Spring naar inhoud

Brief (201) uit Schiedam

Veel te mooi weer de afgelopen week
om te gaan zitten vingeren aan mijn
toetsenbord. Naar buiten met dat klote
hart zo brulde het weer ’s morgens door
de ramen mijn huis in, die brieven en
ander spul schrijf je maar in je eigen
tijd of in mijn herfsttijd, dan kan je je
goddelijke gang weer gaan, dan zegt
men toch dat ik beestenweer ben met
al die stormwind en regen al kan je
met een klote hart heus ook in mijn
herfst nog heel wel naar buiten en
anders koop je toch gewoon een hond
of zo, die wil er elke dag wel op uit.
Wat ik maar zeggen wil, het regent
hier in volle regelmaat met alle ple-
zier op mijn dak, en zoals ik al zei
vandaar maar weer eens dit gekrab-
bel in een brief.


Brief (200) uit Schiedam

Gisteren gepoogd naar diergaarde
Blijdorp te gaan, twee vrijkaartjes
gehad namelijk van iemand die lid
is van die dierenclub in Rotterdam.
En nee, zulk een gift kan je niet on-
gedaan laten ook al gaan wij zelden
naar dat enorme park waar dieren
zich tot vreugde van ons allen in
strikte beperking mogen bevinden
om zich te laten begluren op het an-
ders zijn dan we zelf zijn.

Gepoogd dus, wij.

Echter de parkeerplaats stond stamp
en stamp vol; corona onvriendelijk
so to speak, ik mag me namelijk tot
tot de gelukkigen rekenen waarbij
de kans groot is dat je bij opvang in
oog of inhaal per neus of mond een
flintertje van het rond-happende
virus al een gewisse dood in je lijf
zich gaat nestelen die met bijna zeke-
re zekerheid het einde van je leven
teweegbrengt behoor je, zoals ik, tot
de risicogroep. Dus zijn we, omdat ik
op zijn minst nog tot een stuk of
wat meer brieven in deze reeks wil
komen, toen we die met blik beladen
parkeerparken zagen, linea recta om-
gedraaid en naar het strand in Hoek
van Holland vertrokken, daar name-
lijk is het ook net een park waarin
allerlei ‘dieren’ zich tentoonstellen
om gezien te worden in tegenstelling
tot de dieren in Blijdorp die het een
roest aan hun reet zal zijn gezien te
worden, zie bijvoorbeeld de oran-
oetangs die, zien ze een bezoeker,
vaak woest bonkend tegen het raam
vliegen waarachter ze al ‘eeuwen’
opgesloten zitten. Of andere dieren
die liggen, hangen, slapen, of heel
verveeld om zich heen kijken naar
wat er voor hun neus, bek, of ander-
soortig snoetwerk langs trekt aan
mensspul, dieren waarover overig-
ens al in een eerdere brief in deze
reeks is geschreven.

Grunberg zo zag ik op de televeel gaat
ook weer een tv programma maken, iets
over dat ie Amerikaan gaat worden. Ben
benieuwd. Een tijdje geleden nog een
boek (Aan nederlagen geen gebrek, Pri-
ve Domein) van hem gelezen waarin
brieven die hij op jonge leeftijd heeft
geschreven naar mensen waarmee hij te
maken had op dat moment (de brieven
zijn rond zijn zeventiende tot zijn negen-
tiende ongeveer geschreven). En dat ik
na de tweehonderd brieven er nog een
stuk of wat wil schrijven. Wellicht voor
datzelfde Domein en niet dat ze niet eens
als kaftpapier mogen dienen voor dat
boek van Grunberg. Ja ja, tjonge jonge
enzovoorts.



Brief (199) uit Schiedam

Achter de computer zitten en zoals
wel vaker echt helemaal niets spe-
cifieks te vertellen hebben, bijvoor-
beeld over iets van belang uit het
dagelijks leven zoals een broeierige
knak in je gevoel voor de werkelijk-
heid met kans op onweer of godver
nog een heel erg stevig tikkie erger.

Tureluurkopstaren dan maar
naar hele vette krantenkoppen?

Een gebroken kruisje of andere ge-
knakte religieuze symbolen dragen
in plaats van een gebroken geweer-
tje in de huidige tijd en daar over
hels schrijven, is dat wellicht wat?

Of gewoon maar snoezig pennen
over het fijne vroeger toen alles
uiteraard veel beter was, alles in het
leven lekker nog eenvoudig was te
behappen, de ratrace nog niet was
uitgevonden, burn-out zelfs niet in
dromen voorkwam, het leven kab-
belde rustig voort en jij kabbelde
lekker mee zonder de druk van al
het moeten van tegenwoordig mee
te moeten beleven, kortom het lek-
kere aloude Zwitserleven-gevoel van
die verdomde opdringerige reclame
van vroeger toen het zogenaamd nog
zo mooi kon zijn allemaal. Goed, het
koste volgens dat reclameplaatje een
paar centen, maar dan had je ook wel
wat tot in je laatste jaartje of uurtje van
leven, uiteraard met verzwijging van
het op het eind hele sloten medicijnen
slikken om maar zo lang mogelijk van
dat Zwitserleven-gevoel te kunnen ge-
nieten, onderwijl kromtrekkend van
de pijntjes die fijn door het lichaam
razen als was het hun laatste bedoen-
ing de boel nog even op scherp te zet-
ten. Tof toch zou het zijn die reclame
weer voorgeschoteld te krijgen, niet,
zeker met dat verzwijgen in het mooi-
praatje van al die kraakaanslagen op
het lichaam tot de dood er uiteindelijk
toch nog fijn op volgt.

