Spring naar inhoud

Brief (149) uit Schiedam

Net als met het schrijven is het
met de kunst ook al twee jaar
niets gedaan, zelfs geen mislukt
beeldje is er uit mijn handen ge-
komen, ja, is het na anderhalf
uur het gereedschap er bij neer-
gooien, gaan zitten staren naar
een muur van bewegende beeld-
en op de telebak. Het inktstorten
proberen door te zetten in deze
brieven is nu wellicht het eerste
krampje tot een verder doordoen
naar een net nog bestaan waarin
het zinvolle weer een lapje vrolijk
krijgt aangereikt om stug  weder
aan het werk te gaan ook al is het
met een kreupel klopspiertje dat
volgens de geleerde mannen in het
ziekenhuis nog maar voor twintig
procent werkt.

Brief (148) uit Schiedam

Eigenlijk wil ik er wel 250 schrijven,
van deze brieven, maar godver wat
een hoop moeite kost dat zeg zo na
mijn ziekenhuisbelevenissen. Hoog-
uit anderhalf uur per dag kan ik er
mee bezig zijn daarna zegt het ‘klop-
pend hart de dood ontkomen’ dat het
genoeg is, dat ik weer voor me uit
moet gaan zitten staren. Waar ik
daarvoor eerst zo’n twee uur een
beetje met tekst kon fröbelen voor
ik werkelijk op stoom kwam, moet
ik nu dus direct beginnen. Een heel
andere schrijfstijl waar ik na maan-
den nog altijd niet aan gewend ben.
Het is dus maar de vraag of die 250
wel reëel is. Als ik een briefke per
week schrijf, heb ik berekend, zal
ik honderd weken nodig hebben
om die 250 schrijfsels te halen.
Ongeveer twee jaar. Als ik dit
tegen mijn cardio zou zeggen
zal hij hoogst waarschijnlijk ant-
woorden dat optimisme een
schone zaak wil zijn. Maar alles
beter dan die twee collega’s van
hem met hun persimisselijke
kijk op mijn leven bijna twee
jaar geleden door van “een
wonder dat u nog leeft” te
spreken, alsook “doet u er niets
aan dan gaat u rap dood,” met
als oplossing: hup hulphartje
op batterijen.

Vandaag, op mijn verjaardag (12
november) komt Medicare de rol-
stoel repareren. Jazeker; rolstoel!
Sinds een klein jaar hebben Saskia
en ik zo’n ding. Ik om erin te zitten
en Saskia om het geval met mij erin
voort te duwen, want mijn gewonde
hartje weigert het om langer dan een
kwartier te lopen, daarna schreeuwt
de spier dat het waanzin is nog door
te gaan. En ja daar heeft het spiertje
altijd gelijk in want ’s avonds krijg
ik de rekening van mijn overmoed
toch langer te lopen gepresenteerd
in de vervelende vorm van een lek-
ker pesterige, zeer onregelmatige
hartslag. Negenenzestig (een jaar
ouder dan Gerrit Komrij geworden
is, mijn voorbeeld als het om spot-
tende stukjesschrijven ging) en af
en toe al in ’n rolstoel. Het is me
het carrièretje wel. En dan ben ik
nog niet eens klaar met mijn leven
wat die geleerde ziekenhuiswerkers
ook beweren, nee want ik krijg nat-
uurlijk ook nog de carrière van niet
meer in een auto mogen rijden, de
carrière van de scootmobiel, de car-
rière van een ligleven in een bed
achter een raam om tenslotte een
laatste carrière-vaartje nog te be-
leven verpakt in nep-hout per zo’n
glanzend zwarte auto die mij naar
een plaats brengt waar men mij in
rook zal doen opgaan, waar Saskia
nog een aantal uiteraard!!!!!!! hele
lieve woordjes dat ik o zo geweldig
was (….:.!.:….) tot mij zal richten als
laatste groet.

