Spring naar inhoud

Brief (187) uit Schiedam

Zou ze nog leven juffrouw Haai? Zou die
Geurts nog leven, die van der Ploeg en de
hopman van de padvinderij, mannen die
mij waarschijnlijk begeerlijk vonden, niet
van mij af konden blijven. En de juffrouw
die uit sadistische neigingen ook niet van
mijn lijf af kon blijven per stoffer en beuk-
vuisten. Enfin, over het voorgaande heb ik
het al uit en te na gehad, meer ben ik hels
nieuwsgierig of ze nog leven, of ze nog wel
eens aan mij denken, de mannen daarbij
met een laatste zielige prikkeling in hun
genotsstengel zonder er nog wat mee te
kunnen dan in dunne straaltjes eruit pis-
sen in een luier, de juffrouw haar nagels
van de vingers zwak nog in de door ouder-
dom verkreukelde handpalmen drukkend
van verdriet om het verlies haar neigingen
nog te kunnen botvieren met in haar hoofd
mijn van angst sidderende lijf, de kont bloot
voor de stoffer. Vijfentachtig, negentig jaar
hebben ze minstens te zijn, hun leven wel-
licht al voor negentig procent weggezakt in
rolstoelen of klam kreunend achter rollators.


Dat ze nog lang mogen blijven leven!

De roodharige leeft zeker nog, af en toe spuit
ze wat rarigheden over mij rond zo hoor ik
van mensen uit mijn en haar omgeving. Leuk
vind ik dat, het geeft mij het genot dat ze nog
altijd met me bezig is die nu niet meer zo lek-
kere rooie. Andersom geldt dat natuurlijk ook,
een stevig deel in ’n door mij geschreven boek,
Beddengoed, gaat over Elles, zoals ze zich later
noemde (in mijn tijd heette ze Alie, rooie Alie),
dus wederzijds dat tot nu bezigzijn met de an-
der.

Herinneringen, wellicht wekken ze bij de rood-
harige boosaardigheid op omdat ik destijds
niet met haar naar bed wilde na een smeek-
telefoontje van haar, of mogelijk is ze jaloers
om de een of andere voor mij onduidelijke
reden dat ze zulke rarigheden over mij rond
bazuint. Zin om het haar te vragen na al die
jaren? Nee!

Genoeg oud zeer weer even.















Brief (186) uit Schiedam

Een uurtje geleden heeft de bloedprik-
juffrouw van de trombosedienst een
gaatje in mijn arm geramd om daar-
uit, via een naald, een stroompje van
mijn edele bloed te verkrijgen en in
een buisje te laten lopen om vervolg-
ens dit mee te nemen naar het zieken-
huis alwaar er allerlei voor mij duistere
dingen mee wordt gedaan. Om de
twee, drie weken, het varieert nogal,
komt juffrouw Naald het bloedritueel
herhalen, altijd in dezelfde arm (de
rechter) laat ik mij braaf beprikken.
De ader onder mijn huid moet inmiddels
een gatenkaas lijken want als ik schat
hoeveel gaten er vanaf het moment
dertig jaar geleden dat mijn hart er voor
een deel de brui aan gaf in zijn geboord
moeten het er honderden en honderden
zijn, zeker als ik alle bloedpriksels in
het ziekenhuis tijdens de vele opnames
er bij reken. Liters van een kostbaar en
edel goedje zijn mij zo ontnomen, mijn
hele bloedhuishouden zal, zo gok ik, al
een keer of wat helemaal vernieuwd
zijn met dat wegnaalden van al dat
bloed. En waar is het allemaal gebleven,
waar laten ze dat spul als ze met hun
gegoochel aan mijn goedje klaar zijn.
Bloedworst er van bereiden? De resten
mee naar huis nemen en aan hun huis-
dieren voeren? Bottelen als Pleegzuster
Bloedwijn? In vette films gebruiken voor
levensechte wondeffecten? Er verf van
maken voor kunstschilders? Het bloed-
plasma er uit slopen? Heus allemaal
redelijk nuttige mogelijkheden zo wil
ik wel denken, maar ook dat ze het zo-
waar gewoon door de gootsteen kun-
nen laten weglopen als onbruikbare
rotzooi. Ik denk het laatste want er
worden hier thuis door mij veertien
pillen per dag geslikt, in tien dagen dus
honderdveertig, in een maand vier-
honderdtwintig en in een jaar zo’n
kleine vijfduizend. Zoveel pilspul,
dan wil dat door juffrouw Naald ge-
tapte sap toch zeker eh volledig be-
dorven zijn? Wel fijn hierbij is het
idee dat het coronamonster geen
zin heeft in mij allerlei verwoesting-
en aan te richten door al dat pillen-
drab, het zou zomaar kunnen dat
Mien Corona rechtsomkeer maakt
ziet ze mij in verre verten aan komen
rollen in mijn invalidenkar met een
wolk van pillengif om mij heen walm-
end als was ik een professionele pillen-
makerij. In dat mannetje moet ik niet
zijn zal ze dan geheid denken en maakt
in grote druppelstappen dat ze wegkomt
naar een ietwat minder giftig lijf ter sloop.