En zo gebeurt het als je niets te schrijven
hebt dat je verdomme gewoon weer op de
dood uitkomt en daar nog urenlange brie-
ven mee kan vullen.

Een gedichtje dan maar:

Een halve zee in het keukenraam

het moet allemaal te doen zijn

een vuilniszak knispert
weliswaar van het afgedankte
toch graag zal er nog genoeg
al zal je nooit ontsnappen
aan de b-klank van het nu

bij de Himba-stam slaan ze
met een stok bij wijze van initiatie
de voortanden uit het gebit
van jongemannen

wij hebben de arbeidsvitaminen
en uitnodigingen: men nodigt u

zo zoeken ze mensen met een thermosfles
en een wil naar zomers in hun binnenzakken
kladvellen eigenlijk met waandiepe krabbels

wel vraagt men garantie

(bij het fietskopen moet je ook opletten dat
de wielen op de juiste plaats zich bevinden)

arbeidsvitaminen! én uitgenodigd!

heus, het moet allemaal te doen zijn





Brief (198) uit Schiedam

Voor de deur ligt de straat in puin.

Nee, geen oorlog.
Ook geen aanslag.

Al een paar maanden zijn er een
aantal bedrijven aan het werk om
de omgeving een nieuw en mooier
aanzicht te geven. Zo worden er
parkeerplaatsen verplaatst, de weg
van een nieuwe laag asfalt voorzien,
en krijg ik redelijk pal voor mijn deur
een zooitje van die ingegraven vuil-
containers die je met een pasje moet
openen om je huisafval en andere rot-
zooi er in kwijt te kunnen. Benieuwd
hoe lang het duurt voordat er bergen
vuil en afgedankte huisraad zullen ont-
staan naast die gloednieuwe containers
die de gemeentevernieuwing weer ge-
heel teniet doen. Een paar jaar geleden
nog kon je de vuilniszakken voor je deur
zetten en werden ze diezelfde dag op-
gehaald door een vuilniswagen, meeuw-
en echter hebben dat verziekt door de
zakken kapot te snavelen, te eten wat
ze lusten, en al de zooi die ze niet te
vreten vonden achteloos vrolijk op
straat plempten zodat je die dagen
altijd wel een uur bezig was de straat
schoon te vegen, want toch wel altijd
mijn vuilniszakken die ze met graagte
te grazen namen zo leek het mij en
maar zelden eentje van de buren. De
straat blijft nu schoon, ik hoef niet
meer te bezemen en die mogelijke
bergen veroorzaakt door het nieuwe
systeem liggen mooi wel zo’n twintig
meter van mijn huis vandaan, dus
alleen visueel brengen ze wat kraak
in mijn leven.

Ik ben volgens een cardioloog van
het Erasmus nog steeds een wonder
in leven, al drie jaar nadat mij de
dood plompverloren is aangezegd
door die man heb ik het lef om nog
te leven. Geen idee hoe lang wond-
eren blijven bestaan, dus geen idee
ook of ik al die vernieuwzucht van
de gemeente nog zien kan als het
af is. En nee, ook nu geen treur-
berichten over mijn gezondheid,
wat kan mij zo’n vernieuwde straat
eigenlijk verdommen, er overheen
lopen en rijden dat is wat ik er al-
leen maar over doe bij tijd en wijle.
Eh het woord wijle is niet zo’n han-
dige keus in dezen, lijkt wel erg veel
op wijlen, en daar ga ik dus ff nog
helemaal niet verwijlen, ik zal en
moet het ongelijk van die cardio’s
met mijn levenshuppel onder hun
neus kunnen wrijven om te tonen
dat ze niet altijd maar de wijsheid
in pacht hebben al struinen som-
migen van hen met zo’n air door
het ziekenhuis, zeker degene die
naar mij met dat wonder liep te
gooien als een bijl voor executie.

Net naar een documentaire over
Joost Zwagerman gekeken op de
lichtbak waarmee de hele wereld
je huis wordt binnen gesmeten en
nee, zelfmoord daar hoef ik niet
naar op zoek, mijn lieve lichaam
gaat voor die zorg zorgen volgens
de al genoemde cardio. Ik hoef
daar geen extra reet aan te doen,
het hart staat paraat om dat op te
lossen. Wel hoop ik dat ik die eer-
der genoemde genezer/doodaan-
zegger nog wel het eigenzinnige
levensdeuntje in mij voor kan
zingen een treiterig aantal jaren.


Brief (197) uit Schiedam

Even het woord leuteratuur opgezocht
bij google want dacht ik me daar origi-
neel te zijn barst het daar van de leute-
ratuur.

