Spring naar inhoud

Brief (164) uit Schiedam

Vandaag beslist geen briefschrijf-
dag hupt het ikkerig achter mijn
toch behoorlijk aanwezige neus
die de eh eigenzinnige gewoonte
heeft zich toch bij iedere kans die
zich voordoet zijn aanwezigheid
er bij te sleuren als is hij onmis-
baar. Vandaag dus even niet net
nu ik hem zo hard nodig heb ter
vervolmaking van weer een br-
oodnodige brief om mijn leven
nog enigszins een potje leefbaar
te maken, om me te mannifester-
en (geen fout die dubble n) zodat
er in ieder geval op mijn grafsteen
kan komen te staan dat Hij er wel
ff was.


Om toch deze dag niet te verfrom-
melen tot niets hieronder dan maar
een al wat eerder geschreven tekstje,
want die grafsteen muss natuurlich
wel ff sein.

Omdat
stoeltjes en bankjes gezelsamig klinken
een kleed op de vloer waarin verdrinken
gordijntjes snoezig hangen op slaap
en het behang nooit recht voor z’n raap
een tafel er is tot steels wrijven van knietjes
daarop de vaas met vergeet-mij-toch-nietjes
enkele spiegels ter bevestiging in plons
een dekbed heerlijk zo zacht van het ons
de keuken schoon om te plezieren
serviesgoed er is om de sfeer op te sieren
de tuin vol van veel prilwillend beleven
alsook om bloemkes tijdig water te geven

dit:

in het weekend op een poëziemiddag in Leerdam
mocht ik tot mijn volle vreugde een paar laatste-
kans-ouderen bewonderen in het lyrisch beleven
van hun nog jonge liefde. Een liefde zo overvol van
verliefdheid dat er uit deze onbedwingbare borreling
van gevoelens wel iets moois móest groeien en, u
voelt hem al aankomen, dat had het dan ook ten
volle gedaan mocht ik meebeleven op die middag
waarin ik en mijn vriendin, en ook SAGE-maatje
zijnde, lekker onbevangen geplonsd waren; het paar
namelijk had hun zo jonge liefde in een aantal verzen
vereeuwigd die beslist de buitenwereld ingeslingerd
moest worden, want zulk een spetterende liefde op
zulk een laatste-kans-leeftijd dat mocht toch werkelijk
niet onopgemerkt voorbijgaan, dat moest… Nu ja, zelfs
ik wilde dat met mijn zachte gemoed heus wel invoelen.
Het paar toog dus het podium op alwaar het om beurten
elkaar zoetgevliesde versjes tegen het lijf lispelde met
blikken die er beslist niet om logen, die liefde droop van
het podium en uit de versjes zogezegd, mooi mooi mooi,
zo vond vooral ook het paar zelf want het ene versje na
het andere werd eruit gelepeld in een uiterst lieflentelijke
performance waar maar geen einde aan leek te komen
zo vertelde alras mijn rug vanuit een wazig pijngebeuren
uiteraard in het geheel niet toepasselijk bij het zo liefde-
vol gepresenteerde podiumfeest.

Welnu, so far so good, want in een optreden zulk een
borrelgevoelens te etaleren oké, daar kan ik nog inkomen,
zo’n eenmalige gebeurtenis daar kan een mens nog over-
heen groeien. Echter, daar waar dit soort versjes na die
uiteraard eenmalige voorlezing op een podium beslist diep
in de lade van het gezamenlijk nachtkastje behoort te
verdwijnen en alleen nog tevoorschijn gehaald wil worden
na een echtelijke ruzie om de ietwat gemolde gemoederen
weer in verliefdstand te krijgen hebben de zo prilgeliefden
de tenenkrommende verliefdheidsmoed gehad om deze
versjes te laten drukken én ook nog te laten bundelen.
Het hun liefbundeltje was daar ter plekke te koop zo werd
vol trots vanaf het podium door het o zo houdbare stelleke
zonder ook maar een kleine glimp van géne gemeld.
Gelukkig, zo bedacht ik me, had het laatste-kans-stel in
hun verliefde enthousiasme vrijwel de hele bundel voor-
gelezen zodat ik me geen zorgen hoefde te maken iets
uitermate belangwekkends aan de lieflispel te hebben
gemist. Geen enkele aandrang groeide in mij om het
boekje te gaan kopen, zulk een uitspatting moest maar
het best tussen de kaften blijven zo leek mij, dermate
gesterkt als ik was door de zo durende voorleesbeleving.