Brief (185) uit Schiedam

In Schiedam werden de meeste corona
boetes uitgeschreven door de boas. 592
zo vond ik op het internet. Da’s een flin-
ke duit voor de Schiedammers, maar ha,
hun en mijn stadje is wel eindelijk eens
ergens kampioen in. Dus lang leve de
boasjes. En ook dank lieve boasjes, kan
Schiedam weer even genoemd in dit
schrijven want dit briefgedoe wil nat-
uurlijk niet voor niets de titel brieven
uit Schiedam voeren, daar moet de
plaatsnaam wel af en toe in voor kom-
en, af en toe, dus wel weer genoeg Schie-
dam wat de klok heeft mogen donderen.

Vreemd, steeds minder behoefte aan
lezen, af en toe een uurtje wat letters
vreten uit mijn e-reader dat is al een
hele prestatie, niet eens iedere dag wil
dat het geval zijn, soms dagen niks dan
naar de televies kijken en wat tijd door-
brengen in de buitenlucht om de brood-
nodige beweging te bewerkstelligen,
voorgeschreven door de hartspecialist,
liefst twee maal 15 minuten maar dat is
mij teveel, een keer per dag dat kwart-
iertje eruit persen in behoorlijk veel
ademnood is het uiterste wat mijn hart
en ik nog kunnen bewerkstelligen, daar-
na plof ik in de meegenomen rolstoel die
Saskia, op dat moment de fijnste meid
van de hele wereld natuurlijk, nog uurtje
voortduwt terwijl ik met mijn zieke lijf zit
uit te hijgen van godver toch wel een heel
eind dat kwartier lopen, nu ja lopen, het
is meer met wankele benen, als van een
bejaarde, mij moeizaam voortbewegen
vol verlangen naar de vijftiende minuut
om dan neder te kunnen ploffen op het
gitzwarte kussen van de invalidekar. Een
wonder is het hoe snel een mens zich aan-
past aan veranderende situaties, liep ik
samen met Saskia een klein mensenleven
geleden in de Ardennen zomaar hup vier,
vijf uur over heuvel en dal, nu is een kwart
stukje uur al een hele prestatie. Maar on-
gelooflijk hoe wij kunnen genieten van
dat uurtje buiten wandelen, we de zon op
onze huid kunnen laten neerkletteren,
de wind langs alle vouwen en vetlagen
kunnen laten razen, zelfs als het regent
zouden we naar buiten willen gaan maar
dat doen we dus ff mooi niet want dan
worden we nat en daar zijn wij, of beter
gezegd ik, niet voor op de wereld gedropt,
tenzij het 40 graden is, maar dan blijven
we sowieso binnen vanwege ’t verrekte
hart van mij dat van zulk een tempera-
tuur bang als de dood wordt en dat wil
ik dus even niet, doodgaan, zeker niet
nu ik met behulp van Saskia nog zo lek-
ker rond kan rollen al is het in een be-
perkte wereld tijdens dit zo verdomde
coronatijdperk waarin zoveel niet meer
mag.









Brief (184) uit Schiedam

1 juli en ik voel niks! Ja, mijn hart dat
onregelmatig klopt, maar dat is niet
vanwege Ruttes gevierde teugels, het
is, zoals bekend, meer omdat het een
slap aftreksel is van wat het ooit was
en van wat het nog altijd had moeten
zijn; een zeker in coronatijd fier werk-
end geval. Helaas het ding is te voor-
tijdig met de fierklop gestopt een aan-
tal jaren geleden (zie vooral voorgaan-
de brieven over het hoe en wanneer et
et et et et et et et et et et et et cetera
en ook kan ik niet beloven ’t er nooit
meer over te hebben).