Lui vandaag dus nog een oud tekstje:

Van prop tot…

Stel je frommelt een wit vel papier
tot een prop en je poneert de stelling
dat het niet zomaar een prop is. Nee,
het wil juist een doordacht gevormde
prop zijn, ontsprongen aan je brein.
Een vorm via je handen, die zoals ruim
bekend door middel van zenuwprikkels
met het brein in verbinding staan, ten
uitvoer gebracht (van natuur naar cul-
tuur zeg maar) naar het propmodel. En
dezelfde handen die vervolgens het net
geschapen kleinood op de tafel leggen
waarbij wat begeleidende woorden uit
de mond van jou, als toch de maker, be-
vestigen dat het een daad betreft van
opperste doordachtheid naar een heus
bedoelde schoonheid met als resultaat
een prop tot kunst verheven.

Geloofwaardig zoiets?

Waarschijnlijk niet als de prop als een
prop op de tafel blijft liggen zonder het
wat verder mee te sleuren naar het hier-
boven al aangestipte doen met de bedoe-
ling de gewone prop te extrapoleren naar
een prop waarvan een ieder in de oooooh-
stand schiet.

Iets extra’s zal er dus aan te pas moeten
komen wil het een bewonderknal in het
schedelhuis van de kijker veroorzaken.
Zo zou je, om het extra’s maar direct even
in te vullen, als kunstenaar een lange draad
(dun visgaren bij voorbeeld) door de prop
kunnen halen, deze draad in een lege zaal
van muur tot muur spannen op ooghoogte
als werd de prop een maagdelijke wereld-
bol precies op het snijvlak van een grote,
net geboren gebeurtenis die beslist geen
theorie behoeft om het geheel in woord
iets anders te laten schijnen dan een prop
papier aan een draadje garen gespannen
tussen twee muren.

Zo?

Nu ja, het kan natuurlijk zomaar zijn dat
dit bij lange na niet voldoende is voor de
schedelknal en er nog wat intensiever
denkwerk aan te pas zal moeten komen
de extrapolatie tot een volledig succes te
maken.

Gewoon for te sake of the knal wat meer
experimenteren dan maar? Bij voorbeeld
door boven de prop experimenteel een
spotlight te plaatsen die middels zijn felle
licht een schaduw van de prop op de vloer
werpt zo’n 10 keer groter dan het ding zelf
zodat er op die manier een tegenbeeld ont-
staat die de prop, buiten de hierboven al
genoemde, zeker een extra betekenis zal
geven zodat de prop niet meer de prop zal
zijn van voorheen.

Gevolg: onder de kijkschedel verwondering?

Mooi natuurlijk, maar wat, gebeurt dit niet?

Geen nood, want het brein voorziet in zulke
gevallen in de mogelijkheid er nog meer vol-
doende oplossingen voor te vinden dan er al
voorhanden zijn. Zo zou er bij voorbeeld een
bed bijgesleept kunnen worden om de scha-
duw van de vloer weg te vagen en op te vang-
en op dat erbij gesleepte bed zodat er in de
voor de rest schemerige zaal niets dan een
kleine witte bol van papier boven een bed te
zien zal zijn met op de witte lakens van het
bed de propschaduw.

Een ultieme gooi naar schoonheid?

Want een fijnzinnige en interessante instal-
latie zo laat het zich aanzien is er door deze
toevoegingen geboren waarvan de titel zou
kunnen luiden “Kwalen Van De Schaduw,”
een titel die het geheel van de opstelling een
zodanige diepgang geeft dat de verwondering
nu ongetwijfeld ondraaglijk zal worden in het
hoofd van misschien niet alle, maar dan toch
zeker de meeste kijkers.

Klaar voor de wereld dus, dit werk.

Maar.
Maarr.
Maarrrrr.

Waarom niet nog wat meer?

Want is de maker met een danig beetje geluk
niet alleen manueel getalenteerd, maar ook
nog eens op schriftuurlijk gebied het huis van
talent binnengevallen zou er nog een extra
verdieping aan het geheel gegeven kunnen
worden met de totale inzet van het laatst-
genoemde talent om het geheel naar het su-
blieme te doen nijgen. Zo zou de kunstenaar
ter vermeerdering van de al onbedaarlijke
beleefvreugde graag kunnen gaan googlen
in zijn hoofd op zoek naar het woord scha-
duw en alles wat daarmee verwant is om bij
de installatie een lapje tekst te voegen dat
mogelijk zo aanvullend kan gaan zijn dat
ALLE kijkers de al genoemde broodnodige
knal nu onvermijdelijk in het wijshoofd zul-
len willen beleven.

