Spring naar inhoud

Brief (153) uit Schiedam

In het gedicht ‘So’n netjes leven’ uit
de vorige brief zitten overigens wel
wat verwijzingen naar andere dich-
ters wil ik hier even zeggen voor-
dat de wereld mij op de nek springt
om mij te gaan betichten van het
pikken van ideeën van anderen. Zo
is er een verwijzing naar het gedicht
‘De zwijgzaamheid’ van Gerrit Kom-
rij, naar het gedicht ‘Jonge sla’ van
Rutger Kopland en ook naar Remco
Camperts bloemlezing van de eigen
gedichten ‘Kus zoekt mond’.

Tot de wereld het maar even weet!

Vandaag 4 september 2019, een dag
voor die ouwe baas met zijn ff niet
meer zwarte pieten zijn verjaardag
gaat vieren waar heel Nederland
van de commercie aan mee moet
doen zodat er weer een tsunami
aan plastic over ons land zal razen
waarmee de aarde zich al zo vol-
op versierd heeft in al die jaren
dat die oude zak hier zijn feestje
komt doen. In een dikke jas van
kleurrijke onverwoestbaarheid
heeft ons bolletje zich inmiddels
gekleed als moest het ding naar
een evenement als nooit tevoren
beleefd is. Wat natuurlijk ook het
geval is, dat nooit tevoren, al is
het uiteraard niet alleen de schuld
van de oude baas die plastic tsu-
nami, het zou ook teveel eer voor
die knakker zijn om alleen hem
daarvoor verantwoordelijk te
houden al is het met oude mensen
meestal wel zo dat ze aan het eind
van hun leven per se terug willen
blikken op wat ze allemaal ge-
presteerd hebben in dat leven,
zo ook de zogenaamde kinder-
vriend met al zijn plastic speel
heb en krijg dingetjes die ons
bolletje als gezegd zo belasten.
Maar waarom eigenlijk dit ge-
zever over een oude man en zijn
plastic zooi? Wellicht om ff te
voorkomen dat ik opnieuw in
dodelijk vermoeiende praatjes
over doodsdingetjes en zo beland
waaraan ik al een aandoenlijk
reeksje brieven heb geweid?

Ja dus!

Precies weet ik het niet meer maar
ik zal van mijn zeventiende tot mijn
eenentwintigste in het pleeggezin
hebben gewoond. Doordeweeks want
in de weekeindes was het feesten met
vrienden, kroeg in kroeg uit. De nacht-
en sloegen we meestal over, zo niet dan
sliep ik bij een van die vrienden thuis.
Duidelijk is dat ik me in die vier jaar
nu niet bepaald als een echt gezinslid
gedroeg in het pleeggezin, ik bleef een
vreemde eend in de bijt, een eend die
het liefst buiten de vijver verbleef, de
andere eenden bleven hem te veraf,
altijd ook was er het vage gevoel van
er niet echt bij te horen. Wel was ik
regelmatig in het huis van opoe te
vinden, daar was die rode haardos
en ook was het er altijd een vrolijke
boel al bromde opoe een groot deel
van de dag kwasie boos tegen iedereen
maar lachte meestal na zo’n brom het
slachtoffer toe als had ze de boosheid
alweer uit het raam geflikkerd om direct
daarna een enorme haal van de sigaret te
nemen waarbij haar wangen zover naar
binnen werden gezogen dat het leek of
ze zich helemaal vacuüm wilde zuigen.
Een luidruchtige vrolijke boel en altijd
die ronddartelende rode met haar hevige
bos haar waarvan de mannen net zo rood
werden zodat er altijd wel een broeierige
sfeer van opwinding kwam te hangen in
de kamer die meestal ook vol rook stond
van de constant paffende, naar vacuüm
ploppende opoe. Zo ook weet ik niet meer
wanneer ik precies uit het pleeggezin ver-
dween. Wel nog waarom; verliefdheid en
verlangen naar een eigen leven, een eigen
wereld in een eigen vijver na het tehuis en
het pleeggezin.