Voor mijn gevoel al een onnoemelijke
tijd geen gedicht meer geschreven. Een
gevoel waarvan ik me afvraag of ik het
al die tijd erg heb gevonden. Ik bedoel
ik heb niet hele dagen lopen janken dat
er geen vers of stroof door mij in deze
wereld is geplempt. En zo ook jankte de
wereld niet dat ze niet is verfraaid met
een ongelooflijk fantastisch erg te mooi
gedicht van mij. Zelfs het huidige corona-
geval spoedt mij niet aan tot een poëtisch
uitbraaksel. Dus wat de verskunst betreft
geen gedoe er meer mee in deze brief.
Overigens, met de rest, zoals aan een
boek nog een keer prutsen, redigeren,
columns schrijven, verhalen schrijven
en nog wat ander lekspul is het droevig
gesteld, nee geen ramp, want dan zou
ik fiks overdrijven, zeker gezien de ver-
wachtingen vanuit de wereld eh…

Daarom nog maar een stukje uit het dag-
boek van een fiks fiks aantal jaren geleden:

9 dec. 1989 11.30
Buiten is het stil. Dat is het al jaren. Mensen
glijden als niet bewegende schaduwen langs
mijn raam. Alleen een hand beweegt. Op-
gestoken, om naar mij te zwaaien. Ik
zwaai terug. Een leven zonder woorden.
De kennis van tien woorden is genoeg om
aan dit dagelijkse schouwspel mee te doen.
Hallo hoe gaat het? Goed. Nou tot ziens
maar weer hé. En verder gaan we weer.
Naar onze veilige hokken. De straat ligt
vol met angst en zal als je te langzaam
loopt zich zo aan je schoenen vast vreten.

25 febr. 1990 11.30
Ik ben er nog steeds bij!
Wel steeds dieper zinken (in gedachten).
Lichtpunt; een zwarte kaars die niet brand.
Lezen; niets!
Leven; zonder energie, dus vegeteren.
Zien; ontluikende natuur, heel vroeg dit jaar.
Schrijven?; ha ha ha.









Brief (183) uit Schiedam

abcdefghijklmnopqrstuvwxijz

Zo, hiermee is zo’n beetje alles
wel geschreven. Het zou toch
lekker zijn als je als schrijver
hiermee klaar zou zijn. Dat de
lezer zijn of haar eigen verhalen
maakt uit deze reeks letters gaf
je je boeken uit met alleen deze
zo beroemde abc-regel ook wel
bekend, zo mag ik toch wel ver-
onderstellen, onder de naam al-
fabet.

Slapend rijk toch zeker!

Helaas zit de wereld een beetje
knellender in elkaar. Lezers steken
direct hun middelvinger op deed
je als schrijver dit makkie aan hen
verkopen om het maximale aan
geld en bewondering te oogsten,
of realistischer wellicht, je hersens
zouden tot pulp geslagen worden,
je geschonden lijf op een stapel van
je boeken verbrand worden en de
as daarna met hardleren laarzen in
de kleigrond worden gestampt of…

Nu ja, eh… vul maar in.

Enfin, het is, zoals wel vaker, weer
zo’n dag dat ik niets te schrijven
heb. Niets maar dan ook helemaal
niets komt er uit mijn vingers dan
bovenstaand gebrabbel over hele-
maal niets!!! Ik kan net zo goed
terug in mijn bed glijden om de
lakens te verwennen met mijn aan-
wezigheid, er in mijn nietserig-
heid fikse kreukels in gaan liggen
draaien, daar dan een aantal
foto’s van maken, die in een boek
plakken, er schoon bij schrijven dat
het landschapskunst is, weer terug
het bed inschuiven, lekker duttend
wachten tot het geld binnenstroomt
en zo aan het eind van mijn levens-
bedoening met het idee sterven dat
ik heel geweldig wat gepresteerd heb
in het leven.

Kan allemaal.