Zo’n resultaat van het hoofdgooglen zou
kunnen zijn:

Vloeizwart

volle binnenmuren
maar ook gelapte ramen
voor het buitenlicht

ontsporingen in folders
een gebeuren
bol van streepjescodes

vergeefs glijden
wolken pendelend
boven raadselharen

pil en vliegenmepper
fenomenen
als nodig speelgoed

soms ook weemoed
per maanlicht
vaag nog in geschriften

En als er na deze toevoeging dan nog geen
ooooh-standje onder het kijkersschedeldakje
plaatsneemt dan is deze, wat de kunstenaar
betreft, gewoonweg verloren en gedoemd
een muur bijvoorbeeld alleen nog te kunnen
zien als een nuttig voorwerp gemaakt ter be-
paling van een fijn beschut leven zonder zo’n
gestapeld steenvlak ook nog wat overdrachte-
lijk in de geniet- of rampstand te kunnen zet-
ten. Gevolg hiervan kan zijn dat er voor zo’n
kijker het wel heel oude, donders afgesleten
beeld zal willen gaan gelden:

EEN PROP IS EEN PROP IS EEN PROP IS
EEN PROP.




Brief (196) uit Schiedam

Gek hoe snel een mens zich kan aanpassen
aan veranderende omstandigheden want
bijna zes maanden al met angst het virus
op te lopen leven Saskia en ik in quaran-
taine zonder uit elkaar te ploffen van el-
lende, zonder treur dat we niet meer zo-
veel buiten de deur kunnen, zonder el-
kaar in de haren te vliegen, zonder gejank
dat we meer willen dan we nu mogen,
zonder terrasjes, zonder happen buiten
de deur, zonder strand want daar bulkt
het nog meer dan elders van de corona-
bellen, zonder vakantie, ff zonder kunst
en wat al niet meer. Dat niet ontploffen
genoemde is natuurlijk wel omdat we
niet samenwonen, elkaar niet de hele
dag op de geliefde kont hoeven kijken,
langs elkaar heen hoeven te schuiven,
we niet de hele dag met elkaar rekening
hoeven te houden, we dus lekker een
aangenaam tijdje per dag onbeperkt ons
eigen ding kunnen doen zoals bij voor-
beeld uitslapen tot ver in de dag om ver-
volgens te kunnen denken wat ga ik van-
daag allemaal eens heerlijk niet doen, zo-
als gewoon eens een dagje vasten bij voor-
beeld, nee, geen fikse maand zoals de mos-
lims plegen te doen, veel te veel werk, s’
avonds wil ik gewoon lekker televeel kijken
zonder dat gedoe van koken bakken en
braden voor een bak familie die om je
heen ratelt. Een dagje is wel genoeg, een
avond de slimste mens kan ik nog wel
missen als ik na zo’n dagje zonder eten
nog moet koken, maar vaker ook niet.
Trouwens dat af en toe vasten helpt zo-
als bekend geweldig tegen obesitas, een
kwaal waar Mien corona dol op is zo knalt
het heel vaak uit die televeel.

Overigens, zou er al een coronalied zijn?

Corona

ik ja hond heb ff geen idee
zo weinig nog naar buiten
dagen al geen boom gezien
terwijl al rijp de appels zijn
de regens weer gaan gieten

zeg kom op snel naar de zee
he baas je bent toch niet bang
het is ethisch heus in de haak
moddernat en lekker scheuren

zeg je schrijft ons toch niet af
de pret is nog lang niet klaar
open die deur mijn knuffelbeer
de dood kan mij niets zeggen

et et et et et et et et et et cetera

Uiteraard dat et cetera anders wordt dit
gedicht net zo lang en irritant als dat co-
ronavirus want om nou nog verder te
gaan zeuren over dat het hondje alleen
achterbleef in het huis omdat zijn baasje
in het ziekenhuis moest liggen en het
hondje zich daar uiteraard enorm een-
zaam ging voelen, ’t baasje erg miste,
het heel erg vond niet meer naar buiten
te kunnen om wat pee-mail uit te zetten,
’s even lekker te rennen, niet meer aan
het gezicht van het baasje kon lebberen
of met zijn kop op baasjes schoot liggen,
geen druppel water meer kreeg voor-
geschoteld, geen hap voedsel meer kreeg
opgediend en hij dus dagenlang een mar-
teling van honger alsook dorst had te ver-
duren waarbij hij zo langzamerhand
toch ook wel de dood onder ogen moest
gaan zien al had hij daar ff helemaal
geen zin in en ook geen bewustzijn voor
maar wel aldus aan het leer van de bank
begon te vreten en uit de wc te drinken
niet in de gaten hebbend zo de marte-
ling te verlengen tot aan de gruwelijke
hongerdood die in het slechtste geval
nog weken op zich kan laten wachten
om van het baasje maar helemaal te
zwijgen die al een tijdje aan de beade-
ming zeer benauwd ligt te zijn al zal
hij er zelf niet zoveel van merken want
door de ziekenhuiswerkers in een straf
comaatje gehouden waarvan niemand
weet hoe lang dat zal gaan duren en of
ie überhaupt nog wel tot de levenden
zal gaan behoren is Mien corona uit-
geraasd in zijn lichaam, of dat er een
kans bestaat dat ’t baasje hem als een
zak vol botten terug zal vinden wordt
hij als bij wonder genezen verklaard
daar in het ziekenhuis waar hij godver
als hond niet mag komen en dus zijn
baasje nooit meer zal zien bij een fuck
slechte afloop en nogmaals godver wat
zal het baasje treuren zo weet hij zeker
vindt hij zijn hondje als een half leeg-
gelopen zak gevuld met botten volledig
in de dood gekwakt op de kapot gevreten
bank terug, nog wel baasjes lievelings-
plek bij het televeel kijken.