Brief (163) uit Schiedam

Vanavond uit eten met het Bel-
gische echtpaar Lieve en Renaat
Ramon. Renaat is dichter, schrij-
ver en kunstenaar. Lieve is zijn
wat jongere vrouw die de heer-
lijkste gerechten ieder jaar onze
eetbekkies voorzet. Het is name-
lijk langzamerhand traditie dat
Saskia en ik in de zomer een
aantal dagen bij hen gaan lo-
geren en dan die heerlijke ge-
rechten krijgen voorgeschoteld.
Kosten nog moeite worden door
het echtpaar gespaard om ons
het naar de zin te maken in
een prachtig huis, wat zeg ik,
in een villa gelegen in een
grote tuin waarin het lekker
vakantiegevoelig toeven is als
we, Saskia en ik, de omgeving
van Brugge en Brugge zelf niet
aan het verkennen zijn. Ze laten
ons daarin geheel vrij, ’t logeren
schept wat hun betreft geen ver-
plichtingen om elkaar maar te
vermaken. Nee, wij, Saskia en
ik, zijn graag met zijn tweeën
op pad, wat ff niet wegneemt
dat we af en toe ook met Lieve
en Renaat het Belgische leven
in duiken. Af en toe, want de
gastgevers zijn, ondanks hun
stevige leeftijd, Renaat heeft
al lang de niet-meer-werken-
plicht op zak, nogal eens aan
het werk met eigen teksten
zoals recensies, beschouwen-
de stukken, gedichten, essays,
kunst en een tijdje geleden
met een boek over concrete
poëzie, getiteld: Vorm & Visie
waarin ook een stevig stuk
over ons, SAGE, werk is ge-
plaatst daar wij ook concrete
poëzie maken. Vanuit die
hoedanigheid hebben we
elkaar ook leren kennen op
een tentoonstelling in het huis
van twee Belgische dichters
(Olaf Risee en Tine Moniek) 
in het dorp Waregem alwaar
we Renaat hebben ontmoet.
Later heeft Renaat meegedaan
aan een tentoonstelling in Schie-
dam die we met Olaf en Tiene
maakten als een vervolg op die
expositie bij hun thuis.  

Vanwege mijn kekke niet-ge-
zondheid zijn we de laatste
twee jaar niet meer in Brug-
ge geweest, maar dit jaar zo
hebben we met elkaar af-
gesproken gaan Saskia en ik
weer proberen om het jaar-
lijkse logeren een vervolg te
geven als mijn hart zo vrien-
delijk wil zijn ff mee te werken
aan de onderneming, jazeker,
want met m’n knaklichaam op
reis gaan is tegenwoordig ver-
domme verdomme een hele
onderneming.

Maar genoeg over België en
dat brakke lichaam van mij.

Tijd voor een eigen versje dat
ik ook al plaatste in brief 152
maar hier nog eens herhaal
vanwege Mien die zo haar
eigen ideeën over gedichten
heeft.

So ’n netjes leven

eer ik voor eeuwig liggen ga
geen been meer zal verzetten
mijn voeten aan septembersla
de haren danig aan het pletten

ja eer ik op een steen zal staan
gebeiteld in begin en eind
het vlees alreeds te ver gegaan
de huid heel slapjes afgeteint

wil ik per bloterike onderbroek
de rulle sokken op halfzeven
mijn mond naar enen kus op zoek

de dood nog wel wat laten streven
door te rukken aan het kille doek
en als een kat mijn zee van levens leven