Maar, corona is ook nog altijd doende.
Niet dat ik daar weer over wil schrijven,
maar het is over een dag 1 juli, de dag
waarop Rutte en knechtjes de teugels
flink wat laten vieren, Nederland weer
een beetje Nederland mag worden, de
klompen van vreugde weer mogen klos-
sen op onze kleibodem, er het schuim
van de hielen van koning alcohol weer
uitbundig mag worden gehapt op de
terrassen, de ingeslapen spieren fijn
op allerlei schooltoestellen kunnen ge-
dropt weer om het lijf toch vooral puik
te doen lijken, de zee weer kan stranden
op de onmetelijke bubs bijna naakte
zandhoppers die als een vleselijke muur
haar zoute zeewater zal stuiten, het
straal vliegend tuig dat weer mag vol-
gepropt met voor corona onbevreesde
lijven die niet anders kunnen dan echt
op vakantie MOETENMOETENMOETEN.

Heus het zal voelen als bevrijdingsdag.


















Brief (182) uit Schiedam

Nou, toch maar niet, dat dode toetsen-
bord, toch ook nog maar even niet de
deleteknop zoals ik mezelf in de vorige
brief aansmeerde, gewoon hoop houd-
en dat het ooit heus nog wel wat wordt,
dat er op een dag een brief, verhaal of
gedicht uit mijn vingers druipt waarvan
de hele wereld Nederland uit de lang al
ongebruikte klompen schiet en heel de
wereld Buitenland eindelijk eens van ‘t
verrekte beeld afkomt dat heel de wereld
Nederland nog altijd van die belachelijk
houten gevallen draagt. Blijven mooi al
die Chinezen, die verdomde coronaprut-
sers, lekker weg uit heel de wereld Neder-
land. En nu we het toch over corona heb-
ben, we mogen van de heer Rutte vanaf
1 juli weer met zijn allen in de zon zitten
samen.

EINDELIJK.

Hoewel, die verdomde frotsbal straalt
op dit moment zo hard dat het, wat mij
betreft, niet uit te houden is buiten. 1
juli is nog een kleine week niet aan de
orde, dus leve Mark voorlopig!

Ooit schreef ik een gedichtje over zon
en aanverwante zaken:

100% katoen.

Juni, de zon is er, en er zijn terrasjes.

Er is ijs genoeg.
Er is bier genoeg.
Er is wijn genoeg.

Hartige hapjes geen probleem.

Er zijn boten.
Er zijn bootvluchtelingen.
Er zijn dode bootvluchtelingen.

Juni, de zon is er, en er zijn terrasjes.


Toen: bootvluchtelingen en zon.
Nu: een vet virusje en ook zon.

Het gaat best wel prima met de wereld.
Hooguit trappelt er een financiële crisis
op de virusduikplank van de economie,
een dipje dat de hele wereld met een sterk
vermagerde geldbuidel zal opschepen,
wellicht zal er dus ook volgend jaar niet
uitbundig van de terrasjes genoten kun-
nen worden want te arm, maar voor de
rest gaat het, zoals gezegd, prima ver-
domme nog aan toe.







Brief (181) uit Schiedam

Een paar dagen geleden tussen oude
schrijfrommel een dagboek gevonden
van jaren en jaren geleden, uit een tijd
dat een eerste voorzichtig stapje in de
literatuur wilde gezet. Stukjes eruit ge-
lezen en eh… nu ja…

KROMME TENEN.

Bewijs:

Klein leven, zo zou mijn leven om-
schreven kunnen worden. Het beperkt
zich tot een paar contacten met mensen,
hoewel die contacten wel diepgaand zijn
(urenlange gesprekken). Dus klein leven
maar dan wel groots.

Woorden rangschikken tussen regels.
Ik krijg het niet voor elkaar.
Mijn pen schrijft anders dan mijn gedachten.
De weg is te lang, te moeilijk.
De druk van binnenuit wordt steeds groter.
Er moet een uitweg zijn.

Mijn omgeving denkt dat ik veel schrijf en
ooit eens wat zal publiceren. De werkelijk-
heid is; zo’n twintig gedichten waarvan er
maar twee of drie redelijk zijn. Twee korte
verhaaltjes die nog niet eens een voldoende
zouden halen op een tentamen van een mid-
delbare school…


Eh ja… tenenkrommend!