Zou ik dit alles in het gedicht proppen,
net zo irritant ging het worden als dat
mensenvlees vernietigende virus.

Eh LEUTERATUUR dus.






Brief (195) uit Schiedam

Eh, even een flink tijdje (zo’n drie
weken) niet met mijn leven aan
brieven zitten knoeien. De grootste
oorzaak hiervan is de hachelijk hoge
temperatuur die door de zomer over
ons landje geflikkerd is de laatste
weken. Geen pretje namelijk om in
stromen zweet weg te zitten drijven
achter je computer terwijl je adem-
spieren amechtig proberen nog wat
zuurstof in je longen te hijgen zeker
met mijn lekker sappige conditie. De
brui dus voor een wel erg lange tijd.

Maar ha, de voor Nederland veel te
voort durende (record) hittegolf is
zowaar weer veranderd in een aan-
genaam aanvoelend temperatuur-
golfje waarbij de kleren onder het
rammen op de toetsen niet kledder
maar poeder-droog het lijf niet hin-
deren te functioneren zoals ik wil.

Het hoofd op een boom leggen. Op
een omgelegde en dus dode boom
om je extra levend te kunnen voel-
en. Een soort hergeboorte beleven.
Waarbij je tevens uit kan rusten
want je lijf moet er wel bij gaan
liggen wil het hoofd zich kunnen
vleien op de omgelegde tot dood
vermoorde stam. De welbekende
foetushouding is hierbij niet nood-
zakelijk. Een gestrekte houding,
net als de boom, is ruim voldoende
om het gewilde leefbeleef in ’t hoofd
te doen plaatsvinden. Willekeurig
welke boom is hiervoor te gebruik-
en en het hoeft niet zo te zijn dat
voor ieder mens een aparte boom
zal omgelegd, nee, een boom per
miljoen Nederlanders, om maar
even lekker bij huis te blijven, vol-
doet, zo’n zeventien bomen hebben
er dus voor te sterven en dat kan
wel leien zou je zeggen, ware het
niet dat met het kapbeleid van
tegenwoordig hele bossen worden
opgeruimd zogenaamd vanwege
natuurbeheer maar ondertussen
ook wel handig om elektriciteits-
centrales te voorzien van biobrand-
stof waarvan de natuurbeschermers
in de hoogste boom klimmen om
daar een potje te gaan zitten janken
ter voorkoming van die zo heel erge
bomenmoord. Wellicht toch niet zo’n
goed idee die hergeboorte gelieerd
aan omgelegde bomen, misschien
kunnen we aan dat mens met die
erwt uit dat sprookje vragen of zij
na die helse nacht op een stapel ma-
trassen waartussen een erwt lag
of zij niet een ander en milder idee
heeft ter voorkoming van gesloopte
bomen, want per slot kon zij na die
nacht op die erwt wel lekker aan de
rollebol met een prins wiens vader
met dat achterlijke maar voor haar
gunstig uitpakkende idee van die erwt
kwam zodat ze niet net als de bomen
omgelegd werd al zou dat omleggen in
deze tijd heel gewoon zijn gezien dat
hongerige virusje dat maar hevig rond
raast en mensen om laat vallen als de
onderhavige bomen waarvan ik een
tikje geforceerd gebruik maakte om na
drie weken van niet- schrijven weer
noodnodig op gang te komen met het
verder pennen van deze brievenreeks.

Ter afronding van deze toch weer vol-
gekrabbelde brief ’n sprokerig gedichtje.

Fabeldieren

kleurige schimmen
zich boetserend
in zoldervertrekken

wezens
vreemde
personages

als houten staken
strompelen ze
buigen ze

ten-takelen sluimer naar beweging

eendagsvliegen
vol alchemie
en tinteling in slaapzucht

kiemende sprookjes
kort
voor een komende dag



















Brief (194) uit Schiedam

Rommelde ik vanmorgen terwijl de
zon de aarde flink om de oren sloeg
wat in oude afgekeurde schrijfsels
van mij om na het stenen geleuter
in de vorige brief via dit gerommel
weer tot schrijven te komen over wat
er toe heeft te doen vond ik dit ‘son-
net’:

Penta(gon)versje

Zo ik onzichtbaar heb te zijn
Ik zou mijn huid betrekken
Wit/zwarte teintjes lekken
Ja wat haakjes heel vilein

Onder een vergaarmat proppen
Om dan gewoon als resultaart
Wat koppig en ook onvervaard
Bij mij binnen willen hoppen

Maar ach serpentig sonnetuutje
van jamberen al zo hevig vol
Alsook volta’s met een chuutje

het is voorwaar geen pretjeslol
Vrede te blazen met een fluutje
Dus duim ik maar om bomgedol

En ook ’n kuiltje met wat sjuutje


Geen idee meer waarom ik dit gedicht
geschreven heb, waarschijnlijk nog
een product uit de tijd dat ik danig op
Schrijfnet aanwezig was via internet.
Het zal wel iets zijn uit een sonnetten
wedstrijd waarmee ik wilde bewijzen
dat je met al die regeltjes van het son-
net toch iets buitensporigs kon maken
dat ver buiten die regels zwabberde/
donderjaagde en toch een tikje op een
sonnet leek, vandaar ook wellicht de
titel ‘Penta(gon)versje’.