Moet ik het nog over de roodharige
hebben? Nee, genoeg over gezegd.
Over haar familie of het pleeggezin?
Nee, ligt zover van mij af inmiddels
dat ik met ’n bulldozer mijn herin-
neringen zou moet afgraven om er
nog iets zinnigs over te vinden. Mocht
er zo uit mijn geheugen eventueel
nog wat aan komen vliegen dan ja
dan… Of nee, nog een ding over de
roodharige, ze is later getrouwd
met een man die tijdens het huwe-
lijk met haar een sappig moordje
heeft gepleegd en daarvoor heel
wat jaren in een gevangenis heeft
gezeten, in die tijd ook kwam haar
belletje dat ze met mij in bed wilde
duiken, zie een briefje of wat terug,
eigenlijk had ze evenzogoed met
mij kunnen trouwen, toch ook een
cel-carrièretje achter de rug niet
waar?

Brief (147) uit Schiedam

Heel wat Onze Vadertjes moeten doen.
Voor iedere maaltijd. Handen gevouwen.
Ogen dicht en met z’n allen tegelijk hard
opzeggen dat gebed der gebeden. Nee,
met God was niks mis in dat tehuis,  zo
vond de leiding, alle zondagen werd Hij
extra geëerd in de kerk. Heus, ’n toffe Vent,
Hij had alleen ’s nachts wat meer Zijn al-
ziende lodderogen mogen gebruiken en
de geile groepsleiders in hun bepotel-
vingers mogen bijten. Maar blijkbaar
vond Hij het geen zonde dat gewriemel
aan jongenspikkies. Nooit heeft Ie een
bestraffend kikje gegeven, buiten het
gehijg van de grijpleiders bleef het dood-
stil ’s nachts. Ook overdag tijdens het
bidden voor de maaltijd helemaal niets
van Hem al moest je je vork boven de
boterhammen op je bord in de aanslag
hebben anders werd het brood door  
een van je buurmannen gestolen. Niets,
helemaal niets, nog geen zucht ook al
bad je je een ongeluk. Lette je niet op, weg
brood! Nietzsche had gewoon gelijk om
Hem dood te verklaren

Het duurde tot in Schiedam, mijn geloof in
die hemelbewoner. Het pleeggezin echter
deed niet aan spirituele hupjes. Ik was er
zonder die hupjes dan ook al snel een on-
noemelijke reep vanaf gewaald. Na een
paar maanden kwam dat Figuur in de hemel
bijna niet meer in mijn hoofd op als al-
macht waarin je geloven moest. Nooit meer
eigenlijk, al is het onmogelijk om je buiten
het religieuze gedonder te denken tegen-
woordig. Nog even en je hebt langs de ge-
vels te sluipen als ongelovige, daarbij zo
min mogelijk opvallen en de goden van
de gelovigen in alle gemoed uiteraard re-
specteren. Okay, ik overdrijf wellicht, toch
is het huidige reli-gedoe een belevenis dat
ik niet graag in mijn ongelovige maagje ge-
splitst wil krijgen, al die veronderstelde
vaste waarheden maar die men je op wil
leggen.