Wat heeft Mien van zestienhoog-
achter aan dit gedicht eigenlijk?
Mien zit daar niet op te wachten.
Mien heeft haar leven aan d’r kop,
die heeft geen enkele behoefte aan
al dat poëtengedoe, Mien wil goed
vreten en een vent, en Mien is daar
al d’r hele leven een beetje in onder-
bedeeld, Mien is niet voor de korte
rok geboren zeg maar, Mien bengelt
met d’r lege handen eeuwig langs ’n
oerlelijke lange roepjurk omdat d’r
loopstengels met recht stengels ge-
noemd worden door de zeldzaam
aan d’r bedrand toegekomen man-
nen die zichzelf, bij nader toezien
van al dat benige niets, met dove
blindheid zagen beladen en vanuit
dit inzicht dan liever toch kozen
voor de wat hoeriger korte rokken-
storm ergens heel ver van Miens
plots wel heel ontzielende bedrand.
En Mien dan in tranen uiteraard,
heel gewoon overigens, want Mien
doet meestal in tranen, da’s heel
lang geleden al d’r levensroep ge-
worden zeg maar, vandaar ook
dat wonen op zestienhoogachter,
mét balkonnetje, een hoog bal-
konnetje, een balkonnetje waar
vanaf ze tot nu toe nog niet heeft
durven springen bang als ze toch
is haar dé man te moeten mislopen
in d’r soepdood daar ergens onder
aan de gevel van haar zoveelhoog-
achter, nee, Mien wordt niet nat
van zo’n versje, Mien wilde zolang
als ze zich al kent een vent en Mien
wil dat nog steeds, dus een vers, an
d’r reet termee!

Hoewel…

Maar ach, met zo’n doodkwak-
psalmpje als hierboven gegeven,
daar ontroer je toch zeker zelfs
niet de allerzachtste boterbakker
mee tot mannentranen om ver-
liefd op te worden? Nee, die poëten
poe he zien maar tot ze een ons
wegen met hun vleugversjes, ze
kunnen wat Mien betreft de voeten
van die kersekut aan de overkant
beter gaan kussen, tenzij…

Tenzij die poëten zelf aan haar
bedrand… Miens stengels willen
bij deze gedachte wel klapperen
als zijn het plots echte volbenen,
Mien moet er heel erg van kirren,
maar van versjes pur sang blijft
ze een afkeer houden. Zoals ge-
zegd; geen boterham kan ermee
belegd, en dat, natuurlijk met
een heerlijke vent erbij, dat is
waar het allemaal voor haar om
draait, één bloem gekregen van
een vent is haar meer poëzie dan
heel zo’n vers als hierboven, d’r
balkonnetje zou niet meer voor
haar bestaan zou er nu zo’n heer-
lijke harige hand vol bloem aan
haar bedrand staan te beleven,
want zo’n dood vers, ook al is
het met veel vitaliteit aan leven
d’r in, da’s toch zeker een bord
zonder vreten. En dan die zee
van levens, an-Miens-hoela toch
zeker, heus, één keer een balkon-
stort en de rest van die zeelevens
huppelt vrolijk mee de dood in
daar onderaan die veelhooggevel
terecht gekwakt.

En daar heeft Mien me een behoor-
lijk stevig punt.

Brief (162) uit Schiedam

Vanmorgen om negen uur op-
gestaan. Doe ik iedere dag want
om die tijd moet de pillenslik
plaatsvinden, is me danig in
het ziekenhuis voorgehouden
dat dat het beste is, iedere dag
op dezelfde tijd uw medicijnen
innemen liefst. Nou en dat doe
ik dus braaf, om negen uur en
geen minuut eerder. Vervolgens
eet ik een boterham met jam en
een vette laag boter, rozenbottel-
jam om precies te zijn, ook iedere
dag. Die vette laag boter is eigen-
lijk uit den boze maar zo heerlijk
overheerlijk dat ik daar geen weer-
stand aan bieden kan ook al zeg-
en ze in het ziekenhuis achter een
hele grote opgeheven wijsvinger
dat dát nu juist zeer ongezond is.
Tien stuks van die pillen heb ik
ff in te nemen ’s morgens. En ’s
Avonds nog eens vier. Ik slik ze
niet als de helaas veel te vroeg
overleden F. Starik in een slobber
door zoals hij in zijn laatste boek
Klaar schreef, hij deed in een hap
twintig pillen in het keeltje en
klokte ze met een grote slok water
in een keer door waar ik ze 1 voor 
1 inneem. Het heeft Starik weinig
geholpen al die pillen uiteindelijk,
na zeven of negen maanden, pre-
cies weet ik het niet meer en ook
geen zin het op te zoeken, ging hij
alsnog dood. De eerste aanslag op
mijn hart is dertig jaar geleden, al
die tijd leef ik al met die pillen, ze
zijn een gewoonte geworden na
zoveel tijd. Jammer dat Stariks tijd
na de donderslagaanval op zijn hart
niet langer heeft kunnen duren, hij
niet de kans heeft gekregen er nog
een aantal gedichten uit te knallen,
nog wat van die boeken als zijn laat-
ste heeft kunnen schrijven, een boek
dat ik graag gelezen heb, niet in de
laatste plaats natuurlijk vanwege het
geschrijf over zijn hartproblemen die
mij na aan het hart liggen om het maar
ff  eens wat ego-luchtig te formuleren.
Wel heeft hij (net als Menno Wigman
die ook al op te jonge leeftijd wegens
hartgedoe over de Stix naar gene zijde
werd gevaren door die verdomde ped-
delknoeier Charon) met een gedicht
meegedaan aan het Poëziepleinproject
in Schiedam, geheel  belangeloos zoals
alle dichter trouwens behalve Joke van
Leeuwen, die moest harde pegels heb-
ben voor haar poëziewerk en tekening.
Twee dichters dus die aan het poëzie-
project mee deden en die de dood in-
schoten en daar tussendoor ook nog
’s Gerrit Komrij ( ook meegedaan aan
ons project) die het schrijversloodje
legde, het zal daar toch niet zo zijn
dat al de dichters die mee hebben ge-
daan al snel hetzelfde lot… Potver, ons
Poëziepleinboek zou dan gewoonweg
een tikkie gaan lijken op het boek “De
laatste deur” van Jeroen Brouwers over
dode dichters en schrijvers. Nee graag!
(Niet dat het boek van Jeroen Brouwers
een vreselijk boek is, integendeel, een
prachtig boek ondanks het onderwerp
vind ik). Dus nog even een fiks eeuwtje
of zo blijven leven graag u creatieve
personen die op de posters en in ons
boek staan met een gedicht of met kunst
(zie voorbeelden bij google; Poëzieplein).