Maar eh…

Nog een oudje dan maar:

Deceptie

Ooit schreef ik een diggie getiteld ‘Als’*

Waarin een strofe met:

er geen verleden
meer gemaakt wordt
waarin grage stappen haken


Vond ik toen wel een aardige vondst,
dat grage bedoel ik. Kom ik inde ver-
zamelbundel van H. de Coninck dit
gedichtje tegen:

wolken zijn doeken
voor het bloeden
van de zon,

de schemering
is een zeer trage behandeling
van een grage wonde

Op de schroothoop dan maar, mijn
diggie?

Wel zou ik het zo geschreven hebben:

wolken zijn doeken
voor het bloeden
van de zon

schemering

een zeer trage
behandeling
van een grage wonde


Nu ja, de arrogantie om… Niet?

Okay, okay, de de na de zon weer terug
dan maar, het verlies van die verborgen
zonde is wat teveel van het goede alsook
het rijmel wat zomaar te verdwijnt.

Dus:

wolken zijn doeken
voor het bloeden
van de zon,


de schemering
is een zeer trage behandeling
van een zeer grage wonde

Goed dat ie het niet meer kan zien,
onze Herman, hij zou het vast niet…

Een aardige gedachte in een matig
gedichtje, dat weer wel natuurlijk.


*Het hele “Als” gedichtje:

Als

bomen iel gewaaid zijn
vol met einde
en de lucht van aarde is
bewolkt

er geen verleden
meer gemaakt wordt
waarin grage stappen haken

de snelheid
van het heden
alleen nog op een stoel
wordt vastgelegd

als woorden schrijnen
in hun letters
van gedachte zinnen zonder zijn

als dan pas als het ware
knelt er woede
in geraamde ogen
ergens achter een gordijn







Brief (193) uit Schiedam

Een paar dagen geleden plofte er een
met de hand geschreven brief op de
mat. Echter omdat ik een huis dat per
se bovenaan een trap gelegen heeft
te zijn heb gehuurd in verband met
stampburen boven mijn hoofd altijd
wel aanwezig als je in een beneden-
huis woont en waar ik wel even van
bevrijdt wilde blijven vanwege dit
gepruttel op papier waarbij stilte om
mij heen een absolute voorwaarde is
en ook omdat ik niet al te vaak meer
een trap op en af kan rennen daar
ik een brokje broodnodige gezond-
heid daarvoor in mijn lijf mis bleef
die brief zeker een halve dag op de
mat geplakt liggen, onderwijl mijn
nieuwsgierigheid oplaaiend tot on-
gekende hoogten over wat er wel
voor een belangrijks in zou staan;
een brandende liefdesverklaring?,
een te hels bericht dat er van mij
nog ergens een kind rondhuppelt
(wat overigens niet kan want ik
ben mijn leven lang al onvrucht-
baar dus die valt af), een uitgever
wellicht die dit gepruttel op papier
heeft gelezen en het beslist binnen
niet al te lange termijn wil uitgeven,
of zowaar een uitnodiging voor
een knetterend feest waar ik ui-
teraard niet heen zal gaan omdat
ik mijn feestneus al eeuwen geleden
op een zeer onvindbare plaats heb
begraven en zodoende op feesten
altijd de keiharde dissonant heb
te zijn, of is het een brief van een
of andere vriend om weer eens wat
af te spreken, echter, ook dit valt af
want eerlijk gezegd heb ik geen
vrienden, kennissen wel, maar daar
verwacht ik dus ff geen brieven van,
die bellen gewoon op als ze wat heb-
ben. Een boze brief van een lezer
van deze brieven zou ook kunnen,
al heb ik ook deze gok rap te schrap-
pen want op mijn site “Hof van Spa-
land”, waar ik deze brievenreeks
plaats komt al tijden geen bezoeker
meer, de enige die er nog komt ben
ik. En dat waarschijnlijk omdat ik
niet met reclame loop te zwaaien
over mijn eigen maaksels, daar ook
geheel niet rauwig om kan zijn want
meelezen van anderen het zou me
behoorlijk de stuipen op de pen jagen.
Het idee dat er constant meeleesblik-
ken over mijn schouders zouden
stromen, ik ging voor zeker niet meer
zo vrij over alles kunnen brieven als
ik nu doe en…

Goed, en brief dus.

Een brief van iemand, zo las ik na-
dat Saskia het ding knap laat in de
middag naar boven had gesleept,
die jaren geleden een kunstwerkje
van ons gekocht heeft maar er in-
middels, na er jaren met genoegen
naar te hebben gekeken, ja heus ’t
staat er, danig op uitgekeken is en
of we het niet terug wilden nemen
zodat we er eventueel iemand an-
ders blij mee kunnen maken, of
mogelijk het nog eens kunnen ver-
kopen. Wel is er het probleempje,
zo schreef de koper, dat helaas het
kleinste, maar grappige onderdeel
gesneuveld is (kortsluiting).

