Spring naar inhoud

Brief (176) uit Schiedam

Het is een vreemde, vervelende ervaring
binnen te moeten blijven terwijl het zon-
licht door de ramen je aanbrult dat je
naar buiten moet. De zon niet voor niets
zijn best doet zijn stralen naar je te zend-
en. Je verdomme toch zeker de eerste echt
mooie lentedag van het jaar met de kleum
nog in je winterbotten het best maar jezelf
bij de kladden zal grijpen en dat kille lijf van
je naar buiten te sleuren om in ieder geval
een stevig stuk op te warmen. Het corona-
gedoe van je vel af te laten branden voor-
dat het je te pakken krijgt en je gezellig in
een ic bed propt of nog erger. Enfin, je kan
wel zeggen dat de angst voor dat pestvirus
mij inmiddels ook lekker onder de huid is
gekropen nu men de hele wereldeconomie
in elkaar laat storten door de hele boel stop
te zetten, de hele santenkraam voorlopig
op te doeken tot dat virus bereidt is ons met
rust te laten om ons vrolijk verder te laten
gaan het aardbolletje op te vreten in een
tempo tot nu toe ongekend.

Brief (175) uit Schiedam

Niet de laatste brief dus die de vorige.

Het monster is toch wat minder heb-
berig dan verwacht zo lijkt het, maar
we zijn er nog niet klaar mee, het kan
nog wel ’n mensje of wat aan zo wordt
er iedere dag wel op de vermaakbuis
verkondigd door mensen die het den-
ken te weten en wellicht weten ze het
ook wel. Dat ze mij, die weters, de
bibber geven, het zou natuurlijk zo
hebben te zijn. Echter niks, helemaal
niks geven de voor ons uitgemeten
voorspellingen over nog heel veel
komende slachtoffers mij, geen en-
kelijke bibber. Al ga ik voorlopig toch
maar even de deur niet meer uit. Een
mens moet de coronaboel ook weer
niet op het spek binden. Wel zou ik
ook best een keer willen hamsteren,
de supermarkt willen leegplunderen,
gewoon om te ervaren hoe zoiets nou
voelt, hoe de hebzucht gedreven door
angst voor gebrek aan eten je zo kan
maken dat je dit graaien naar voedsel,
dat je eerlijk gezegd niet direct nodig
hebt , met een zo’n ongelooflijk on-
bescheiden drang doet dat de schaamte
daarover voor lief wordt genomen. Ja
dat zou ik wel willen, om dan vervol-
gens iedere dag in de keuken langs
alle potjes en blikken vol groente,
pakken pasta en vooral de hoeveel-
heden wc-papier te lopen met de ge-
dachte dat ook het virus je niet te
pakken zal krijgen, want ha, met
die mogelijke tekorten heb je dan toch
ook maar mooi even afgerekend. Zo
moet het toch ongeveer voelen lijkt
me, dat ongebreidelde hamsteren.
Direct maar proberen zodra ik de
deur weer uit en de straat op durf.