Rabia gisteren geweest (de thuishulp
veroorzaakt via gemeente Schiedam)
heeft buiten haar gewone schrob en
dweilwerk ook nog even een muur in
mijn keuken gewit, de stoere, wilde ze
heel graag doen, net als de muren in
de badkamer die ze een tijdje geleden
ook al heeft gedaan. Eigenlijk vindt
ze dat leuker werk vermoed ik dan
m’n huis ontdoen van alle door mij
veroorzaakte stoflagen, vetresten en
andere rotzooi die ik in een week 
produceer alsof ik niets anders te
doen heb. Rabia? Een Turkse vrouw
van plusminus vijfendertig, klein van
stuk maar met een energie van een
topsportster op haar hoogtepunt, ze
weet binnen twee uur het hele huis
zo glanzend schoon te krijgen dat ik
me iedere keer weer een soort van
bezwaard voel om er weer een puin-
hoop van te maken, zeker daar ik het
tevens vanaf het begin dat ze bij mij
kwam hulpen het heel genant vind
dat iemand mijn huis boent. Iemand
opdrachten geven, ik kan het met de
allerbeste wil van de wereld niet van-
uit mijn brein mijn mond in loeien
dus zeg ik altijd als ze me vraagt wat
ze kan doen dat ze dat zelf maar moet
bepalen. Geen baasje kan ik zijn zo
heb ik maar even ontdekt via mijn
eerste thuishulp. Nu ja, het is treurig
leuk met mij gesteld zal ik maar zeg-
gen; geen baasje, het haasje of zoiets.
Rabia is getrouwd met een Hollandse
man die zich bekeerd heeft tot het
islamitisch geloof zo heb ik van haar
begrepen. Dogmatisch is ze niet, Ra-
bia, ze draagt ook geen hoofddoek al
vindt ze het wel ongelooflijk dat ik
niet geloof, ‘je kan toch niet leven
zonder in God te geloven’ zei ze met
grote ogen in naïeve verbazing tijd-
ens een gesprek dat we eens voer-
den, ‘ik kan niet geloven dat je niet
gelooft’. Ze zei het alsof Allah over 
haar schouder meekeek en zij zich
bij voorbaat al naar haar Allah toe
wilde verontschuldigen over mij,
de man met zoveel ongeloof in zijn
hoofd. ‘O maar luister, ik geloof
wel hoor’, zei ik om haar totale
verbijstering een stukje tegemoet
te komen. ‘Ik geloof namelijk dat
God niet bestaat en is dat uiteinde-
lijk ook niet een geloof.’ Iemand die
gelooft overtuigen dat je niet in een
God gelooft, het is net zoiets als die 
iemand er van proberen te over-
tuigen dat een gewone fiets vier-
kante wielen heeft. Zinloos dus.
Over het geloof hebben we het
niet meer na die ene keer. Religie-
kwesties ze zouden onze tot nu
toe beste verstandhouding alleen
maar in het door mij geproduceer-
de stof doen belanden. Stof hebben
we op de wereld al genoeg gezien
de oorlogen die gevoerd worden
alsook de aanslagen uit naam van
de Goden. En dan, om mij nou de
keel te laten doorsnijden door een
van Rabia’s geloofsgenoten daar heb
ik nog ff geen verlangen naar. Dus
frommelen we omzichtig dat geloof-
gedoe weg naar niet van belang bij
het poetsen, dweilen alsook witten.
 

