Spring naar inhoud

Brief (133) uit Schiedam

Suikerbroodjes

Knappe koppen die daarvoor vervelend
lang op school hebben rondgedwaald en
daar tijdens het jarenlange dwalen in
gigantische gebouwen vol leerstof hebben
opgestoken dat zout en suiker bij een te
veel aan inname zeer slecht is voor ons
onverzadigbare schrokkoppen die we
zijn en er dus een waarschuwende ge-
leerde vinger naar ons veel vreters over
opsteken zodat… Nu ja, nou wil het zo-
maar zo zijn dat er een mijn buurvrouw
Ketelbaars was die volgens deze knap-
perds in die categorie van zoetvreters
eh nogal perfect paste. Want namelijk
te gek was ze op suikerbroodjes. Wel tien
per dag werkte ze er met groot genot naar
binnen. 35 sleepte ze er tweemaal weke-
lijks haar huis in. Meer dan die 35 broodjes
per keer kon ze niet dragen anders waren
het er zeker twintig per dag geworden zo
was het vermoeden in de buurt waar
ze als een overvol tonnetje rondliep
om die broodjes binnen te slepen. Een
bijna folkloristisch gebeuren was het
inmiddels die buurvrouw over de
straten te zien glijden als was het
een buitenproportionele slak die
zich moeizaam voortsleepte als had
het dier een voor haar doen veel te
groot huis mee te slepen daarbij een
slijmspoor van zweet op de stoep
achterlatend dat toch zeker door
meer dan de helft van de buurt-
bewoners met een grimas van een
half verborgen vies op hun gezicht
werd gedoogd ook al leek het spoor
een beek vol ernstig vervuild water.
Nee, geen buurtbewoner was er die
er over klaagde of zelfs ook maar
op het idee kwam een luidruchtige
mars te gaan organiseren om dat hele
gedoe van dat slijmspoor te doen
verdwijnen. Verholen grimassen
van vies op gezichten te over, maar
niets, verder helemaal niets dan dat.
Een ietwat opgelegde sfeer voor de
lieve vrede zo leek zich dag en nacht
door de buurt te wurmen. Tot er op
een dag een zeer bezig iemand in
de buurt kwam wonen die niets
van suiker moest hebben, ja, zelfs
er zijn levenstaak van had gemaakt
heel die erge zoetboel de wereld uit 
te helpen. En kijk, zulke doortast-
mensen als die nieuwe anti-zoet-
bewoner daaraan had het stadje,
zonder het tientallen jaren te
hebben beseft, behoefte, want
door een persoon mogelijk wat al
te makkelijk opgerakeld worden
was toch een duiding van de boven-
ste plank mag er gezegd. Want de
nieuwkomer werd al bij de eerst-
volgende verkiezingen knap rap
verkozen tot wethouder ter
beheersing van de voorkomende
slijmsporen, uit het suikervrouwtje
gezweet, dadig op de stoepen
aanwezig. Eenvoudig is zo te
raden dat die luidruchtige mars
tegen dat suikernatte slijmspoor
er toch kwam aangewakkerd 
door de nieuwe bewoner alsook
wethouder die al snel de anti
zoetboer werd genoemd. Heus,
de buurt was er direct massaal
voor in. Wel werd de morgen
van de mars het suikerbrood-
vrouwtje dood in haar huis ge-
vonden. De avond ervoor was
ze vermoord door een fanatieke
aanhanger van de anti suiker-
wethouder zo bleek al na een
paar dagen van gedegen onder-
zoek. Het gevolg was natuurlijk
dat de aanhang van de kersverse
wethouder hierdoor al snel slonk
tot helemaal geen draagvlak meer
voor zijn niet- zoetbeleid. Echter
een bezig ventje blijvende liet de
nieuwkomer daarom rap een
standbeeld van suiker door een
plaatselijke kunstenaar in elkaar
flansen dat sterk moest lijken op
het erg vermoorde suikerbrood-
vrouwtje dik zittend op een berg
suikerbroodjes.