Almaar moet ik denken aan die rooie,
zie vorige brieven, zij met dat lange
vlammende haar, die o zo oeverloos
lange benen en haar verleidelijk ge-
drag veelal. Almaar moet ik er aan
denken of het virus haar ook al te pak-
ken heeft en of ze nog leeft, of ze niet
al in een potje bij een van haar kin-
deren op de vensterbank zal staan
met een bloemenkransje om de urn
gelegd. Hoe zonde van het rode haar,
hoe zonde van haar benen, hoe zonde
van haar ooit warrelende schoonheid.
Vreemd eigenlijk daar nu aan te denk-
en, of wellicht toch niet want is er niet
een persoon in een door mij geschreven
en in een diepe la gestopt boekje “Bed-
dengoed” dat voor een groot deel op
haar gebaseerd is? Een boek overigens
dat ze waarschijnlijk nooit zal lezen ook
al zou het uit de la komen, de familie
was nou niet bepaald een gezelschap
van lezers, opoe, moeder van de rooie,
heb ik immer alleen met een sigaret
in haar handen gezien, geen boek in
haar buurt was er te bekennen, ook
niet in het pleeggezin waarvan de
moeder ook een dochter was van opoe
en waar ik maar had te wonen van
de kinderbescherming. Nee nooit heb
ik die rooie, zoals ze genoemd werd
door mij en de andere van haar dro-
mende mannen, met een boek gezien,
veel te druk met leven bezig jong als
ze destijds was en zoals gezegd de fa-
milie gaf ook geen druk op het lezen.
Hooguit het plaatselijke krantje of een
of ander weekblaadje als de Story werd
doorgebladerd. Niet dat ik nou zoveel
las. Integendeel. In een omgeving waar
niemand leest ga je niet lezen zoals ik,
waarschijnlijk om te vluchten uit die
tehuiswerkelijkheid, wel deed in het
tehuis waar een bibliotheek was met
onder andere boeken vol cowboy- en
indianenverhalen, over Arendsoog,
over Winnetou en Old Chatterhand,
overigens de enige namen die ik er-
van heb onthouden. Stoere verhalen
over mannen die wel wisten met de
omstandigheden om te gaan, wel wist-
en hoe te handelen en niet zoals ik in
het tehuis als een veel te onzeker en
bang jongetje dat alles maar over zich
heen liet komen zoals het meppen en
seksuele misbruik. Nee, geen Arends-
oog was ik, hoe graag ik me ook zo
wilde voelen en ook stilletjes in een
hoekje soms wel voelde, echter dat al
snel verdween als de mep of de seks
weer aan kwamen stormen overdag
en ’s nachts. Maar goed, daar is al ge-
noeg over geleuterd in deze brieven.







Brief (174) uit Schiedam

Een kleine drie weken kreunt
Nederland nu onder het ge-
wicht van het virus dat de he-
le wereld in haar greep houdt.
Drie weken en we zijn nog
altijd lief voor elkaar, de mees-
ten van ons bereid braaf naar
onze overheid te luisteren die
onder leiding van Mark de ene-
na de andere maatregel uit-
vaardigt om ons uit de heb-
berige klauwen van het geval
corona te houden, bereid ook
zijn we om, mocht het geval
nog erger gaan tieren, ouderen
aan die schrokop op te offeren
door ze geen i.c. behandeling
meer te geven bij een te hoge
leeftijd of als ze een hopeloze
ziekte in het oude lijf dragen,
bereid zijn we wellicht zelfs om
bij genoeg bang ons leven van
nu zo totaal te laten inperken
dat we alleen nog als een stel-
letje uitgedroogde dreutels
tweepersoons over de straten
zullen zwerven in armoe de
afgelopen 50 jaar ongekend.
Dat laatste echter is pas voor
een tikkeltje verder weg in de
tijd als dat gedrocht van een
virus niet wil ophouden zich
aan ons vol te vreten en wij
dus nog maar half hebben te
bestaan. Hoewel zoveel ver-
der in de tijd nou ook weer
niet want het vreetmonster
heeft nu Zuid-Holland al be-
reikt en dat is de provincie
waar ook Schiedam ligt en
waarin ik nogal welig tier
met een mank hart dat het
monster niet zal kunnen over-
leven zoals hierboven al bleek
met de al geopperde gedachte
in het nieuws dat oudere men-
sen met al te zware kwalen het
leven fijn kunnen vergeten om-
dat er vanwege knel in de zorg
niet de moeite meer wordt ge-
nomen ze nog wat te beademen
als laatste redmiddel en dus,
zoals ik al eerder schreef, zou
dit zomaar de laatste brief
kunnen zijn. Is overigens niet
erg want… Nu ja, wat ik maar
wil zeggen is dat het niet erg…

Tot zover het coronajournaal.