Brief (152) uit Schiedam

Van de week bedacht ik me,
toen ik weer eens niet kon
slapen vanwege mijn hart
dat vervelend aan het klier-
en was in een ietwat ver-
krampte borst, als het nu
met mij gebeurt ging zijn,
ik de laatste adem zou uit-
blazen en de brief die ik
hiervoor schreef de laatste
brief zou zijn, een brief die
eindigt met een gedicht
waarvan de laatste zin
luidt: ‘…naar slapende
handen zo… Zo zacht’ dat
dit onbedoeld een beetje
lijkt op de site van Jeroen
Mettes die, net voordat hij
zelfmoord pleegde, stopt
met een lege pagina waar-
op niets dan een punt staat
afgedrukt.

Het zou inderdaad…

Zelfmoord is dus  wel wat
anders en dramatischer
dan een onwillig hartje dat
er op eigen initiatief mee
stopt en het lijf waarin het
zo’n 69 jaar heeft gepompt
met zich meesleurt de dooie
dood in. En dan, die Mettes
was een loeiend stuk jonger
dan ik toen hij zich zelfmoor-
de. Ook de vrijwilligheid zoals
bij Mettes is in mijn geval niet
aan de orde. Al kan je je nat-
uurlijk afvragen in hoeverre
er van vrijwilligheid kan worden
gesproken bij zelfmoord, want
een zieke geest kan alle wil om
te leven uit je lijf weg knallen
is de ziekte heel te erg aanwezig.

Onzin dus deze vergelijking. 

Verder doende gaan zijn met deze
brieven dan maar, want volgens
een vreemd aangeleerde kronkel
in ons hoofd zal het leefbedrijf
toch een fiks beetje volgepropt
hebben te worden met doe-dingen
die maar een doel hebben; zo on-
aangedaan mogelijk naar het einde
struinen zonder die dooie dood al-
tijd maar op je rug te hebben mee-
slepen.

Zoiets als in dit sonnet wellicht?: 

So’n netjes leven

eer ik voor eeuwig liggen ga
geen been meer zal verzetten
mijn voeten aan septembersla
de haren danig aan het pletten

ja eer ik op een steen zal staan
gebeiteld in begin en eind
het vlees alreeds te ver gegaan
de huid heel slapjes afgeteint

wil ik per bloterike onderbroek
de rulle sokken op halfzeven
mijn mond naar enen kus op zoek

de dood nog wel wat laten streven
door te rukken aan het kille doek
en als een kat mijn zee van levens leven

Maar godver, is die dood er toch weer
ingeslopen hier, terwijl mijn hart klopt
of ie er nog jaren en jaren zin in heeft
mij voort te laten huppelen in een licht-
heid van het bestaan tevoren zelfs nooit
gekend.






Brief (151) uit Schiedam

Ik heb het er geloof ik al eerder over
gehad in de laatste brieven,  maar t’
is al bijna twee jaar geleden dat er
een gedicht uit mijn vingers is ge-
druppeld. Niet dat er nu ff hevig ge-
jankt hoeft. Er wordt überhaupt niet
gekermd om niet geschreven woord-
en en ook zal het de wereld, op wat
woordneukers na, een pront vers
worstje aan d’r kont zijn. Heus, het
wereldgebeuren valt niet stil zonder
bij elkaar geramde woordjes waar-
omheen nogal eens wat wit wil
dralen om het gemoed een klein
tikkie in vervoering te brengen.
Wat ik maar met deze luizige zeer
omtrekkende beweringen wil zeg-
gen is dat ik er stiekem toch wel
somber van ben geen poëtische
letterbreuk meer te hebben gestort
over het gemoed van de hele hele
heeeeeeeeeeeeeeeeeeeele wereld.

Daarom maar een breukje van ooit:

Kleine vertelling

Ik?