Met vriendelijke groeten, zo eindigt
de brief heel liefelijk.

Maar hoe liefelijk ook; een te rare
boel toch wel, uitgekeken raken op
een kunstwerk van SAGE al is het
na vele jaren. Kijk, als je ’n nieuwe
bank hebt gekocht en SAGE past er
qua kleur niet meer bij, heus daar
kunnen we met knalveel scheppen
goodwill nog bij blijven dansen,
maar uitgekeken, daar vallen we
toch wel even stil. Zoals we overig-
ens ook stilvielen toen we eens
een adverentie op het o zo bekende
Marktplaatsje tegenkwamen waarin
een kunstwerk van ons te koop werd
aangeboden voor het dubbele van
de prijs waar wij het voor verkocht
hadden.

Zoals gezegd, stil dus wij.

Een stilte die alras overging op het
gevoel van wel tof om te zien dat
onze marktwaarde is verdubbeld
binnen niet al te lange tijd na ver-
koop, dat het zowaar puike handels-
waar is geworden.

Jammer dat mijn lijf dat even niet
meer aan kan, want godver een
mooi vette handel dat SAGE-werk.








Brief (192) uit Schiedam

Goedemorgen brief,

ik moet zeker weer wat in je schrijven.
Elke dag hetzelfde liedje van jou vullen
met letters woorden verhalen et cetera,
kan je nou nooit eens zonder taal een
beetje tevreden zijn over jezelf, gewoon
jezelf een onbeschreven blad toewijzen,
gewoon accepteren dat ik eens een dag
er geen popelende zin in heb iets in je
te schrijven, dat ik jou ff niet als hoofd-
gerecht van deze dag zie, dat ik ook wel
eens gewoon een dagje door het raam
naar de wereld wil kijken om te zien
wat daar allemaal gebeurt buiten Mien
corona om bijvoorbeeld, of dat ik ook
’s een boek wil gaan lezen om dat later
in jou te bespreken als ik het ding enig-
zins begrepen heb en jou er danig mee
kan volkladden zodat je weer lekker
vet wordt van mijn woorden en weer
een hele pief kan gaan spelen voor
willekeurig welke lezer. Of eigenlijk
en honderdduizend keer beter nog,
mijn allerbeste hebberige brief, kan
ik je, zodat je niet puffend ellenlang
op woorden hoeft te wachten, hupsa-
kee direct met een tekst van een ge-
dicht vullen. Ha, de ideale oplossing
voor jouw ongeduld. Een tekst zeg
maar waarin dat gedicht op zijn hele
zelf eigenzinnig wat babbelt tegen
de maker van hem over zijn inhoud
waar hij als gedicht een stevig beetje
nerveus van wordt en nogmaals jij
dan weer met flinke klats een echte
brief zal gaan zijn die zonder een
grammetje schaamte tevoorschijn
zal kunnen worden verstuurd naar
een ieder die jou wil ontvangen en
tegelijkertijd daarbij gaat mijn lui-
heid van vandaag om echt wat te
schrijven in jou dan mooi voor de
hele wereld verborgen blijven. Een
lepe truck wat mij betreft, jazeker.
En jij kan, tot ik met de tekst klaar
ben, ff lekker vol verwachting gaan
liggen kneukelen op een al klaar
liggende enveloppe. Ha heerlijk
toch, wij gaaf tevreden en de wereld
een weliswaar oude maar flink lang
tekstje rijker.

Het uur ik

Nu ja, een nog te bouwen gedicht, dat ben ik.
Er is een dichter. Maar ’t gedicht! Ik want ik.
En ja ik ben nog niet klaar, meneer de woord-
kunstenaar is nog met me bezig, maar zowaar

toch ik.

Hoe ik er uitzie?

Veel is er nog niet.

Hooguit dit:

Vlees noch vlies

een tas
daarin verborgen
kuilen

een dragen in worden

Meneer de dichter is nogal traag. Hangt liever
rond in die andere zooi, proza genoemd. Ik
word daar weleens kwaad om want proza ha
het is toch de veegmat van ons, dé gedichten,
zo is algemeen bekend. Gewoon z’n gang gaat
ie, mijn maker, of ik niet het brandpunt ben van
zijn leven. Een kreukelvodje papier in zijn kont-
zak meestal, dat is mijn o zo doorlopend lot. En
dan die titel mij gegeven, ’t is toch van een vaag-
heid een te worden gedicht als ik onwaardig. ‘k
Zal wel weer zo’n muurknallend hermetic versje
worden, u weet wel zo’n cryptogram waar geen
hond wat aan heeft omdat ’t niet te ontcijferen
is van zoveel al te gehaaide diepgang. Maar ha,
er schijnt hoop te gloren aan mijn poëzon, want
de roep vanuit het veld van gedichtuitdragende
podiumgangers om makkelijk is nu zo sterk dat
die maker van mij er wel eens zijn gevoelige
marktoortjes naar zou kunnen gaan laten hang-
en. Confectiejasjes, kijk, die worden tenminste
verkocht, die passen iedereen en je hoeft er niet
voorzichtig mee om te gaan, een nieuwe is zo
weer gemaakt. Toch, gezien het hierboven ge-
geven beginnetje van mij, vrees ik dat mijn heer
de maker een ietwat blijvend dovig is voorals-
nog. In een tas verborgen kuilen. Wat is dat nu
voor een raar en vooral te hermetisch beeld,
da’s inderdaad vlees noch vlies. Wat dat betreft
is die titel in eerste instantie dan weer wel toe-
passelijk lijkt mij, maar gelul uiteindelijk, die,
mijn, titel mag dan wellicht inslaan als een bom,
maar dan wel een bom die verknalt in het lucht-
ledige en geen enkel mysteriestofje ook maar
een knal-tel doet verplaatsen, hooguit naar een
te ongewilde of in ieder geval te plotse plaats waar
het beslist niet thuishoort, waarin niet te wonen
is. Heel soms twijfel ik aan de geestelijke dicht-
vermogens van mijn maker, want zoals de voet-
lichtdichters weleens beweren, zo’n diepgaande
hermetic-crypto daar is geen donder aan om die te
maken, dat is heel makkelijk, dat kan elke performer
alsook iedereen die niet per se wil dichten, je ploft
gewoon een stroom niet bij elkaar willende woordjes
bijeen en hup je hebt weer een hermeticaal crypto-
dingetje. En wellicht hebben ze gelijk want kijk nu
eens wat die maker van mij in een moment voor
hem van even helaas geen proza nu weer aan mij
toegevoegd heeft:

ontvang

opdat er nog van zowaar kan meegenomen

Waar slaat da… Ach natuurlijk, die al genoemde tas,
daar kan natuurlijk bij al die kuilen ook nog wel het
ontvang in en zowaar kan het op die manier mee-
genomen worden. Getver, ’t is wel moeilijk voor mij
om mij te begrijpen, en zwaar word ik ervan, een
hele volle tas zo lijk ik mij aan te zien. Te vol als u
het mij vraagt. Maar misschien is het beter dat aan
mijn maker te vragen. Die weet waarvoor mijn zwaar-
te dient zo mag ik aannemen. Want vertellen ho maar.
Dat doet ie even mij nooit. Ik moet maar een beetje
naar mezelf blijven gissen. Confectiejasje of hermetic-
pak? Ik weet het gewoon vaak even niet. Wat dat be-
treft verlang ik weleens naar de classicistische tijd,
daar was alles nog simpel, maar die verdomde ro-
mantiek…

Enfin die geschiedenis is alom bekend.

graag moet meer in verkommerde gezichten

helder
zal open


gaan achter de schermen

de nacht
stort zich

‘k Zal vast postmodern bedoelen te zijn want zie:

wit

als plaatje voor het hoeden
opgediend op ongelooflijk
mooie schotelronde borden

Postmodern of niet, ik klink wel mooi, vind ik zelf, ze,
mijn woorden, zingen alsof met een schoon glimmend
Bühnejasje de wereld soppend in mijn schoenen staat.

En zie nu toch eens het naderend einde aan mij:

gemengde techniek

vloerbedekking vlijt rug op houtvloer
geen lijst maakt willekeurig
welk schilderij tot zware kost

Werkelijk, ik vind mijzelf zo op en naar het eind prachtig.
Al zal ik op de Bühne wellicht niet zo tot mijn makers recht
komen vrees ik vol vrees. Nu ja en in ieder geval of ook wel
met andere woorden gesproken, ik ben nu van mezelf door
mezelf overtuigd een gedicht te zijn heel wel passend geloof
ik in het net nog huidige postmoderne, al heb ik als vers
gedicht gedicht geen idee wat dat dan precies mag zijn of
wat het inhoudelijk voorstelt. Vraag dat maar mijn maker.

Wel hoop ik niet bij dit voorgaande alles dat ik al té de heus
goedwillende Bühnespringers daarmee om het zo gevoelige
nekje slaak, want ook confectie, ach, het zit wel lekker even,
maar potverdomme alsook heel erg heel te helaas, ’t slijt zo
snel. Er zouden eigenlijk wat meer exquise smokingzakjes
aan die confectiejasjes genaaid mogen zijn, zakjes die nog
wat node in de herinnering willen blijven steken en zodoen-
de deze jasjes af en toe uit de stoffige vergeetkast veroor-
zaken te halen tegen de al genoemde directe slijtage tot af-
dank.

Zakjes bijvoorbeeld zoals gebreid aan mijn einde:

drijf kusjes
daarom
naar de fee

zoen desnoods een blokje om

Ja, dat is wellicht een of misschien wel dé oplossing: con-
fectie met smokingzakken. Ik ga het mijn maker in ieder
geval wel even in de kontzak tetteren opdat ik eindelijk
weer eens wat makkelijker iets van mezelf ga begrijpen,
mezelf eindelijk weer eens echt een rechtgeaard gedicht
zal durven voelen.

Ja, dat ga ik beslist doen.