Brief (173) uit Schiedam

Ik heb vanmorgen maar een paar
emmers onder de televisietafel ge-
zet want de dreiging van het virus
stroomt met onvoorstelbare strom-
en uit de tv, de godganse dag wordt
er wel ergens op een zender over
geleuterd hoe erg het wel niet is en
hoeveel erger het nog kan worden.
Je begint van de weeromstuit bijna
te denken dat de hele mensheid zo’n
beetje zal gaan uitsterven, of in ieder
geval dat jij de zes plankjes alvast
moet bestellen waarin jouw door
het virus vermoorde lichaam kan
worden weggedragen naar een
koud kil gat gegraven in de korst
van de aarde waarop je een korte
wijle hebt mogen ronddwalen als
mens van goede wil. Een goede
wil overigens meestal mislukkend.
Gelukkig hebben we daar, net als
we voor het virus zullen vinden,
een oplossing voor gevonden door
een God in het leven te roepen die
de boel bij het tonen van een beetje
berouw over een mislukte goede
wil wel weer ff vergevingsgezind
gladstrijkt als ware het een peule-
schilletje op een fluitje van een
cent al zal dat fluitje niet helpen
te voorkomen dat er stemmen op-
gaan dat het een straf is van die-
zelfde Man en Hij dus helemaal
niet zo vergevingsgezind is als de
butlers in Zijn huis altoos beweren
als je daar zondags op bezoek mag
komen met een zak vol zilverwerk
om Hem te eren.

Een raar volkje die de mens hoor!

Tijd voor een gedichtje dan maar:

Veel zon schraapt onverschillig grasgroen bloot

mevrouw
meneer
meneer
mevrouw

het zijn trala nog lang niet dood
niet even soms / maar steeds
in tuinen vogeldwalen slijtgelopen

/ restjes
/ sperma
/ nog
/ van
/ overkomen

spagaat van bloemen
broodjes zoet
aan mosterd wijken mocht de kamer niet

een huis vol afgehouden woorden
het vette welkom op de mat
wat dikke meubels om te scoren

de zon per draadje aan het dak

Brief (172) uit Schiedam

Mogelijk 80000 doden door virus
volgens zeer geleerde virologen.
De kans dat ik er een van ga zijn
wordt zo wel heel erg aanzienlijk.
Een beroerde maar belangrijke
spier knispert er, zoals inmiddels
per deze brievenserie wel bekend,
zwak in mijn niet stervensbereid-
willige lijf rond. Een lijf sowieso ff
niet bestand tegen corona. Echter
dingetje c hupt, of je het wil of
niet, je mond, ogen en wellicht
alle andere gaten in je lichaam
binnen met een gretigheid waar,
ondanks mondkapjes alsook alle
Ruttes van de wereld, geen enkel
verweer tegen is. Dingetje c kiest
je beroerd genoeg nogal wille-
keurig uit om je in een onbewaakt
ogenblik spetternat af te lebberen
met een honger ongekend in ons
zo gezapige leventje met als ge-
volg dat het zomaar zou kunnen
dat dit dan de laatste brief heeft
te zijn als het een tikkie tegenzit.

Binnenblijven en deze brieven
volpennen over dat binnenblij-
ven is mijn komende lot mag je
de berichten uit de keeltjes van
de politiekers geloven, want vol-
gens hen is dat het beste, binnen
blijven. Lekker thuisblijven zou
je zo op het eerste gezicht denken.
Benieuwd hoe dat lekker er over
drie weken bijstaat. Hoeveel men-
sen elkaars hersens hebben in-
geslagen uit pure wanhoop zo
lang op elkaars lip te moeten
leven. Ik vermoed dat het er
een stevig aantal zal zijn on-
danks alle lievigheid die er nu
in het begin van deze corona-
periode rond knalt in het hele
land. Of men nog zo bezorgd
zal zijn over de bejaarden, of
men nog van alles belangeloos
wil doen voor een ander, de
supermarkten dan nog niet
krak veel grover leeggeplun-
derd gaan worden, ik nog wel
braaf binnen zal blijven, Sas-
kia nog wel zo liefdevol zal
zorgen dat het binnen gebeur-
en blijft lopen zoals het nu
loopt omdat het lichaam (om
mijn zwakke pruttelhart heen
gebouwd) niet naar buiten kan
en ik ook niet voor al het binnen-
gebeuren meer kan zorgen en zij
daar nu lekker voor opdraait.