Bij de onthulling sprak de bezige
wel de hoop uit dat het niet zou
gaan regenen. Maar God, die het
sowieso even niet kan hebben dat
er beelden gemaakt worden die
populairder zijn dan Hij liet het
uiteraard al een paar minuten na
de onthulling regenen als wilde Hij
voor de tweede keer de zondvloed op
aarde veroorzaken ondanks Zijn be-
lofte (via een vet regenboogje als hand-
tekening onder het contract dat Hij zo
met de mensheid sloot) het nooit meer
te doen. Bijna iedereen in het stadje
werd door het breken van die regen-
boogbelofte totaal goddeloos en men
liet het armzalig overgebleven hoopje
van het verregende suikerbeeld nu
God er uit verjaagd was in de kerk
plaatsen zodat daarna iedere zondag
rondom het verregende hoopje samen
gekomen kon worden om broodsuiker-
vrouwtje te gedenken. Veel gehuild
werd er daarbij. Een spoor van zoute
tranen bleef na elke zondagsdienst
op de straten achter. Alsof het
suikervrouwtje er weer rond liep
te zeulen met d’r tassen, alleen nu
vol met pakken zout.

De straten verzouten er behoorlijk
ernstig van. Een hartverscheuren-
de roep om zoet klonk er al snel
op in het stadje als broodnodige
tegenhanger van al dat traanzout.
Maar de wethouder, volhouder
tot en met, liet nu door dezelfde
kunstenaar een beeld van een
berg zout beeldhouwen dat
een zoutstrooier uitbeeldde dus
vond er een tweede moord plaats
waar geen traan om werd gelaten,
alleen de vrouw van de wethouder
huilde alsof ze het stadje totaal
wilde laten verzuipen met haar
tranen nu haar man dood was.
Echter al een dag na de moord
stopte ze met de tranensproei
daar ze ontdekte hoe fijn het
leven wel niet was zo zonder
die bezige dreutel van een man
waarmee ze al twintig jaar was
getrouwd en die verdomme ‘n 
alles overheersende man was
geweest. Ha, ze ging het er eens
flink van nemen met de mannen
in de buurt die, ook al gingen ze
iedere zondag naar de kerk, graag
op haar avances ingingen want het
was, zoals in de kroegen van het
stadje werd gelispeld, een heerlijk
zoet en suikerbroodjeslekkerwijf.
Het schijnt in de verhalen die de
ronde deden dat men het verregende
beeld van het suikerbroodvrouwtje
op haar berg in de kerk uitbundig
heeft horen schateren van het
lachen waarbij de tranen over
d’r dikke lijf liepen, maar dat kan
natuurlijk ook een fabeltje zijn, of
door een lekkage in het dak van de
kerk gekomen zijn of zo, die tranen.
En God van de regenboog vragen
naar de waarheid was er niet meer
bij sinds Hij door de ongelovig ge-
worden gemeente uit zijn kerk was
gegooid, dus blijft dit verhaal zonder
een tuitje waarheid zitten over die
verrekte tranen, iets dat sommigen
van de gemeente toch weer schoor-
voetend een beetje tot het geloof
bracht en er een hedendaagse
beeldenstorm op touw werd gezet
om dat haf verregende beeld van
dat verdomde, zogenaamd jankende
suikerbroodmens in puin te slaan
zodat de vorige goddelijke Eigenaar
weer in hun kerk kon gaan wonen
en werd alles weer zoals het was in
het stadje, maar wel zonder zweet-
of zoutpaden.

 

 

 

 

 

 

Brief (132) uit Schiedam

Stukje.

Of:

Waarom koeien nooit ’s ff omhoog kijken.

