dat we
binnen een paar minuten al-
weer buiten stonden met een
dampende hap verpakt in
plastic bakjes hangend in
een dun wit plastic tasje
zoals je bij ieder Chinees
restaurant wel krijgt.  
Meestal duurt het wel een
stief-kwartiertje voor je
met de net verkregen hap
in een laaiend tempo naar
huis kan razen om die ver-
worven hap, in de hoop dat
ie nog warm is, te consu-
meren. Nu dus hup was het
in een paar minuten klaar.

Heel opmerkelijk allemaal
al besteedden we er voor
de rest geen aandacht aan.
Echter toen we ’s avonds
op de televisie een item
zagen bij nieuws-uur dat
door de ophef over het co-
rona-virus dat in China is
uitgebroken veel Neder-
landers de hier wonende
Chinezen ineens mijden
als de pest, als wordt dat
virus door die Chinezen
heel mogelijk welbewust
en met het allergrootste
genot wordt rondgestrooid
als zijn het van die lange
plastic zakjes gevuld met
fikse lappen kroepoek.

Heel de wereld is dus ff in
paniek want bang voor een
pandemie van de ergste 
orde terwijl er relatief maar
een gering aantal personen
behept is met het virus waar-
bij weliswaar doden te be-
treuren zijn maar vergelijk
je dat met het drinken, roken
en autorijden wat slachtoffers
betreft zouden we daar toch
een flink hapje meer van in
paniek hebben te raken. Het
is twee dagen geleden dat we
het voedsel dat we bij de Chi-
nees hadden besteld opgegeten
hebben, maar geen spoor van
welk virus dan ook raast er in
ons lijf rond om ons een danig
afbraakje te bezorgen wellicht
leidend tot een gruwelijke dood.

Maar godver!

Ben ik al weer aan de dood be-
land, het geval blijft maar achter
me aan leuren met een gretigheid
tot zeker ongekend in de wereld.

Met een gedichtje van je af schrijven
is dat wat? Zo’n geval waarin de dood
wordt bezworen,  nu ja, eigenlijk zoals
al door vele dichters is gedaan.

Dus een gedicht om die verdomde dood
een stevig eind uit het raam te flikkeren?

Mooi niet! 

Brief (165) uit Schiedam

Gisteren naar tennis gekeken.
Vind ik wel lekker om te zien,
ja ik ben ff ook zo iemand die
makkelijk klaar gestoomd kan
worden voor brood en spelen
ook al is onze democratie een
fikse luxe waar ik me heerlijk
in wentel uiteraard, maar rolt
de boel een andere kant op kan
ik me door mijn liefde voor
brood en spelen heel wel in
een andere politieke constel-
latie laten glijden en er even-
zo in wentelen als in onze nu
nog bestaande democratie.
Waarmee maar op knullige
wijze is gezegd dat ik op
alles ben voorbereid want,
nog knulliger, zekerheid die
vind je alleen bij de dood,
op een gegeven moment legt
iedereen het zo welbekende
loodje, daar verandert voor-
alsnog niemand wat aan,
zelfs de Paus, zijn Baas of zoon
niet. Maar eh van tennis naar
democratie naar de dood? Ver-
domme hoe erg kan een mens
dolen in zijn of haar eenzame
bestaan waarin het kijken
naar twee mensen die elkaar
bestrijden in een strijd zonder
meer wapens dan een racket
waarmee ze elkaar niet eens
mogen raken om ’s ff lekker
wat fysieke pijn in de ander
te veroorzaken, nou ja, het
brengt in mij een genot te-
weeg te vergelijken met een
uitstekende kop koffie ook
al laat het gedoe alleen wat
meppen tegen een bal zien. Ha,
ik kijk er zoals gezegd nogal
graag naar dus laat dat brood-
en-spelen-gedoe voor het ge-
wone volk maar over ons uit-
gestort worden, ik in ieder ge-
val vreet daarvan met enorm
veel plezier. Ja, sinds er ge-
leerde heren in het zieken-
huis mij hebben verteld dat
het een wonder is dat ik nog
leef ga ik me natuurlijk niet
met dit wonderleven ver-
diepen in zware intellectuele
zaken die mij, als wonder, ff
helemaal naar de donder
helpen vanwege hun gewicht
waarmee een wonder niets
kan, mooi niet. Ze, de geleerde
heren, keken bij de wonder-
uitspraak namelijk als ver-
zwegen ze dat wonderen in
het algemeen maar bedroe-
vend kort duren, dus dat
brood en spelen is zo gek
nog niet! Brood heb je zo
op en een spel hoef je niet
af te kijken om de boel een
beetje re te hebben aan het
eind van je leven. Een boek
niet af kunnen schrijven
bij voorbeeld, het geeft toch
een enorm stressgevoel zo
net voor je dood zodat je
mogelijk met gekromde
tenen van ellende sterft
en je schoenen niet eens
meer fatsoenlijk passen in
je laatste bewegingloos lijk-
beleven op dit aardbolleke,
je in je kist komt te liggen
met hele erge blote sokken
terwijl je je godver nog nooit
een moment op blote sokken
buiten je huis hebt begeven.

