Ik heb kanker
Ik lig hier al weken
En ik word goed verzorgd
D
oor vrouwen

Vrouwen die ik zonder nooit zou hebben leren kennen
Vrouwen gekleed in het wit
Als bruidjes
Verzorgend, bezorgd, maar ook doortastend

Ik lig hier goed
Ik word volledig gecompenseerd

Regelmatig wordt het in mijn buik betast
Zachte handen
Waarbij een stem
Doet het pijn?
Alsof er gevraagd wordt: Nog een keer?

Nee, er is niks mee
Met een beetje kanker hebben
Dat zei mijn buurman ook
Gisteren
Vanmorgen mocht hij naar huis

Ik heb geen vrouw
Hij wilde eigenlijk ook niet
Mijn buurman
Zuurtaart, dat zei hij

Mijn piemel lange tijd al niet meer gezien
Of aangeraakt
Een berg ligt er voor
Een berg van pijn zeg maar
Alleen nog om te worden gewassen ligt ie daar
Die piemel
Door de witbruidjes

Plassen doe ik uit mijn linkerheup tegenwoordig
Tenminste in zoverre ik dat kan inschatten
Regelmatig wordt daar wat gerommeld
Door de zachte handen
Aan mijn darmblaasje, van plastic

Vanmiddag krijg ik nieuw gezelschap
Zo is me beloofd
Met hetzelfde
Kunnen we het erover hebben
Zo glimlachte het uit het wit
Een meetlint zou dan wel handig zijn
Zo dacht ik nog
Dan kunnen we meten
Meten wie de grootste heeft
Ik vertrouw erop dat mijn berg zal winnen

Ik lig pal voor het raam
Mocht opschuiven
Nadat mijn vorige buurman plots weg was
s’ Nachts
En terwijl ik sliep

Zomer, behoorlijk zomer daarbuiten
Bruin steekt af tegen wit
Mijn onthaarde huid zou ook wel wat…
Later,  later
Eerst de nieuwe aanbieding doorwerken
Het nieuwste van het nieuwste
Zo zei de specialist
En of ik dat wel wilde
Natuurlijk wilde ik dat
De vorige had ik toch ook gedaan

De witmeisjes waren vanaf het begin lieftallig
Als ik het vroeg hielden ze me een spiegel voor
Nu weet ik het wel
Alleen mijn schaamhaar…
Maar ik durfde er niet naar vragen

Dat ik niet meer lekker kan eten
Dat is wel jammer
Met veel glimlach op wit zetten ze het voor me neer
Maar de berg protesteerde direct met pijn
Werd ik door een van mijn vrouwen gevoerd

Via een sonde krijg ik nu bijvoeding
Wel grappig, voedsel van plastic naar plastic
Ik daar nog even tussen
Als een oorzakelijk verband

Gek eigenlijk
Nooit zo gehouden van bloemen
Er nooit op gelet ook
Maar nu hier
Voor het raam liggend
Zou ik ze willen plukken
Hun geur van horen zeggen willen opsnuiven

Deze nieuwe zegt niet veel
Gisteren binnengebracht
Door zijn vrouw
De geschiedenis zal zich toch niet herhalen
Veel stilte
Maar de woorden zullen wel komen

Dat ik het hier naar mijn zin heb
Dat is wel lekker
Alleen ik slaap zoveel
Soms word ik wakker zonder benul
Moet ik alles in het plafond nagaan
En dan nog met moeite

Het bed van mijn jeugd
Daar word ik de laatste tijd vaak op wakker
Mijn moeder die aan mijn schouders schudt
Wakker worden, wakker worden
Tijd voor uw medicijnen

En dan weet ik het weer

Die nieuwe zegt wel bijzonder weinig
Hij zal toch wel kunnen praten
Hé, probeer ik, hé
Geen reactie
Meewarig ligt hij me aan te kijken
Doofstom, vast doofstom
Ik hoop dat ie gauw met z’n vrouw mee naar huis mag
Dit is toch geen leven zo