Lees ik net dat hartpatiënten
al niet meer op de intensive
care gelegd worden omdat de
overlevingskans te klein wordt
geacht en ook om jonge gezon-
de mensen die het virus hebben
opgelopen een beter kans te ge-
ven weer op de veerkrachtige
beentjes weg te kunnen laten
hobbelen het ziekenhuis uit.
Zag ik in het weekend allerlei
jonge mensen buiten heel ge-
zellie doen en dicht op elkaar
gepakt hun sociaaldingetjes
beleven zonder zich zorgen te
maken over het virus. Zie ik
heus wel de noodzaak van de
artsen om jonge patiënten op
de intensive care te verzorgen
en mij als hartpatiënt de toe-
gang te weigeren, maar zie ik
niet in dat een aantal van die
onverschillige jonge puisten
die ik in het weekend buiten
bezig heb gezien dat verdient
ten koste van minder gezonde
mensen. Lees ik hierboven
het laatste taalsprongetjes nog
even over zie ik wel in dat ook
ik zomaar een potentiële super-
marktplunderaar kan zijn in
mijn egoïsme toch vooral te
blijven leven ondanks dat ik
al een paar jaar een stevig
toontje krakkemikkig in mijn
lijf hang en de jonge puisten
dus niet in de weg behoor te
staan met gezeur over de voor
mij gesloten deuren van de in-
tensive care-units.



Brief (171) uit Schiedam

Trump, die opknak-president
van Amerika, is op het reuzel-
idee gekomen om Europa eens
lekker te pesten door alle Eu-
ropeanen vanaf nu zo’n dertig
dagen buiten de deur te houd-
en omdat die naar zijn mening
een klap te weinig doen aan
het indammen van dat virusje
met de mooie naam, als was
het een bevallig meisje, corona.
Was op het nieuws vanmorgen.

Wat niet op het nieuws was van-
morgen is dat dit al de honder-
eenenzeventigste brief uit Schie-
dam is.

Wat ook niet op het nieuws zal
komen is het feit dat een boek
dat door mij geschreven is niet,
wel broodnodig overigens, her-
schreven zal worden voorals-
nog omdat ik al twee jaar geen
donder zin heb om daarmee te
beginnen. Het laatste wat ik aan
het boek heb toegevoegd is de
titel “Beddengoed” waarvan ik
niet zeker ben of ik die zal
gebruiken want als ik bij me-
zelf naga of ik een boek met
zo’n titel zal kopen dan is het
antwoord nou niet direct ja.
Nog maar ’s een tijdje, twee
jaar?, wegleggen dat boek lijkt
me de beste oplossing.

Ook niet in het nieuws zal
komen dat er in Schiedam
komend weekend een ten-
toonstelling zal worden ge-
opend met het thema 100
omdat de politiekers het
stoere lef hebben gehad
de beslissing te nemen dat
er in Nederland in verband
met het klimaatgedoe niet
harder dan 100 kilometer
mag worden gereden. Zelfs
niet zal er het nieuws zijn
dat wij, SAGE, er aan mee-
doen met twee werkjes.
Zo’n 100 themaatje ligt
welliswaar ver van onze
kunstgedoetjes, maar
daar hebben we dan nog
altijd de in de hele wereld
Nederland erg beroemde
Dichter! voor achter de
hand, die dus in die ten-
to vrolijk meedoet in een
lekkere, spottende prent.
We hebben ook nog een,
om het echte kunstgedoe
niet helemaal op de achter-
grond te laten geraken,
hermetisch gedicht van
honderd letters naast de
Dichter! gehangen, letters
gevangen in een herme-
tisch gesloten glazen zak
hangend aan een ketting
met als tegenhanger nog
een hermetisch gedicht
van honderd luchtbellen
in een afgesloten glazen
zak aan de andere kant
van de ketting zodat ze
elkaar in evenwicht hou-
den.

Steeds meer zonlicht spet-
tert er tegen de ramen van
mijn werkhok, het feest van
de lente lurkt al weer gretig
aan de vitrage, het groen-
spul en de bomen knallen
hun knoppen al een week
of twee uit nog ‘winter-
grauwe’ takken, krokus-
sen dwalen ook al een tijdje
in de bermen alsof ze de ge-
woonste zaak van de wereld
zijn zo vroeg. Normaal ge-
sproken zou ik nu mijn fiets
uit het vet halen om de boel
even flink te gaan beleven,
echter de boel in mij is niet
normaal zoals u wellicht uit
een paar brieven hiervoor
hebt kunnen concluderen.
In het vet blijft de fiets dus.
Verdomd jammer, want dit
is zowat het enige dat je nog
onbekommerd kan doen in
deze coronatijden waar je
gedoemd bent nauwelijks
nog de deur uit te gaan,
zeker zulke ziekzijnders
als ik ben, wil je gezond
blijven zo zeggen de in de
virus geleerde heren.