Traplift

Een binnenbocht
Een buitenbocht
Geen probleem
Ik breng omhoog
Ik breng omlaag
Geen toer is mij
Te lang te zwaar
Ik breng toekomst
Uit verleden
In het nu van heden
Ik sloop hoogtes laagtes
Naar een simpel spoor
Neem plaats op mij
Laat uw voeten rusten
Ik de lasten u de lusten
Met u op mij ga ik
zonder gang op treden
Blijft u rustig zitten
Desnoods een dutje pitten
Vertrouw mijn kracht
U ligt niet al te plots
Als lekke bal beneden
Ook al kreun mijn lijf
U hoeft mij niet te sparen
Mijn lust is uw gemak
Dus doe die binnenbocht
Alsook die buitenbocht
Ja stap op en ga en ga!!

Brief (164) uit Schiedam

Vandaag beslist geen briefschrijf-
dag hupt het ikkerig achter mijn
toch behoorlijk aanwezige neus
die de eh eigenzinnige gewoonte
heeft zich toch bij iedere kans die
zich voordoet zijn aanwezigheid
er bij te sleuren als is hij onmis-
baar. Vandaag dus even niet net
nu ik hem zo hard nodig heb ter
vervolmaking van weer een br-
oodnodige brief om mijn leven
nog enigszins een potje leefbaar
te maken, om me te mannifester-
en (geen fout die dubble n) zodat
er in ieder geval op mijn grafsteen
kan komen te staan dat Hij er wel
ff was.


Om toch deze dag niet te verfrom-
melen tot niets hieronder dan maar
een al wat eerder geschreven tekstje,
want die grafsteen muss natuurlich
wel ff sein.

Omdat

stoeltjes en bankjes gezelsamig klinken
een kleed op de vloer waarin verdrinken
gordijntjes snoezig hangen op slaap
en het behang nooit recht voor z’n raap
een tafel er is tot steels wrijven van knietjes
daarop de vaas met vergeet-mij-toch-nietjes
enkele spiegels ter bevestiging in plons
een dekbed heerlijk zo zacht van het ons
de keuken schoon om te plezieren
serviesgoed er is om de sfeer op te sieren
de tuin vol van veel prilwillend beleven
alsook om bloemkes tijdig water te geven

o hoe lief en zorgzaam is toch dat zijn
het kan niet anders of ’t zal zonder pijn
de glimlach vereeuwigd in blakend geluk
hoe romig dat huisje tot nooit meer stuk

dit:

in het weekend op een poëziemiddag in Leerdam
mocht ik tot mijn volle vreugde een paar laatste-
kans-ouderen bewonderen in het lyrisch beleven
van hun nog jonge liefde. Een liefde zo overvol van
verliefdheid dat er uit deze onbedwingbare borreling
van gevoelens wel iets moois móest groeien en, u
voelt hem al aankomen, dat had het dan ook ten
volle gedaan mocht ik meebeleven op die middag
waarin ik en mijn vriendin, en ook SAGE-maatje
zijnde, lekker onbevangen geplonsd waren; het paar
namelijk had hun zo jonge liefde in een aantal verzen
vereeuwigd die beslist de buitenwereld ingeslingerd
moest worden, want zulk een spetterende liefde op
zulk een laatste-kans-leeftijd dat mocht toch werkelijk
niet onopgemerkt voorbijgaan, dat moest… Nu ja, zelfs
ik wilde dat met mijn zachte gemoed heus wel invoelen.
Het paar toog dus het podium op alwaar het om beurten
elkaar zoetgevliesde versjes tegen het lijf lispelde met
blikken die er beslist niet om logen, die liefde droop van
het podium en uit de versjes zogezegd, mooi mooi mooi,
zo vond vooral ook het paar zelf want het ene versje na
het andere werd eruit gelepeld in een uiterst lieflentelijke
performance waar maar geen einde aan leek te komen
zo vertelde alras mijn rug vanuit een wazig pijngebeuren
uiteraard in het geheel niet toepasselijk bij het zo liefde-
vol gepresenteerde podiumfeest.

Welnu, so far so good, want in een optreden zulk een
borrelgevoelens te etaleren oké, daar kan ik nog inkomen,
zo’n eenmalige gebeurtenis daar kan een mens nog over-
heen groeien. Echter, daar waar dit soort versjes na die
uiteraard eenmalige voorlezing op een podium beslist diep
in de lade van het gezamenlijk nachtkastje behoort te
verdwijnen en alleen nog tevoorschijn gehaald wil worden
na een echtelijke ruzie om de ietwat gemolde gemoederen
weer in verliefdstand te krijgen hebben de zo prilgeliefden
de tenenkrommende verliefdheidsmoed gehad om deze
versjes te laten drukken én ook nog te laten bundelen.
Het hun liefbundeltje was daar ter plekke te koop zo werd
vol trots vanaf het podium door het o zo houdbare stelleke
zonder ook maar een kleine glimp van géne gemeld.
Gelukkig, zo bedacht ik me, had het laatste-kans-stel in
hun verliefde enthousiasme vrijwel de hele bundel voor-
gelezen zodat ik me geen zorgen hoefde te maken iets
uitermate belangwekkends aan de lieflispel te hebben
gemist. Geen enkele aandrang groeide in mij om het
boekje te gaan kopen, zulk een uitspatting moest maar
het best tussen de kaften blijven zo leek mij, dermate
gesterkt als ik was door de zo durende voorleesbeleving.

Nu ja, ieder vlindertje fladdert zoals het bevlekt is, daarom
ook nog even dit:

Vlinderspraak

Good vibrations

Good vibrations
Good vibrations

De situatie is als volgt:

Ironie als schaamlamp
Voor monddood blijspel

Ei!

En

Wisselvallig uitgalmen
Op muren van papier

Good vibrations
Good vibrations

Demareren!
Demareren!

Demareren in blessuretijd


Brief (163) uit Schiedam

Vanavond uit eten met het Bel-
gische echtpaar Lieve en Renaat
Ramon. Renaat is dichter, schrij-
ver en kunstenaar. Lieve is zijn
wat jongere vrouw die de heer-
lijkste gerechten ieder jaar onze
eetbekkies voorzet. Het is name-
lijk langzamerhand traditie dat
Saskia en ik in de zomer een
aantal dagen bij hen gaan lo-
geren en dan die heerlijke ge-
rechten krijgen voorgeschoteld.
Kosten nog moeite worden door
het echtpaar gespaard om ons
het naar de zin te maken in
een prachtig huis, wat zeg ik,
in een villa gelegen in een
grote tuin waarin het lekker
vakantiegevoelig toeven is als
we, Saskia en ik, de omgeving
van Brugge en Brugge zelf niet
aan het verkennen zijn. Ze laten
ons daarin geheel vrij, ’t logeren
schept wat hun betreft geen ver-
plichtingen om elkaar maar te
vermaken. Nee, wij, Saskia en
ik, zijn graag met zijn tweeën
op pad, wat ff niet wegneemt
dat we af en toe ook met Lieve
en Renaat het Belgische leven
in duiken. Af en toe, want de
gastgevers zijn, ondanks hun
stevige leeftijd, Renaat heeft
al lang de niet-meer-werken-
plicht op zak, nogal eens aan
het werk met eigen teksten
zoals recensies, beschouwen-
de stukken, gedichten, essays,
kunst en een tijdje geleden
met een boek over concrete
poëzie, getiteld: Vorm & Visie
waarin ook een stevig stuk
over ons, SAGE, werk is ge-
plaatst daar wij ook concrete
poëzie maken. Vanuit die
hoedanigheid hebben we
elkaar ook leren kennen op
een tentoonstelling in het huis
van twee Belgische dichters
(Olaf Risee en Tine Moniek) 
in het dorp Waregem alwaar
we Renaat hebben ontmoet.
Later heeft Renaat meegedaan
aan een tentoonstelling in Schie-
dam die we met Olaf en Tiene
maakten als een vervolg op die
expositie bij hun thuis.  