Opoe, de moeder van de roodharige, was
het centrale punt van de familie, iedere
dag kwamen al haar kinderen (de zussen
en drie broers) naar haar huis gestiefeld
om daar met z’n allen minstens een paar
uur te blijven. Ook veel kennissen kwamen
regelmatig langs, mannen vooral, lekker 
aangetrokken door het rode vlammende
haar van de jongste dochter die er niet
onder gebukt ging, onder al die aandacht.
Zij was het middelpunt in het gezelschap,
zwierde rond in korte rokjes waaronder
haar lange benen niet te weerspreken
geil en uitnodigend uitstaken. Opoe was 
weduwe, haar overleden man, kapitein
op een schip geweest, liet haar een flink
pensioen na waar ze naar haar kinderen
toe heel gul mee was. Ook mij stopte ze
regelmatig wat geld of pakjes sigaretten
toe toen ze eenmaal aan me gewend ge-
raakt was. En dat ik maar met haar jongste
dochter naar de film moest gaan, dat wilde
ze graag. Ze wist uiteraard ff niets van de
voor mij zo beschamende nacht waarin
haar dochter mij, zwaar gemutileerd op
seks-gebied en ook nog maagd, geil en
lieflijk wilde neuken, maar dat door mijn
tehuisdompers optimaal verpest werd zoals
ik al eerder naar voren haalde. Goed, ge-
noeg hierover, ff iets anders, ff de zware
taart wegvagen door het over een van d’r
broers te hebben die autohandelaar speel-
de, zo een die vanuit zijn huis handelde in
oude auto’s. Een echte ritselaar. Altijd had
hij wel wat staan liet je per ongeluk vallen
dat je op dat moment geen auto had. Kijk,
is het geen schatje begon hij dan, mooi
huidje zie je, en immer bereid om zich te
laten berijden heb je daar zin in, nee, ze
is werkelijk geweldig en kost haast niks.
Een paar dagen later stond je met dat
rokende en ongezond puffende geval
voor zijn deur om daar te horen dat de
garantie tot de hoek van de straat gold,
maar dat hij het euvel per vriendenbe-
drag wel wilde repareren. Jaren heb ik
zo in allerlei veel te dure oude barrels
rondgereden.

 

 

Brief (146) uit Schiedam

Eigenlijk heb ik de jongere zus
daarna nooit meer gesproken,
soms zag ik op straat die toen
al niet meer zo fikse bos rode
haar voorbijflitsen maar haalde
het niet in mijn hoofd haar te
benaderen, wipte haar uit mijn
leven zoals ik met meerdere
mensen deed. Of zij met mij,
dat kwam ook nogal eens voor.
Niet de meest leutige persoon
was en ben ik nog steeds, regel-
matig werd ik op feestjes uit-
genodigd, één keer, daarna niet
meer. Feestneus niet groot ge-
noeg waarschijnlijk. Geen pro-
bleem, want überhaupt geen zin
om zo’n neus op te zetten.

Ik slik zo’n 14 pillen per dag, toch
blijf ik een enorme honger houden
naar het leven. Je zou toch denken
dat een mens het wel welletjes zou
vinden zijn of haar leven nog door
te dansen op een sloot pillen. Mooi,
niet. Honger, honger, een niet af-
latende honger woelt er in mij. Al
zou ik het dubbele aantal van die
pillen moeten slikken nog vrat ik
het leven er bij op als was het een
culinair hoogstandje in een vijf
sterren restaurant, al heb ik nooit
in zo’n restaurant gegeten. Vreemd,
zeker als je ’t afzet tegen het laatste
stukje uit de vorige brief over een
bejaardenhuis waarin alles piept
en kraakt aan ouderen daar rond-
dolend zonder perspectief dan al-
leen hoe de volgende dag nu weer
door te komen.

De taart, denk aan de luchtigheid
van de taart meneer briefpenner!

Verliefd

Je lach
Je lopen
En bewegen

Je ogen
Je stem
Van helder glas

Als een
Heldere hemel

Bij zware regen

Schoon je
In mij
De laatste

Kras

Zouden de piep- en kraakgeluiden
sterk verminderen als je dit versje
aan genoemde ouderen liet lezen?
Ik denk dat er eerder een walm
van weemoed in troebele ogen gaat
stromen, bovenop het gekraak en
gepiep. Ja, zoiets als in dit gedicht:

Als

als bomen iel gewaaid
zijn vol met einde
en de lucht van aarde is bewolkt

als er geen verleden meer

gemaakt wordt
waarin grage stappen haken

de snelheid van
het heden alleen
nog op een stoel
wordt vastgelegd

als woorden schrijnen
in hun letters van
gedachte zinnen zonder zijn

als dan pas als het ware
knelt er weemoed in geraamde
ogen ergens achter een gordijn


Wat dat betreft kan ik ze maar beter
wegdonderen, die 14 pillen per dag.