 

Brief (161) uit Schiedam

Al drie dagen het nieuwe jaar.
Op bed in gesprek ’s morgens
met Saskia over het kwijt zijn,
sinds de afbraakaanslag op
mijn lijf, van het gevoel voor
het maken van kunst en het
schrijven en vooral hoe verder,
want twee jaar bijna niets ge-
daan, zeker wat de kunst be-
treft, het schrijven pruttelde
weliswaar nog twee of drie
gedichtjes plus wat van deze
brieven uit mijn wrakke lich-
aam, maar om daar nou een
lyrische woordje over naar
huis te schrijven het is toch
wel een strofe of wat teveel
gevraagd, waarachtig, geen
gouden envelop gevuld met
schoonheid kan ik van de
daken laten dwarrelen, meer
een struikelpropje op de
rand van een stoep is het, de
nok is ver te  zoeken. En dan
heb ik het nog niet eens over
wat er met al de werken die
Saskia en ik gemaakt hebben
gaat gebeuren. Zal alles danig
voor niets zijn geweest mochten
wij onverwacht verongelukken
of anderszins ’t leven ophouden
te leven, wordt alles, door ons
geproduceerd, door onwetende
familieleden hup gewoon in een
container geflikkerd, wellicht
buiten een paar werkjes die ze
zelf heel erg per ongeluk mooi
vinden voor boven de bank? Het
kan me eerlijk gezegd niet eens
zo heel erg veel schelen, het ple-
zier van het maken was toch uit-
eindelijk het mooiste aan dat ge-
pruts met kunst, iets maken van-
uit het niets om maar eens een
clichéuitdrukking te gebruiken
dat is 95% van de lol. Is een werk
klaar wordt het van de wereld en
verdwijnt het al snel, zeker als het
verkocht is, naar een bestaan waar
je als maker volkomen buiten staat,
alleen je naam bungelt er nog aan.

Okay, het niet eens zo erg kunnen
schelen is wellicht wat al te stoer
uitgedrukt in het kader van boven-
staande door mij zuur uitgebraakte
mogelijke toekomstbeelden voor
de door ons geproduceerde kunst
die ik daar uit mijn mouw schud
als waren het te besmeuren tover-
ballen waarvan, na de tover, niet
meer overblijft dan een rotrestje
NIETS.

Natuurlijk zou het mooi zijn als
er vlaggen en wimpels van ge-
weldig op ons werk zouden worden
geplant door mensjes die zich be-
roepen voelen tot de kunst, al
zal ik er mijn hierboven getoon-
de al te stoere schouders vooral
even niet mee belasten al die
spierballentaal over het niets
kunnen schelen zo stoer geuit
door mij fiks onderuit te schop-
pen en bibberend gaan wachten
op wat erkenning. Wel zou dat
zeker een mooi zielig verhaaltje
opleveren over kunstenaar snakt
naar erkenning.

Eh mooi dus even niet maar!

In ons gesprek kwamen we ook
op Kunstwerkt, een vereniging
van Schiedamse kunstenaars die
een eigen tentoonstellingsruimte
heeft en waar ik, als ik er al eens
naar toe ga om een zoveelste ope-
ning te beleven, vaak het geploeter
zie van al die (plusminus 50) bij de
vereniging aangesloten kunstenaars.
Een geploeter tot meestal erg weinig.
Als ik de daar opgehangen werken
zie komt bij mij heel graag het idee
van wat een broodje weinig in mijn
lijf schuren. Bijna niets is er verras-
sends als ik dat fröbelwerk zie, hoog-
uit, bij heel veel geluk, een paar uit-
zonderingen daargelaten. Maar dat
gebeurt maar zelden, het is meestal
veel van hetzelfde, veel van wat er
in de kunstwereld al ellenlang ge-
presteerd en getoond is. Van oor-
spronkelijkheid is bijna geen pluis
te bekennen ondanks al ’t serieuze
geploeter van de deelnemers. Nee
waarachtig, ik zak niet met mijn
reet op mijn enkels van verbazing
bij het zien van al die lappen kunst.
Eerder wil er een algehele rilling
achter mijn ogen zich optutten naar
een grimas van teleurstelling die
alras op mijn gezicht voorbijtrekt
als een tsunami niet meer te keren.
Overigens hangt ons werk soms
ook tussen die lappen, het zei maar
even gezegd.