Vanwege mijn kekke niet-ge-
zondheid zijn we de laatste
twee jaar niet meer in Brug-
ge geweest, maar dit jaar zo
hebben we met elkaar af-
gesproken gaan Saskia en ik
weer proberen om het jaar-
lijkse logeren een vervolg te
geven als mijn hart zo vrien-
delijk wil zijn ff mee te werken
aan de onderneming, jazeker,
want met m’n knaklichaam op
reis gaan is tegenwoordig ver-
domme verdomme een hele
onderneming.

Maar genoeg over België en
dat brakke lichaam van mij.

Tijd voor een eigen versje dat
ik ook al plaatste in brief 152
maar hier nog eens herhaal
vanwege Mien die zo haar
eigen ideeën over gedichten
heeft.

So ’n netjes leven

eer ik voor eeuwig liggen ga
geen been meer zal verzetten
mijn voeten aan septembersla
de haren danig aan het pletten

ja eer ik op een steen zal staan
gebeiteld in begin en eind
het vlees alreeds te ver gegaan
de huid heel slapjes afgeteint

wil ik per bloterike onderbroek
de rulle sokken op halfzeven
mijn mond naar enen kus op zoek

de dood nog wel wat laten streven
door te rukken aan het kille doek
en als een kat mijn zee van levens leven

Wat heeft Mien van zestienhoog-
achter aan dit gedicht eigenlijk?
Mien zit daar niet op te wachten.
Mien heeft haar leven aan d’r kop,
die heeft geen enkele behoefte aan
al dat poëtengedoe, Mien wil goed
vreten en een vent, en Mien is daar
al d’r hele leven een beetje in onder-
bedeeld, Mien is niet voor de korte
rok geboren zeg maar, Mien bengelt
met d’r lege handen eeuwig langs ’n
oerlelijke lange roepjurk omdat d’r
loopstengels met recht stengels ge-
noemd worden door de zeldzaam
aan d’r bedrand toegekomen man-
nen die zichzelf, bij nader toezien
van al dat benige niets, met dove
blindheid zagen beladen en vanuit
dit inzicht dan liever toch kozen
voor de wat hoeriger korte rokken-
storm ergens heel ver van Miens
plots wel heel ontzielende bedrand.
En Mien dan in tranen uiteraard,
heel gewoon overigens, want Mien
doet meestal in tranen, da’s heel
lang geleden al d’r levensroep ge-
worden zeg maar, vandaar ook
dat wonen op zestienhoogachter,
mét balkonnetje, een hoog bal-
konnetje, een balkonnetje waar
vanaf ze tot nu toe nog niet heeft
durven springen bang als ze toch
is haar dé man te moeten mislopen
in d’r soepdood daar ergens onder
aan de gevel van haar zoveelhoog-
achter, nee, Mien wordt niet nat
van zo’n versje, Mien wilde zolang
als ze zich al kent een vent en Mien
wil dat nog steeds, dus een vers, an
d’r reet termee!