Liever, ze worden liever en liever
Mijn vrouwen
Wel praten ze almaar harder
Mijn buurman is doof hoor
Mompel ik dan
Maar ze schijnen het niet te verstaan
Wat zegt u, gillen ze bijna
Alsof  ze het  tegen mijn buurman moeten hebben

Slaap, verdorie wat een slaap
Concentreren, wakker blijven

Zei die buurman nu maar eens wat
Of mijn vader, tegen mijn moeder

Die stilte hier

Door een plastic slangetje stroomt het
Net een navelstreng

Toe pap, zeg nu  eens wat tegen haar
Het liefst iets liefs

Die bloemen

Slaap, slaap
Steeds vaker

Zomaar iets heel liefs

Een vers zakje diner
Zachte handen voor een glimlach
Witlof met ham? Biefstuk? Een soepje vooraf?
De lieverds

Mag ik nu bij het raam?
De doofstomme!
Mag ik nu bij het raam
Dat vroeg ie
T
oen ik al een flink eind op weg was
Naar die andere kamer

Andere kamer?

Lekker alleen
Dat zei ze, het witbruidje

Kunt u rustig slapen, ook dat zei ze

Weer die zachte handen
In de buurt van de berg
Even legen
Woorden vol glimlach

Ook al wit
Deze andere kamer

Zou het daar ook wit zijn?

Een doorgeefluik
Van het ene zakje naar het andere
Functioneel
Een tussenblaasje met huid zonder haar

En is er wel zoveel plaats?
Misschien zijn de zieltjes dun
Zo flinter dat ze geen plaats nemen
Tot in de eeuwigheid kan het dan doorgaan
Dat opnemen

Slapen?

Maar ik wil helemaal niet…

Weg was ze alweer

En waarom de gordijnen dicht?

Slapen, ik moet natuurlijk slapen
En dan morgen weer die zachte handen

Slapen, slapen
Naar handen
Naar slapende handen zo… Zo zacht

Brief (150) uit Schiedam

Ietwat teveel gekreukel over de
dood in de vorige brief? Want
wat zegt Epicurus over de dood?:
‘zolang ik er ben is de dood niet,
is de dood er ben ik niet’. Zo kan
je het ook van je afschuiven; als
niemendalletje, een doodje van
nog geen halve cent ofzo. Edoch,
ondanks die Epicurus word ik
er wel een beroerd aantal keer
expliciet mee geconfronteerd,
met dat doodje. Ik mag me er
namelijk heus nogal eens op
verheugen voor de mediman-
nen in het ziekenhuis te ver-
schijnen ter controle of ze al
dan niet in mijn lijf kunnen
gaan snijden ter voorkoming
van een al te vroege dood. Ja,
of ze voor onbepaalde tijd
nog een kwakkie leven in me
kunnen laten rondhuppelen
al ben ik dan geen jonge god
meer die de dood nog niet in
het vizier heeft.

(Overigens wel van nut voor
deze brievenreeks, die levens-
huppel, al begint de reeks
langzamerhand wel te lijken
op een reeks met een levendig
rouwrandje).

Over treurrandjes gesproken,
dit vond ik vanmorgen in mijn
brievenbus:

Onderwerp: douchekraan

Geachte heer/mevrouw,

Ik ben vandaag bij u langs geweest,
maar trof u helaas niet thuis. Ik ver-
zoek u vriendelijk zo snel mogelijk
met mij contact op te nemen et cetera.