Een hoge berg waarop een wat lallende koe
’t wil naar het schoon gewaande dalletje toe
te vol van al te dolle malse groene weiden
wil ze, toch koe, een leven als koe weer leiden
over de rand kijkt ze heimweeïg naar beneden
totaal en knots in de war haar brein versneden
potver hogerop is weinig graas toch te behalen
hier moet ik als koe ja te duur mijn lot betalen
zo in het hoog te leven is zo niks ik geef het op
dacht ze almaar droever wordend aan de top
heus de weiden bleven in haar kop fiks dollen
hel nog ff en ze ging verdomd de berg af rollen
op tijd bedacht ze dat d’r hoeven zullen splijten
deed ze zich onvervaard van de berg af smijten
om van haar tieten sowieso maar niet te spreken
danig zullen ze van het hevig dalen openbreken
net zo haar staart al sloeg ze die om elke boom
’t hielp haar mooi niet aan een reddingsdroom
van ’t geraas alsook gedonder krakten haar poten
als luciferhoutjes heel ja  volledig naar de kloten
haar kop ja sloeg alras flink tegen de berg tekeer
geen sappig weitje vloeide in haar hoofd nog neer
haar ogen trouwhartig als ze veelal kunnen zijn
gebroken op de bergflank vergingen ze van pijn
haar buik waarin een kalf zou moeten groeien
er gingen stenen van de flank in liggen knoeien
ja zelfs de horens te hevig zouden ze bonken
nooit meer om een fraaie puike stier nog lonken
zo’n lief zou van haar lijf te mies van het kraken
de gedachte aan een fikse stootpartij ras staken
zo bekeken is het wellicht ff beter niet te gallen
toch zou ze,  heel koe, nog eens graag bevallen
edoch t’ dal zal naar deez donkere feiten gekeken
heel dra uit haar koeienkop toch moeten breken
aan de top verdomme heeft ze te blijven hangen
stil berustend in haar eigen erge lot gevangen
een zwaluw frank en vrij boven haar gevlogen
wiebelde met z’n snelle staart van mededogen
ook de wolken werden plots grijs van zinnen
en hielden als troost hun regenbuien binnen
de zon echter deed het gekoe per felle stralen
op ferme grof naar te zielig gepruts vermalen
en zo werd het natuurlijk chaos daar kon je
de graastijd op gelijk zetten, een koe met van
alles boven haar kop en in te groot verlangen
onder de horens daar wil het leven dolgraag
wel een tikje aan gaan tornen tot zelfs  aan
de naden van de evenaar want een koe op de
top van een berg is geen pakje van een cent
nee zeg daar zou sinterklaas zich zelfs aan
vertillen al kreeg die oude bak alle hulp van
de Kerstman er gratis bij, chaos alom daar op
die bergtop dus waar ook de sterren de maan
en zelfs sterrenstelsels een deuntje in het zakje
er heel graag bij gierden, zo’n uitgelezen kans
was in het hele heelal nauwelijks te grijpen;
een koe helemaal opgeklommen naar de top
die door alle graasvezels in d’r melklijf naar
het dal terug wilde daar schudde zowaar de
eeuwigheid zelfs een stevige ribbel van op,
het is dat God niet bestaat anders had Hij er
zich ook nog heilig tegenaan gaan zitten be-
moeien in een almacht Hem in alle ril aan-
gewreven door ons mensen omdat we zelf,
net als de koe, al te bang zijn om geheel op
eigen topje door het leven te tuffen, enfin
de koe raakte zoals we zagen van dit alles
een stormpje in paniek en flikkerde zichzelf
dus ondanks of juist dankzij al die bemoeie-
nis van zwaluw, wolk en zon boven haar
bedrukte kop in onmacht van de berg af
met toch wel de belangrijke kanttekening
dat niet hoeft benadrukt dat het ongerijmde
hierboven in rijm gegeven zich op de koe
aanvloog met een wellust die bijvoorbeeld
alleen stieren zich kunnen permitteren in
een plots door een tochtige koe veroorzaakte
geile bui omdat ’n wiefke met vol bescheten
dijen tochtig hem willig staat aan te lonken
als was het Brigitte B. in hoogst eigen per-
soon die zoals bekend hier en daar wel een
paar mannen het hoofd op hol bracht in het
verleden daar echter al een tijdje mee klaar
is in de hoedanigheid van oude dame die ze
nu is en vandaaruit marmottige dieren onder
de buikjes kietelt ter compensatie en heus
wel ook om het erge feit dat wij mensen nogal
onaardig tegen dieren kunnen zijn zo voelt ze
heel eerlijk waar tot in haar graag niet gewilde
rimpels en zo ook past in haar beeld de onfor-
tuinlijke koe voor een deel als voorspeld be-
hoorlijk aan flarden gehusseld door de steile
en ruwe bergflank zodat de altijd bereid zijnde
stier zich zoals ook al voorspeld in rap tempo
van haar afdraaide en deze hele van top naar
dal stort een diepe treurnis voor haar had te
zijn zo zonder wat kalf en stevige mannenstier.