Maar ook: is het nu heel veel anders? Want
bijna de dubbele leeftijd nu en zeker sinds
brief 135 weer alleen dat gepeuter in de ei-
gen navel waarvan de inhoud in vergelijking
met vroeger niet eens zo heel veel rijker aan
prut is. Nog even en men gaat, komt men mij
tegen, zeggen; “Ha daar heb je Eigen prut is
goud waard“.

Wellicht moet ik voor de rest van deze brieven-
schrijverij met mijn vingers op een toetsenbord
gaan zitten hameren dat niet aangesloten is op
de computer. Of op het eind gewoon de delete-
knop indrukken, hup met een vingertik de hele
mik op de verdwijnstapel tjoepen alsof er niets
gebeurd is.

Help.








Brief (180) uit Schiedam

Een grote week niet geschreven aan
deze reeks, het gezondheidsbeestje
had weer even wat zin om te etteren,
liet mij een fiks aantal dagen, als een
vis na een mislukte zelfmoord, naar
adem happen en nee, het was niet ‘t
coronading wat aan de gang was ge-
gaan in mij, gewoon een stevige ver-
koudheid wilde zo nodig in mij beest-
vieren. En het is algemeen bekend:
“Wat te doen bij arbeidsongeschikt-
heid”, gewoon ff niet werken en dat
heb ik dus maar een wijle gedaan.
Wederom alleen maar naar de tele-
bak gestaard en soms een poging ge-
daan om wat te lezen in enkele dicht-
bundels maar de verkoudheid en het
naar adem happen waren te sterke
tegenstanders, hooguit af en toe een
half gedicht heb ik kunnen verstouw-
en tussen snottebel en rauwe lippen
door.

Steeds vaker vraag ik me af of de
laatste 45 brieven (vanaf brief
135) niet teveel op dagboeken zijn
gaan lijken met al dat persoonlijke
geneuzel over mij en mezelf en nog
meer mij. Of ik niet beter die 45
brieven onder een ietwat andere
kop zal moeten plaatsen. Iets als
“Dagboekbrieven uit Schiedam”.
Of beter nog wellicht, gewoon dag-
boek, of nog nog nog nog beter,
helemaal stoppen met schrijfsels
over mijn beleef waarover toch
al weinig te zeggen is in woorden
die noodnodig een brief een beetje
interessant gaan laten dansen want
de dood kijkt natuurlijk al een fiks
tijdje mee op mijn linkerschouder.
Als een heerser over mijn leven zit
dat doodsgeval te bokken naast mijn
hoofd, braakt allerlei dingen in mijn
oren zoals waarom nog gedichten
lezen als ik je eerdaags toch kom
halen naar mijn eeuwige niets, een
niets waarin gedichten en ander
leesspul van generlei betekenis
meer zijn, waar überhaupt niets
meer bestaat dan alleen de staat
van niet zijn. Daarbij buldert die
bleekscheet van het lachen, slaat
zich op de borst, roept, niets niets
niets. Gelukkig zit op de andere
schouder een vlinder met de be-
vallige naam “Nieuwsgierigheid”
die af en toe hevig met zijn vleu-
gels klappert, daarbij een bijna
storm veroorzakend die etterende
bleekdonder eenvoudigweg een
tijdje van mijn linkerschouder
veegt zodat de behoefte aan lezen
en schrijven in deze brieven weer
aanwezig komt te woelen in mij
zonder de negatiefkots van die
niets-boer. Nu echter zit de vlinder
met vleugels en ogen dichtgeklapt
al een flink aantal weken te doeze-
len en benut Pierlala met dodelijk
plezier alle ruimte opnieuw om in
mijn oor allerlei anticreatiefstof te
brullen om mijn ongewilde gang
naar een al te eeuwigheid vooral
te bespoedigen en gezien mijn stil-
vallen hierboven beschreven gaat
het hem verdomme welhaast nog
lukken ook.












Brief (179) uit Schiedam

Corona, corona, almaar corona, corona!!!

Daarom met huid en haar dit coronading
nu lekker even buiten mijn beleving from-
len als is het een horzel waarvan ik, als lijk
ik een paard, veel te dolle draafhuppels ga
slaken. Huppels waarvan ik, zo is mijn hy-
pochondrische vrees, net zo ziek zal worden
als genoemd virusgeval.

Iets over het olijke gezin waaruit ik ont-
sprongen ben dan maar.