Zo snel mogelijk, dat contact! Geen
tijd te verliezen dus! De dame aan
de telefoon; over een week hebben
we weer een gaatje voor de reparatie.
Ik; Dan moeten jullie wel even met
de brievenbus klepperen want de bel
doet het niet. De dame; o dan gaan
we die ook gelijk repareren, goeden-
dag. Op het kaartje; zo snel mogelijk
contact. Aan de foon; over een week
meneer. Snel? En de bel die gerepa-
reerd gaat worden. Maar help ik wil
de bel helemaal niet gerepareerd heb-
ben, ik wil erg heel graag niet om
de haverklap gestoord worden door
zo’n irritante bel. Al jaren en jaren
wil ik dat niet en al jaren en jaren
ben ik dus blij met die niet werk-
ende bel. Mensen die mij goed
kennen weten dat ze moeten klep-
peren met de brievenbus om binnen
gelaten te worden, de rest van de
mensheid wil ik gewoonweg niet
per bel zomaar binnengehuppeld
krijgen alsof ze daar het volste recht
toe hebben. Ik wil deze brieven zon-
der storende belhuppelaars kunnen
schrijven, kunnen typen zonder zo’n
verscheurend belgeluid over je heen
gedenderd te krijgen zodat het uren
duurt voordat de schrik van zo’n ge-
luidsinslag uit je schrijfpoten is ver-
dwenen. Godver, zodra het gevrees-
de bel-ding gerepareerd is knip ik
gewoon een van de beldraadjes los.

Brief (149) uit Schiedam

Net als met het schrijven is het
met de kunst ook al twee jaar
niets gedaan, zelfs geen mislukt
beeldje is er uit mijn handen ge-
komen, net als met het schrijven
is het na anderhalf uur het ge-
reedschap er bij neergooien
en gaan zitten staren naar een
muur van bewegende beelden
op de telebak. Het inktstorten
proberen door te zetten in deze
brieven is nu wellicht het beste
krampje tot een verder doordoen
naar een net nog bestaan waarin
het zinloze weer een lapje vrolijk
krijgt aangereikt om stug  weder
aan het werk te gaan. Ook al is het
met een kreupel klopspiertje dat
volgens de geleerde mannen in het
ziekenhuis nog maar voor twintig
procent werkt. Het werken aan de
kunst komt dan vanzelf wel weer,
al zal het niet meer op de oude
manier van dagen achter elkaar
ploeteren kunnen zijn helaas. Wat
dat laatste betreft kan ik beter op
postzegelgrootte gaan werken,
maar dan is er weer de kans dat
ik me ga voelen als in dit gedicht.

Rode gele witte

stil hier

dat wel

alleen op zon en feestdagen
dan komt er nog weleens wat

met bloemen wanneer het nog niet zo lang geleden is
met borstels bij al wat langer in de tijd
met lege handen als er net een restje nog te beleven is

nooit meer is er ook

zelfs in de meerderheid
rijen dik
en met geen borstel nog te doen

5 weken heet hier fraai opbeurend aardvers

ik ben daarvan

en van de bloemen

tulpen

rode
gele
witte

iedere zondag
van mijn vrouw

rode
gele
witte

en na vijf weken 
ook van ene Jaap
hand in hand
met mijn vrouw

ik…

maar wij mogen ons
niet verplaatsen
strikte orders van boven

de dood namelijk
moet netjes blijven

rode
gele
witte

5 weken heet hier fraai opbeurend aardvers

ik ben daarvan

Mooi niet! Dus eerst nog maar
eens een paar brieven flansen.