Dus dat van dat familiecontainertje
is nog zo gek niet gedacht. Wel kan
ik ons eigen werk natuurlijk niet
zelf een beetje objectief gaan zitten
beoordelen en wordt mogelijk zo’n
klaarstaande familiecontainer toch
nog de grootste misdaad ooit tegen
kunst gepleegd. Ik bedoel maar ff.



Brief (160) uit Schiedam

Tweede kerstdag de godganse
dag naar de televisie gekeken.
Wel vier kerstfilms gezien, dat
moet namelijk, is ieder jaar
weer een must om het feest
een beetje op te beulen, een
beulen tot onze ogen bont en
blauw zien van het kijken naar
al het liefelijks dat in de mees-
te kerstfilms wordt gepropt om
wellicht te laten zien dat het
joch niet voor niets moest word-
en geboren in een wereld waar
het “sappige” kleurtje pikzwart
zo graag en lang al de boventoon
voert. Dit alles broodnodig over-
goten uiteraard met een maagde-
lijk sneeuwlaagje waar wij mens-
jes beslist niet buiten kunnen bij
het ondergaan van dit geboorte-
feest om er ten volle van te kun-
nen genieten.

We hebben het weer overleefd.
Vooral ook doordat we geen “ge-
zellig” familiediner dit jaar hoef-
den te doorstaan, mijn gezond-
heid namelijk laat zoveel gezel-
ligheid niet toe. Uren en uren
tussen mensen zitten en verplicht
meeleuken met alle kerstgein het
is normaal al een hele opgaaf en
nu met mijn kreupele gezondheid
dus zeker. Dank mijn lief hartje.

De afgelopen twee jaar mocht ik
het grote feest in het ziekenhuis
meebeleven, in bed als patiënt.
Hoewel meebeleven, in het ene 
kregen we, o geweldige kerstop-
tater, nog net een kerstgebakje
of zoiets, in het andere werd er
als ik het nog wel heb helemaal
niets aan gedaan. Dat waren dus
twee uitermate aangename “kerst-
vieringen”. Maar dit jaar spande
de kroon zo met z’n tweetjes en
al die films. Weer voor een heel
jaar opgeladen ben ik, een heel
jaar aan schulpleven kan ik weer
aan, tenminste als mijn hart er 
ook nog even vrolijk aan mee wil
doen, anders was dit de laatste.

En nu op naar oudejaarsavond,
op naar 2020, op naar weer een
heel nieuw jaar vol van mezelf,
want daar gaat het toch uitein-
delijk om; het eigen ik. Een ik,
dat eigenlijk niet van jezelf is,
het is een ik dat via de blik van
anderen aan je wordt opgediend
zo heb ik weleens ergens gelezen,
aan de reacties van anderen kan
je zien welk ik je op dat moment
bent, een aardige ik, een sullige ik,
een kwaaie ik, een verliefde ik,
een sterke ik, een zwakke ik, een
vrolijke ik, een afschuwelijke
ik et et et et cetera. Nou moet
ik zeggen dat ik heel weinig met
anderen omga en er van mij
maar een klein ikje is, een ikje
dat nog net deze brieven kan
schrijven. Maar een ik alleen
nog gezien door het eigen ik
wat is dat voor een ik? Kan zo-
iets?  

 

Brief (159) uit Schiedam

Kerst en we (Saskia en ik) zitten
uiteraard naar de Paus te kijken.
Doen we ieder jaar. Niet omdat
we van de religie zijn, maar meer
om wat vrolijk commentaar te
leveren op het toneelstukje dat
in alle ernst wordt opgevoerd.
Commentaar op de toch ietwat
saaie jurken die de mannen (het
zijn alleen mannen die het stuk
mogen spelen) dragen, of over
de onderkin van de Paus die hij
met een beetje fantasie fiks als
schaamlapje voor alles wat ter
kerke komt zou kunnen ge-
bruiken, over de heiligen uit
de bijbel zoals Johannes, Paul-
us alsook die J. de doper enz. 
waarmee rondgestrooid wordt
als betreft het roomtaartjes van
een bijzondere soort helemaal
gebakken door God himself.