Het kan zomaar plechtig zijn

stenen / platte stenen
de rivier ketst ze na de worp
in een heg rondom

een brulboei loopt schreeuwend
de omgeving schraal te schrapen
een vrouw met watten in haar te lege bh
zegt ‘schoonheid is maakbaar’

in de vijver geeft
een meerkoet een
waterhoen een zoen

de brulboei gooit een raam in
de watervogels schrikken uit elkaar
de vrouw plukt de watten weg
zegt – haar bh herschikkend-
‘schoonheid is -‘

Brief (131) uit Schiedam

Zo, een tijdje geleden eindelijk een muizen-
val gekocht. Niet zo’n ding waarin een muis
direct met huid en haar aan de martel wordt
overgeleverd tot een verlossende dood er op
volgt. Eerder een fraai kooitje is het, waar
het muisje op zijn of haar gemak tijdens een
gedwongen verblijf het te grote stuk kaas
dat ik er hoopvol in heb gestoken tot moes
kan verknabbelen om daarna door mij,
toch zeker dé dierenvriend, vrij te worden
gelaten op een plek waar hij of zij niet bang
hoeft te zijn dat er direct gevaar dreigt zoals
daar bijvoorbeeld kan zijn een volgevreten
kat die met het muizenspul dan maar uit
verveling gaat dollen tot dodens toe. Dollen
ja, want zo’n huiskatvetplofvel krijgt met de
beste wil van muisvreet geen hap meer door
het fijn verwende keeltje van alle graag in
de bek geschoven luxe blikvoer zo liefde-
vollerig door het naïeve en altijd erg klaar
staande baasje naar de eisende kaken ge-
serveerd als was het een geliefde die op ieder
spinnend klaagzuchtje als de donder bediend
hoort te worden.

Een muizenval dus, want helleluja er scheuren
namelijk nogal wat van die grijszakjes in mijn
huis rond sinds een paar maanden. Een kek
vangoptrekje vroeg al een hels tijdje om de
hoogste prioriteit. Een vangding waar de staart-
hompjes zoals gezegd met het allermooiste ge-
voel van ha fijn lekker even zonder zorgen naar
binnen kunnen schreden om aan een, door het
muisspul nog nooit beleefde, feestdis te gaan
zo was heus echt waar mijn diervriendelijke
gedachte bij de zoals al gezegd aankoop van
dat zo schone muisvanggebouwtje een ietwat
tijdje geleden.

Een fikse dierenvriend, ik dus.

Echter en ja hoor, dan komt natuurlijk danig
de werkelijkheid met uitgestreken smoel om
de hoek kijken en doet zich een fikse berg
anders piepen dan de bedoeling was bij deze
muisvangonderneming. Een week of wat na de
kooiplaatsing namelijk knallen ze racend overal
nog steeds rond, die grijsbakken, ja verdomd in
elk hoekje van het huis kan je ze de hand wel
schudden hadden die knaagrampen daarvoor
de juiste uitrusting van moeder natuur gekregen.

Overal zag ik ze!

Behalve natuurlijk in het glimmende kaasop-
trekje door mij zoals gezegd diervriendelijk
met verdorie de meest exclusieve kaasstukken
opgefleurd!

En dan blijkt de aaibaarheidsfactor toch nog
wel heel snel tot het uiterste nulpunt zo te
dalen dat er van lieve kooitjes voor die beest-
muisjes even mooi geen sprake meer gaat
zijn, dat heel die dierenvriend onbedaarlijk
rap verbouwd wordt tot een verdelger van de
ergste soort. Dat er dus ff geen mogelijkheid,
hoe gruwelijk ook, door mij geschuwd is om
die verdomd aanwezig blijvende knaagzooi
zo snel mogelijk totaal om zeep te slopen  tot
heel ver onder nul.

In de door mij aangeschafte glimmende kooi
heb ik tenslotte na de uitroei een speelgoed-
muis gezet die op een weekje al beroerd naar
alle denkbare kaassoorten zo begon te stinken
dat ik ook dit geval heb terug verbouwd tot een
hoopje uitgebluste watten en een zielloos lapje
grijze stof.