Hoewel…

Maar ach, met zo’n doodkwak-
psalmpje als hierboven gegeven,
daar ontroer je toch zeker zelfs
niet de allerzachtste boterbakker
mee tot mannentranen om ver-
liefd op te worden? Nee, die poëten
poe he zien maar tot ze een ons
wegen met hun vleugversjes, ze
kunnen wat Mien betreft de voeten
van die kersekut aan de overkant
beter gaan kussen, tenzij…

Tenzij die poëten zelf aan haar
bedrand… Miens stengels willen
bij deze gedachte wel klapperen
als zijn het plots echte volbenen,
Mien moet er heel erg van kirren,
maar van versjes pur sang blijft
ze een afkeer houden. Zoals ge-
zegd; geen boterham kan ermee
belegd, en dat, natuurlijk met
een heerlijke vent erbij, dat is
waar het allemaal voor haar om
draait, één bloem gekregen van
een vent is haar meer poëzie dan
heel zo’n vers als hierboven, d’r
balkonnetje zou niet meer voor
haar bestaan zou er nu zo’n heer-
lijke harige hand vol bloem aan
haar bedrand staan te beleven,
want zo’n dood vers, ook al is
het met veel vitaliteit aan leven
d’r in, da’s toch zeker een bord
zonder vreten. En dan die zee
van levens, an-Miens-hoela toch
zeker, heus, één keer een balkon-
stort en de rest van die zeelevens
huppelt vrolijk mee de dood in
daar onderaan die veelhooggevel
terecht gekwakt.

En daar heeft Mien me een behoor-
lijk stevig punt.

Brief (162) uit Schiedam

Vanmorgen om negen uur op-
gestaan. Doe ik iedere dag want
om die tijd moet de pillenslik
plaatsvinden, is me danig in
het ziekenhuis voorgehouden
dat dat het beste is, iedere dag
op dezelfde tijd uw medicijnen
innemen liefst. Nou en dat doe
ik dus braaf, om negen uur en
geen minuut eerder. Vervolgens
eet ik een boterham met jam en
een vette laag boter, rozenbottel-
jam om precies te zijn, ook iedere
dag. Die vette laag boter is eigen-
lijk uit den boze maar zo heerlijk
overheerlijk dat ik daar geen weer-
stand aan bieden kan ook al zeg-
en ze in het ziekenhuis achter een
hele grote opgeheven wijsvinger
dat dát nu juist zeer ongezond is.
Tien stuks van die pillen heb ik
ff in te nemen ’s morgens. En ’s
Avonds nog eens vier. Ik slik ze
niet als de helaas veel te vroeg
overleden F. Starik in een slobber
door zoals hij in zijn laatste boek
Klaar schreef, hij deed in een hap
twintig pillen in het keeltje en
klokte ze met een grote slok water
in een keer door waar ik ze 1 voor 
1 inneem. Het heeft Starik weinig
geholpen al die pillen uiteindelijk,
na zeven of negen maanden, pre-
cies weet ik het niet meer en ook
geen zin het op te zoeken, ging hij
alsnog dood. De eerste aanslag op
mijn hart is dertig jaar geleden, al
die tijd leef ik al met die pillen, ze
zijn een gewoonte geworden na
zoveel tijd. Jammer dat Stariks tijd
na de donderslagaanval op zijn hart
niet langer heeft kunnen duren, hij
niet de kans heeft gekregen er nog
een aantal gedichten uit te knallen,
nog wat van die boeken als zijn laat-
ste heeft kunnen schrijven, een boek
dat ik graag gelezen heb, niet in de
laatste plaats natuurlijk vanwege het
geschrijf over zijn hartproblemen die
mij na aan het hart liggen om het maar
ff  eens wat ego-luchtig te formuleren.
Wel heeft hij (net als Menno Wigman
die ook al op te jonge leeftijd wegens
hartgedoe over de Stix naar gene zijde
werd gevaren door die verdomde ped-
delknoeier Charon) met een gedicht
meegedaan aan het Poëziepleinproject
in Schiedam, geheel  belangeloos zoals
alle dichter trouwens behalve Joke van
Leeuwen, die moest harde pegels heb-
ben voor haar poëziewerk en tekening.
Twee dichters dus die aan het poëzie-
project mee deden en die de dood in-
schoten en daar tussendoor ook nog
’s Gerrit Komrij ( ook meegedaan aan
ons project) die het schrijversloodje
legde, het zal daar toch niet zo zijn
dat al de dichters die mee hebben ge-
daan al snel hetzelfde lot… Potver, ons
Poëziepleinboek zou dan gewoonweg
een tikkie gaan lijken op het boek “De
laatste deur” van Jeroen Brouwers over
dode dichters en schrijvers. Nee graag!
(Niet dat het boek van Jeroen Brouwers
een vreselijk boek is, integendeel, een
prachtig boek ondanks het onderwerp
vind ik). Dus nog even een fiks eeuwtje
of zo blijven leven graag u creatieve
personen die op de posters en in ons
boek staan met een gedicht of met kunst
(zie voorbeelden bij google; Poëzieplein).