Brief (148) uit Schiedam

Eigenlijk wil ik er wel 250 schrijven,
van deze brieven, maar godver wat
een hoop moeite kost dat zeg zo na
mijn ziekenhuisbelevenissen. Hoog-
uit anderhalf uur per dag kan ik er
mee bezig zijn daarna zegt het ‘klop-
pend hart de dood ontkomen’ dat het
genoeg is, dat ik weer voor me uit
moet gaan zitten staren. Waar ik
daarvoor eerst zo’n twee uur een
beetje met tekst kon fröbelen voor
ik werkelijk op stoom kwam, moet
ik nu dus direct beginnen. Een heel
andere schrijfstijl waar ik na maan-
den nog altijd niet aan gewend ben.
Het is dus maar de vraag of die 250
wel reëel is. Als ik een briefke per
week schrijf, heb ik berekend, zal
ik honderd weken nodig hebben
om die 250 schrijfsels te halen.
Ongeveer twee jaar. Als ik dit
tegen mijn cardio zou zeggen
zal hij hoogst waarschijnlijk ant-
woorden dat optimisme een
schone zaak wil zijn. Maar alles
beter dan die twee collega’s van
hem, bijna twee jaar geleden,
met hun pessimisselijke kijk op
mijn leven door te spreken van
“een wonder dat u nog leeft” en
ook “doet u er niets aan dan gaat
u rap dood.” Met als oplossing:
een hulphart op fikse batterijen.

Vandaag, op mijn verjaardag (12
november) komt Medicare de rol-
stoel repareren. Jazeker; rolstoel!
Sinds een klein jaar hebben Saskia
en ik zo’n ding. Ik om erin te zitten
en Saskia om het geval met mij erin
voort te duwen, want mijn gewonde
hartje weigert het om mij langer dan
een kwartier te laten lopen, daarna
schreeuwt de spier dat het waanzin
is nog door te gaan. En ja daar heeft
het spiertje altijd gelijk in want ’s
avonds krijg ik de rekening van mijn
overmoed toch langer te hebben ge-
lopen gepresenteerd in de vervelen-
de vorm van een lekker pesterige,
zeer onregelmatige huppelhartslag.
Negenenzestig (een jaar ouder dan
Gerrit Komrij geworden is, een van
mijn voorbeelden als het om spot-
tende stukjesschrijven gaat) en af
en toe al in ’n rolstoel. Het is me
het carrièretje wel. En dan ben ik
nog niet eens klaar met mijn leven
wat die geleerde ziekenhuiswerkers
ook beweren, nee want ik krijg nat-
uurlijk ook nog de carrière van niet
meer in een auto mogen rijden, de
carrière van de scootmobiel, de car-
rière van een ligleven in een bed
achter een raam om tenslotte een
laatste carrière-vaartje nog te be-
leven verpakt in nephout per zo’n
glanzend zwarte auto die mij naar
een plaats brengt waar men mij in
rook zal doen opgaan, waar Saskia
nog een aantal uiteraard!!!!!!! hele
lieve woordjes dat ik o zo geweldig
was (….:.!.:….) tot mij zal richten als
laatste groet.

Moet ik het nog over de roodharige
hebben? Nee, genoeg over gezegd.
Over haar familie of het pleeggezin?
Nee, ligt zover van mij af inmiddels
dat ik met ’n bulldozer mijn herin-
neringen zou moet afgraven om er
nog iets zinnigs over te vinden. Mocht
er zo uit mijn geheugen eventueel
nog wat aan komen vliegen dan ja
dan…

Of nee, nog een dingetje over de
roodharige, ze is later getrouwd
met een man die tijdens het huwe-
lijk met haar een sappig moordje
heeft gepleegd en als gevolg daar-
van heel wat jaren in een gevang-
enis heeft gezeten, in die tijd ook
kwam haar belletje dat ze met mij
in bed wilde duiken, zie een briefje
of wat terug. Eigenlijk had ze even-
zogoed met mij kunnen trouwen,
want toch ook een celcarrièretje
achter de rug niet waar?