Werner Spaland

rode gele witte

stil hier

dat wel

alleen op zon en feestdagen
dan komt er nog wel eens wat

met bloemen wanneer het nog niet zo lang geleden is
met borstels bij al wat langer in de tijd
met lege handen als er net een restje nog is te beleven

nooit meer is er ook

zelfs in de meerderheid
rijen dik
en met geen borstel nog te doen

5 weken heet hier fraai opbeurend aardvers

ik ben daarvan

en van de bloemen

tulpen

rode
gele
witte

iedere zondag
van mijn vrouw

rode
gele
witte

en na vijf weken
ook van ene Jaap
hand in hand
met mijn vrouw

ik…

maar wij mogen ons
niet verplaatsen
strikte orders van boven

de dood namelijk
moet netjes blijven

rode
gele
witte

5 weken heet hier fraai opbeurend aardvers

ik ben daarvan

 

Brief (130) uit Schiedam

als ik morgen zal sterven gaan

wat moet ik dan
wat moet ik dan

wat moet ik dan
in godsnaam aan

moet ik nieuwe kleren kopen
of in een kloffie liggen gaan
waarin ik jaren heb gelopen

moet mijn haar dan
ook naar net gekamd
of gaat het per se in
gepaste hoed geramd

zal ik mijn handen braaf
tot vouw hebben te kluwen
of doe ik wat vingers
ver mijn neus in duwen

ga ik mij een laatste
keer nog laten kussen
of mijn eenzaamheid
in ferme lach graag sussen

laat ik mijn ziel
naar boven stijgen
of eigenhandig
naar de duivel nijgen

doe ik mijn laatste uur
in zwarte sokken
of zal ik op strikt
gepoetste schoenen gokken

moet ik iedereen naar
mij maar laten gapen
of zal ik brutaal wat
restjes uit mijn oren schrapen

laat ik uit bijna dode borst
een laatste zucht nog wellen
of stop ik hem vol leefgedoe
om allen nog ’s flink te kwellen

zal ik op mijn dooie eind
fier nog een gedicht uitkraaien
of met lege woorden
alles hevig gaan verdraaien

moet ik allen per lieve
lach wellicht bestoken
of zeggen dat ook zij behoren
tot toekomstig dode knoken

ga ik om wat eigen grote lol
een laatste gil tot slot nog slaken
of zal ik…

o als ik morgen

wat moet ik dan
wat moet ik dan

 

Brief (129) uit Schiedam

Donorvreugde

Vanaf nu ben ik een zakje bruikbare
organen die na mijn dood ontsloten
kan worden waarop het graaien in
mijn nog warme vlees kan beginnen.

Ergens een niertje nodig? Alstublieft!
Ergens een longetje nodig? Alstublieft!
Ergens wat oogjes nodig? Alstublieft!

Is het zakje leeg? Geen punt, we persen
er wat vette watten in en hup ik ben als
zakje fraai klaar voor mijn verrukkelijke
uitvaart. Niemand die ook maar iets van
mij zal missen, ha, vette watten genoeg.

Wel jammer is dat ze geen stemadvies
uit het zakje kunnen klauwen, een bordje
met daarop D66* zal er zeker tussen alle
smurrie aan bloed en versleten vlees hup
te vinden zijn geweest, want ik wil heus
wel als leegplukzakje door het leven gaan,
tenminste als er niet de voorwaarde aan
verbonden wordt dat ik dan als een
gezondheidsfrater met een strikt vita-
minengebod door het leven moet gaan.
Hel nee, ik wil wel kunnen zuipen als
een paard met extra brede bek, ik wil
wel kunnen roken als een ketter die
met god geen raad weet, ik wil wel een
zooi lijfafbraakrisico’s kunnen nemen
ook al zal de inhoud van het zakje daar
baarlijk ongezond door gaan pruttelen.
Ik wil zogezegd prikkelend kunnen leven
als de Duivel in een verboden hemel. Zo
niet, geef mijn zakje dan maar aan Fikkie!

* D66 wil iedereen automatisch donor
laten zijn.

Werner Spaland