Rabia gisteren geweest (de thuishulp
veroorzaakt via gemeente Schiedam)
heeft buiten haar gewone schrob en
dweilwerk ook nog even een muur in
mijn keuken gewit, de stoere, wilde ze
heel graag doen, net als de muren in
de badkamer die ze een tijdje geleden
ook al heeft gedaan. Eigenlijk vindt
ze dat leuker werk vermoed ik dan
m’n huis ontdoen van alle door mij
veroorzaakte stoflagen, vetresten en
andere rotzooi die ik in een week 
produceer alsof ik niets anders te
doen heb. Rabia? Een Turkse vrouw
van plusminus vijfendertig, klein van
stuk maar met een energie van een
topsportster op haar hoogtepunt, ze
weet binnen twee uur het hele huis
zo glanzend schoon te krijgen dat ik
me iedere keer weer een soort van
bezwaard voel om er weer een puin-
hoop van te maken, zeker daar ik het
tevens vanaf het begin dat ze bij mij
kwam hulpen het heel genant vind
dat iemand mijn huis boent. Iemand
opdrachten geven, ik kan het met de
allerbeste wil van de wereld niet van-
uit mijn brein mijn mond in loeien
dus zeg ik altijd als ze me vraagt wat
ze kan doen dat ze dat zelf maar moet
bepalen. Geen baasje kan ik zijn zo
heb ik maar even ontdekt via mijn
eerste thuishulp. Nu ja, het is treurig
leuk met mij gesteld zal ik maar zeg-
gen; geen baasje, het haasje of zoiets.
Rabia is getrouwd met een Hollandse
man die zich bekeerd heeft tot het
islamitisch geloof zo heb ik van haar
begrepen. Dogmatisch is ze niet, Ra-
bia, ze draagt ook geen hoofddoek al
vindt ze het wel ongelooflijk dat ik
niet geloof, ‘je kan toch niet leven
zonder in God te geloven’ zei ze met
grote ogen in naïeve verbazing tijd-
ens een gesprek dat we eens voer-
den, ‘ik kan niet geloven dat je niet
gelooft’. Ze zei het alsof Allah over 
haar schouder meekeek en zij zich
bij voorbaat al naar haar Allah toe
wilde verontschuldigen over mij,
de man met zoveel ongeloof in zijn
hoofd. ‘O maar luister, ik geloof
wel hoor’, zei ik om haar totale
verbijstering een stukje tegemoet
te komen. ‘Ik geloof namelijk dat
God niet bestaat en is dat uiteinde-
lijk ook niet een geloof.’ Iemand die
gelooft overtuigen dat je niet in een
God gelooft, het is net zoiets als die 
iemand er van proberen te over-
tuigen dat een gewone fiets vier-
kante wielen heeft. Zinloos dus.
Over het geloof hebben we het
niet meer na die ene keer. Religie-
kwesties ze zouden onze tot nu
toe beste verstandhouding alleen
maar in het door mij geproduceer-
de stof doen belanden. Stof hebben
we op de wereld al genoeg gezien
de oorlogen die gevoerd worden
alsook de aanslagen uit naam van
de Goden. En dan, om mij nou de
keel te laten doorsnijden door een
van Rabia’s geloofsgenoten daar heb
ik nog ff geen verlangen naar. Dus
frommelen we omzichtig dat geloof-
gedoe weg naar niet van belang bij
het poetsen, dweilen alsook witten.