Brief (147) uit Schiedam

Heel wat Onze Vadertjes moeten doen.
Voor iedere maaltijd. Handen gevouwen.
Ogen dicht en met z’n allen tegelijk hard
opzeggen dat gebed der gebeden. Nee,
met God was niks mis in dat tehuis,  zo
vond de leiding, alle zondagen werd Hij
extra geëerd in de kerk. Heus, ’n toffe Vent,
Hij had alleen ’s nachts wat meer Zijn al-
ziende lodderogen mogen gebruiken en
de geile groepsleiders in hun bepotel-
vingers mogen bijten. Maar blijkbaar
vond Hij het geen zonde dat gewriemel
aan jongenspikkies. Nooit heeft Ie een
bestraffend kikje gegeven, buiten het
gehijg van de grijpleiders bleef het dood-
stil ’s nachts. Ook overdag tijdens het
bidden voor de maaltijd helemaal niets
van Hem al moest je je vork boven de
boterhammen op je bord in de aanslag
hebben anders werd het brood door  
een van je buurmannen gestolen. Niets,
helemaal niets, nog geen zucht ook al
bad je je een ongeluk. Lette je niet op, weg
brood! Nietzsche had gewoon gelijk om
Hem dood te verklaren

Het duurde tot in Schiedam, mijn geloof in
die hemelbewoner. Het pleeggezin echter
deed niet aan spirituele hupjes. Ik was er
zonder die hupjes dan ook al snel een on-
noemelijke reep vanaf gewaald. Na een
paar maanden kwam dat Figuur in de hemel
bijna niet meer in mijn hoofd op als al-
macht waarin je geloven moest. Nooit meer
eigenlijk, al is het onmogelijk om je buiten
het religieuze gedonder te denken tegen-
woordig. Nog even en je hebt langs de ge-
vels te sluipen als ongelovige, daarbij zo
min mogelijk opvallen en de goden van
de gelovigen in alle gemoed uiteraard re-
specteren. Okay, ik overdrijf wellicht, toch
is het huidige reli-gedoe een belevenis dat
ik niet graag in mijn ongelovige maagje ge-
splitst wil krijgen, al die veronderstelde
vaste waarheden maar die men je op wil
leggen.

Opoe, de moeder van de roodharige, was
het centrale punt van de familie, iedere
dag kwamen al haar kinderen (de zussen
en drie broers) naar haar huis gestiefeld
om daar met z’n allen minstens een paar
uur te blijven. Ook veel kennissen kwamen
regelmatig langs, mannen vooral, lekker 
aangetrokken door het rode vlammende
haar van de jongste dochter die er niet
onder gebukt ging, onder al die aandacht.
Zij was het middelpunt in het gezelschap,
zwierde rond in korte rokjes waaronder
haar lange benen niet te weerspreken
geil en uitnodigend uitstaken. Opoe was 
weduwe, haar overleden man, kapitein
op een schip geweest, liet haar een flink
pensioen na waar ze naar haar kinderen
toe heel gul mee was. Ook mij stopte ze
regelmatig wat geld of pakjes sigaretten
toe toen ze eenmaal aan me gewend ge-
raakt was. En dat ik maar met haar jongste
dochter naar de film moest gaan, dat wilde
ze graag. Ze wist uiteraard ff niets van de
voor mij zo beschamende nacht waarin
haar dochter mij, zwaar gemutileerd op
seks-gebied en ook nog maagd, geil en
lieflijk wilde neuken, maar dat door mijn
tehuisdompers optimaal verpest werd.
Goed, genoeg hierover, even iets anders,
even de zware taart een tikkie wegvagen
door het over een van die rode d’r broers
te hebben die autohandelaar speelde,
zo een die vanuit zijn huis handelde in
oude auto’s. Een echte ritselaar. Altijd had
hij wel wat staan liet je per ongeluk vallen
dat je op dat moment geen auto had. Kijk,
is het geen schatje begon hij dan, mooi
huidje zie je, en immer bereid om zich te
laten berijden heb je daar zin in, nee, ze
is werkelijk geweldig en kost haast niks.
Een paar dagen later stond je met dat
rokende en ongezond puffende geval
voor zijn deur om daar te horen dat de
garantie tot de hoek van de straat gold,
maar dat hij het euvel per vriendenbe-
drag wel wilde repareren. Jaren heb ik
zo in allerlei veel te dure oude barrels
rondgereden.