Brief (145) uit Schiedam

Pepernoten, chocoladezoetwaren
en kinderspeelgoedreclames op tv
begin september, glimmende kerst-
zooi en vooral veel licht spetteren-
de lampjes aan oeverloze snoertjes
eind oktober. Het feestsfeertje wak-
kert weer in vol ornaat. Winkels
kwispelen puilend naar de voor
een feestje altijd wel te porren
klanten. Ook de oliebollenkraam
staat sinds twee weken verkoop-
lustig te walmen, weliswaar op
een andere plaats dit jaar, wat
meer gezellie (en voor het op-
hogen van de verkoop uiter-
aard) pal in het centrum van
Schiedam. Wel jammer, andere
jaren namelijk reden we er
dagelijks, als we boodschappen
gingen doen, langs en konden
zo af en toe vanuit de auto gratis
een paar van die bolletjes mee-
pikken die door een medewerker
van de bollenkraam reclamematig
werden uitgedeeld.

Maar goed, even geen sfeerge-
wauwel nu, maar harde feiten;
tot een aantal jaar geleden deed
ik nooit mee aan al dat opgeleg-
de feestgedruis, elke uiting ervan
hing me als een bal kots in de
keel. Nee, daar ging ik ff mooi
nooit aan beginnen. Vorig jaar
stond er ie dus. In mijn huis.
In mijn boekenkast. Een kerst-
boom! Weliswaar een dertig
centimeter hoog babyboompje
en zonder ballen of ander op-
smukspul, maar het ding stond
er wel. En nog naar mijn volle
tevredenheid ook. Waarmee
maar kan gezegd dat je een
sentimentele zak wordt zo
gauw je naar een bepaalde
leeftijd toe knikkebolt die
een treurige zak tranen van
je maakt ook al verzet je je
met nog een laatste beetje
kracht in je kreukbotten er-
tegen. Dit jaar zal er weer een
boompje staan want zoals ge-
zegd; gezellie. Zeker als het
zo vroeg donker wordt, een
donker als lijk je al in een urn
te vertoeven.

Over urnen gesproken.

Zevenenveertig jaar en zich hup
doodgedronken dus mijn jongste
broertje, ja die van het huilend
zwaaien achter het raam bij mijn
vertrek uit het tehuis, het broertje
waardoor ik in het huis van be-
waring heb gezeten heel vroeger
en waar ik het al over heb gehad
in een vorige brief en nu alleen
kort aantip vanwege het besproken
donker tijdens al de feestleut hier-
boven.

Nooit is de roodharige meer in mijn
bed gekropen, heeft waarschijnlijk
zo gewalgd van mijn afwijkend ge-
drag dat ze dat als immer begeerd
meisje niet meer wilde meemaken,
nooit meer zo’n raar, onervaren en
bang piemeljochie in haar armen
wilde hebben, zij die maar een lok
achter haar oor hoefde te leggen om
de mannen om haar heen tot hevige
neukbereidheid te brengen. Nee, niet
helemaal waar; dat nooit meer. Jaren
later, ik was rond 32 jaar belde ze me
’s avonds (nadat ik een avond achter
de bar van haar café had staan help-
en met oberen) op of ze langs mocht
komen, ze wilde met me vrijen. Niet
gedaan. Het vlammende haar was al
niet zo vlammend meer en ook het
tehuis zat nog te stevig in mijn vol-
wassen lijf.