Allemaal oude mannen de
spelers. Ieder jaar zitten we
weer met de kneukel in ons lijf
te wachten of er een of twee
van ouderdom speciaal voor
ons voorover zullen gaan vallen,
maar elk jaar worden we weer
teleurgesteld, we vermoeden
dat ze bibberend van vermoeid-
heid net voordat ze opkomen
op een ouwel een onsje speed
tot zich nemen. Commentaar
ook op het vrolijke feit dat er
altijd wel een stukje in de tekst
zit over hoe erg de armoe in de
wereld is terwijl ze met hun
verschrompelde rimpelbilletjes
op enorme bergen geld zitten.

Genoten en de kerst geslaagd
zoals we verwachten. We zouden
geen ander toneelstuk voor-
geschoteld willen krijgen op de
eerste kerstdag ook al was het
een stuk van een tot in het on-
eindige beroemde schrijver, ff
mooi niet nee

Saskia deze brief laten lezen, ik
heb haar geen enkele keer horen
grinniken (een teken om te weten
of een tekst die komisch bedoeld
is ook leuk wil zijn, zij is altijd de
eerste die leest wat ik schrijf,
vindt zij het niet goed, weg ermee,
of heel rap totaal veranderen die
zooi!), welnu, ze vindt het een erg
flauwe tekst een beetje simpel zelfs,
dus…

Brief (158) uit Schiedam

De opoe van het pleeggezin is
inmiddels al een flink tijdje
dood, zo ook haar zonen, alleen
haar dochters leven nog en
een sloot door opoe nagelaten
kleinkinderen huppelen rond.
Ik weet dit omdat dit mij ter ore
is gekomen via een aantal ken-
nissen die af en toe nog wel
eens wat zien van die over-
gebleven familie, zelf namelijk
heb ik er al een jaar of dertig
geen contact meer mee. Ook
mijn eigen opoe is al jaren en
jaren dood, die heb ik dus wel
beleefd tot aan haar eind, altijd
trouw bij haar en opa langs ge-
weest, net zo trouw als zij bij
ons langskwam in het tehuis.
Opoe was de enige die op bezoek
kwam samen met een vriendin.
Om de zoveel tijd nam ze de
trein vanuit Driebergen naar
Nijmegen en bracht dan ook
kadootjes voor ons mee, zo heb
ik nog een foto van mij en een
vriend in het tehuis liggend bij
de verwarming uren luisterend
naar mijn van opoe cadeau ge-
kregen draagbare radio die met
de antenne tegen de verwarmings-
buis lag voor een nog betere ont-
vangst. De drinker met de losse
handjes en de wegloopster van
het huwelijksstel waaruit ik en
mijn broertjes en zusjes zijn
voortgekomen hebben we daar
nooit gezien, hadden het te druk
met het fijn maken van hun
nieuwe leven zonder ons zo kon
ik heel veel later zien op foto’s die
uiteindelijk bij ons terechtkwamen
na hun dood. Vooral de heerlijk-op-
vakantie-foto’s met hun nieuwe
partner staken er bovenuit en die
mij het meest staken bij het idee
dat wij op het moment waarop
die foto’s gemaakt zijn in het te-
huis zaten vol van verlangen ze
ondanks alles bij ons te hebben.

Maar goed, morgen is het kerst
en moeten we aan een ander
kindje denken dat geboren is
zo’n 2000 jaar geleden, een die
er gelukkig heel wat beroerder
aan toe was dan wij zo wil het
verhaal, vooral op het eind van
zijn korte leven heeft ie het flink
voor zijn kiezen gehad en dat
vooral opdat wij er het na 2000
jaar nog altijd over hebben en
zelfs een feesie van twee dagen
bouwen om zijn geboorte heer-
lijk te vieren als dank voor het
feit dat hij zijn vlees voor ons
erge zondaars hiel lief aan het
kruis heeft laten spijkeren in
zo’n dramatisch decor dat we
er nog wel 200 jaar mee vooruit
kunnen.