Hoor ik net van Saskia dat
de opening van de hierboven
genoemde tentoonstelling
niet doorgaat vanwege dat
verdomde corona ettertje.



Brief (170) uit Schiedam

Eerst toch maar weer even wat
lekker hypochonderen want
de afgelopen weken leek mijn
lichaam, of beter nog dat toch
al niet zo willige hart het loodje
te leggen. Vooral ’s nachts was
het heerlijk raak met dat ding
dat dus stevige last kreeg van
een zwaar stukje lood dat mij
fiks uit mijn slaap hield en mij
ten volle dreef tot hypochonde-
ren waar de dood graag brood
van lust. Niets namelijk voert
naar mijn idee sneller naar de
dood dan er constant aan denk-
en dat je het loodje legt. Gebeurt
dat tot wonder van jezelf niet
dan leef je wel als de dood om
dood te gaan. Nou moet eerlijk-
heidshalve gezegd dat ik al een
aardig tijdje, door het gedonder
van dat lubberhart, met het ein-
de van mijn leven rondhuppel
in mijn hoofd en er van doods-
angst al bijna geen sprake meer
is. Eerder is die angst geslonken
naar een poeltje vol stilstaand
water waarin ik, toegegeven,
zeker als het hart weer zieke-
lijk vervelend doet, nog al eens
als in een spiegel kijk om dan
daar mijn einde te zien rond-
wandelen. Een einde, zo zie
ik in dat stille watertje, dat er
van overtuigd is mij zonder
de minste moeite aan te kun-
nen raken wanneer dat eindje
dat wil doet ie bijvoorbeeld uit
verveling een wandelstapje ex-
tra mijn richting uit daar echter
vooralsnog een fijn tikkie te lui
voor is.

Maar goed, tot hier het hypo-
chonderen dat dus eigenlijk
geen hypochonderen is want
drijvend op een stevige rea-
listische basis liggend in een
werkelijkheid die ik toch even
liever niet als werkelijkheid
gehad had willen hebben. On-
gelukkig genoeg is het de o zo
onverschillige natuur die mij,
zonder er ook maar een mo-
ment bij na te denken, in een
voor een mens veel te grote
willekeur aan kan wijzen om
dood neder te vallen ook al
heb ik daar geen ene spijker
zin in. Godver, ik heb nog wel
een stuk of wat ideeën in mijn
grijsbrij rondwaren aangaande
het een stuk lekkerder maken
van de wereld met door ons,
SAGE, gemaakte kunstwerkjes
en daarbij zeker nog een on-
noemelijke zin in een fikse
zooi van deze brieven ‘vol mij’
klaar te kladderen. Haast is
wellicht geboden, want de
natuur heeft er nog eens lek-
ker wat bij verzonnen om de
mensheid de doodstuipen op
het lijf te jagen met dat kers-
verse virusje met de veel te
mooie naam corona dat nu
gezellig over de aardbol graast
naar slachtoffers, vooral naar
kwetsbare al zieke ouderen.
En laat ik er door dat lubber-
hart van mij nu zomaar on-
bedaarlijk een van zijn. Wel
deerlijk lullig natuurlijk zo’n
viruseinde, kan je beter net als
Herman Brood heroïsch van
het dak van een hotel, het Hil-
ton bijvoorbeeld, afspringen,
blijft er tenminste nog iets van
je dood beklijven in de wereld,
zeker als je daarbij ook nog een
vriend als Bart Chabot hebt die
van dat beklijven een beklijven
heeft gemaakt waar je, zelfs al
leef je onder een tegel, niet aan
voorbij kan. Wegblijven van dat
virus dus. Echter Rabia, de van
staatswege aangestelde zeer
hardwerkende stofruimster,
toonde mij gisteren een mail
waarin meegedeeld werd dat
op de school waar haar doch-
ter les krijgt een virusgeval is
geconstateerd. Met andere
woorden, het komt wel erg
heerlijk dichtbij dat corona-
dingetje behept met een vraat-
zucht ongekend volgens een
aantal mensen die beweren
er verstand van te hebben.