Brief (144) uit Schedam

Een oudere en een jongere zus.
De zogenaamde pleegmoeder
was de veel oudere van de twee,
de jongste negentien jaar en van
een knoeiende schoonheid; de
erotiek lekte er met niet aflaten-
de stromen van af. Vlammend
lange lokken rood haar deden
er nog een bedwelmend schepje
bovenop. Een paar weken nadat
ik in het gezin was geperst door
een mij aangewreven voogd zei
de jonge tegen de oudere zus
dat ze die nacht bij haar in huis
bleef slapen. En zo geschiedde
het dat ze zo rond elf uur plots
tussen de lakens van mijn bed
schoof met de woorden ik heb
het koud. En zo geschiedde het
dat ze plots naakt tegen mij
aanlag en ik naar het uiterste
randje van mijn bed schoof en
zei niet begreep waarom. En zo
ook geschiedde het dat ik niets
kon of durfde zeggen over de
geweldige seksuele opleiding
die ik in het tehuis had genoten
middels  een paar al te geile
groepsleiders alsook met de
medewerking van de manke-
poot die mij de stevige angst
van geen meisjes benaderen
knalhard in m’n puberlijf had
doen groeien. Kortom zo ge-
schiedde het dat het hele bed-
gedoe op niets uitdraaide.

Volgens  de cardio gisteren gaat
het naar omstandigheden rede-
lijk wel met mij, ik heb er weer
een half jaartje bij gekregen zon-
der me om de  plaatsing van dat
hartpompje te hoeven bekom-
meren. Beter nog, het hele ding
kwam niet eens ter sprake tijd-
ens het spreekuur. Goed, waar
mij twee jaar geleden nog werd
gezegd dat ik een wonder ben
vanwege het feit dat er nog flink
wat beweging in mij ronddoolde,
mag ik nu dus weer wonderloos
zes maandjes verder plonzen in
dit bestaan waar de Trumpen,
de Erdogannen, de Putinnen,
de Kim Jung Unen, de Johnsons 
en nog wat andere loslopende
veel te bezige mannetjesputters
rondwaren als zijn ze eigenaar
van de wereld. Wat dat betreft
is er weinig reden tot juichen.
Maar komaan zeg, ik leef nog.
En het eigen leven is het enige
waar een mens zich echt om
bekommert zo las ik geloof ik
in een essaytje van Montaigne.

Dat het stel waaruit ik voort-
gekomen ben tot mislukken
gedoemd was komt zo vermoed
ik mede omdat de moeder Duits
was en na de tweede wereldoor-
log door mijn nog jonge vader,
gemobiliseerd voor de Arbeids-
einzatz, naar het voor haar vij-
andige Nederland gesleept is
waar ze zich op z’n minst ver-
schrikkelijk ontheemd en een-
zaam moet hebben gevoeld en
daarbij ook nog moest ontdek-
ken dat haar geliefde een notoire
zuipschuit bleek te zijn die zijn
gezin op de duur alleen nog ge-
bruikte om er te neuken en er
zijn o zo regelmatig opgelopen
drankroes uit te slapen. Zij er
na, zoals eerder elders gezegd,
vijf baringen genoeg van had,
zich uit het huwelijk wipte naar
een andere man zonder de vijf
baringen mee te nemen. Alleen
de allerjongste (een baby nog)
nam ze met haar mee die echter 
niet veel later (paar weken) door  
de kinderbescherming van haar
werd afgepikt om ook in het te-
huis te worden gedumpt want
dat was natuurlijk veel gezonder
voor zo’n ukkie dan bij de moeder
blijven. Nou, dat heeft dat ukkie
geweten, op zevenenveertig jarige
leeftijd was ie er al niet meer, had
ie zich hup de dood in gedronken.

 

Brief (143) uit Schiedam

Het stijltje laat nog steeds een fiks
draadje te wensen over zo zie ik in
de voorlaatste brief; te serieus. Het
moet vooral luchtiger. Net als een
grote taart die er zwaar uitziet
luchtig heeft te zijn bij het opkaken
anders valt het in elkaar geflanste
zoetding veel te zwaar op de maag,
krijgt men er braakneigingen van.
Ook bij mij loeit er dan ’n kotsneig-
bekje op, zo’n bekje waar niemand
tegenaan wil kijken, waarvan men
onmiddellijk het hoofd weg draait.
En al heb ik een paar brieven te-
rug gezegd dat mijn schrijfkwak
tegelijk met mij verbrand mocht
worden, wil ik er, voor de time
beiing, toch wel een ietwat eetbare
feesttaart van maken die in ieder
geval mij een klein nog net te lezen
disje bereidt. Trouwens een kots-
bekje heb ik in het verleden in dat
tehuis al veel te over gehad zo heb
ik ha ‘olijk’ laten zien in een vorige
brief. Maar ook, kotsbekjes, die hou
je niet zomaar even tegen, die over-
komen je, die zwellen in je op als
een lul van een groepsleider, on-
gewild in je pubermondje gepropt.

Vanaf een bepaalde leeftijd (ik dacht
16 of zo) mochten de jongens en de
meisjes in het tehuis naast elkaar
rond een grasveld lopen, weliswaar
een meter bij elkaar vandaan, daar
werd strikt op toegezien, elkaar aan-
raken was streng verboden, ene juf-
frouw mankepoot bewaakte op d’r
speciaal aangepaste fiets haar meis-
jes (ze was hoofdleidster over de m
eisjesgroepen) alsof heel haar eigen
maagdelijkheid in geding kwam, iets
dat ze waarschijnlijk nog had ook,
dat vliesje waar niemand natuur-
lijk aan wilde potelen vanwege d’r
onaantrekkelijke uiterlijk en dat o
zo manke pootje. Geruisloos kon ze
fietsen, maar niet geruisloos lopen.
Als een jongen en een meisjes elkaar
binnen die voorgeschreven meter na-
derden, gleed ze heel behendig achter
de rug van de twee overtreders van
haar fiets en tokbonkte op d’r gezonde
en manke pootje tot vlak achter de
twee en gilde dat ze uit elkaar moesten
op straffe van zeker twee weken binnen
blijven. Dus je liet het wel uit je hoofd
om ietsje richting je favoriete meisje
te schuifelen, nog eens extra geholpen
door de verwarring van de nachten
met lulvolle mond en angsten waarvan
je onbedaarlijk naar het kleinste dag-
lichtstreepje ging verlangen zodat het
in ieder geval zou stoppen dat onvrij-
willig potelen aan je lichaam.

Dinsdag naar de pillendokter, benieuwd
hoe hij vindt dat het met mij gaat en of
de pomp nog ter sprake zal komen, liever
niet want om op de stroom van batterijen
mijn leven verder door te doen is niet
mijn meest geliefde verlangen, edoch
voor een transplantatie ben ik te oud,
dat is vooral voor de wat jongere mens
weggelegd zo zei een cardioloog me
lompweg zo’n anderhalf jaar geleden.
Dus maar om een andere pilman ge-
vraagd, een die wat relaxter met mijn
situatie omgaat, wat minder lompweg
ook. Een zachte heelmeester eigenlijk,
ook al is er een spreekwoord dat zegt
dat zulke meesters stinkende wonden
veroorzaken. We zullen zien. Trouwens
na je zeventigste begint de mens zo af
te takelen dat je als achtenzestigjarige
je kan afvragen of je Überhaupt nog
wel een levensverlengende opkikker
wil hebben. Kom maar eens in een
bejaardenhuis; een en al gekraak en
gepiep uit kromgetrokken lichamen
die zeer moeizaam rond schuifelen
achter rollators, een schuifelen dat
nauwelijks nog lopen genoemd kan
worden alsook al die kromgetrokken
lichamen die dramatisch totaal zo
vergroeid zijn met hun rolstoel
dat er een zuigend geluid te horen
valt als ze uit de kussens van zo’n
ding getrokken worden door het
personeel. Nu ja, ik overdrijf dat
vergroeide en het zuiggeluid wel-
licht een beetje, maar een heel
veel vrolijker beeld er van maken
lukt me toch ook ff niet.