Met zijn vijven waren we thuis. Dat wil zeg-
gen met vijf kinderen, de Duitse en de Neder-
lander die ons na het oorlogsavontuur tijdens
een nogal turbulent huwelijk zo nodig op de
kapot gebombardeerde wereld moesten stort-
en even niet meegerekend, vijf kinderen waar-
voor drinkebroer vader uiteindelijk geen zorg-
gevoel wilde opbrengen te belangrijk als hij
het zuipen vond, vijf kinderen waarvoor de
teleurgestelde Duitse niet meer wilde zorgen
toen ze wegvluchtte van drinkebroer vader
die haar maar bleef meppen in zijn dronken
buien, vijf kinderen die in een tehuis werden
gedropt na rijp beraad van de lieve familie
die even geen zin had ons op te vangen om
dat tehuisgedoe koste wat het kost te voor-
komen zo wil ik graag achteraf concluderen
uit een tikje nog steeds aanwezige woede die
maar niet wil verdwijnen ook al is het een
wet van Meden en Perzen dat je als je ouder
wordt een zekere mildheid over je moet laten
neerdalen die alles nuanceert naar niet meer
heel erg ter zake doende beleefdingen uit het
verleden ook al hebben die je halve leven ver-
pest, vijf kinderen dus die niet opgegroeid zijn
bij die Duitse en die drinkebroer, vijf kinderen
die van de ene ellende (drinkebroer vader
mepte ook zijn kinderen regelmatig) in de
andere ellende werden geflikkerd want ook
in het tehuis konden ze net als drinkebroer
vader er stevig op los meppen zodat de vijf
kinderen er een lekker fraai begin kregen in-
geramd aan het begin van hun leven zo mag
wel even lieflijk gesteld (en ja ik ben me er
van bewust dat ik in deze brieven al wat
eerder iets heb geschreven over dit alles,
maar dat laat niet onverlet dat ik de pukkel-
tjes, opgelopen tijdens die periode, nog al-
tijd, hoewel vervaagd, lekker over mijn
huid voel scheren en er bij tijd en wijle wel
ff aan heb te krabben hoe bezwaarlijk het
voor het origineel kwekken in deze brieven
ook mag zijn). Met zijn vieren – de baby had
de teleurgestelde bij vertrek uit het mepgezin
meegenomen naar elders, ik weet niet waar-
heen, ook nu nog niet – in het tehuis geplempt
als veel te vuile en overbodig geworden was.
De eerste twee jaar kwam ik bij ene juffrouw
Haai terecht samen met mijn twee zussen
waarvan de een, Corrie, iets ouder was dan
ik. Juffrouw Haai haatte kinderen, want een
groot mep- en vernederingsfestijn strooide
dat mens dagelijks over de kinderen uit, voor-
al de achterkant van de stoffer waarmee niet
misselijk op blote kinderbillen werd gemept
en het onkinderlijk urenlang in de hoek staan
waren favoriete straffen bij dat Haaimens.

Maar eh, weer even genoeg hierover, men
zou verdomme nog gaan denken dat het een
heel dik trauma is geweest dat nog immer
rondspringt in mijn nu door dat coronage-
val beheerste leven, echter, zo erg speelt
het niet meer. Nu ja, niet al te erg. Destijds
natuurlijk wel, toen werd mijn angst en
wantrouwen voor mensen, door mijn mep-
vader toch al vrolijk aangewakkerd, totaal
in mij geramd door dat Haaimens en…

Eh, tijd voor een gedicht geloof ik.

Hand van minder goed naar bloemen

‘leef je alweer?’

te klein bevlekt geheugen
boven lendenen krantverdoofd

‘en Giethoorn is toch ook leuk’

op de stenen doodloop hupt
een miniem cirkeltje rond

de schaar!
de schaar!

maar de ruimte laat zich koeioneren
in de hoek al snel een gat
waarachter een beer
meer poten verzet dan je dans lief is

(knip)

de kleren nieuw
de schoenen gepoetst
de bril vers opgestoken

want ook Giethoorn-









Brief (178) uit Schiedam

Nee, ik ga het niet over Femke en de
coronamensjes hebben die lustigjes
maar rondstampten op de dam zon-
der de Rutteregeltjes in acht te nemen.
Dat doet heel Nederland al zeer veront-
waardigd. Alsof heel Nederland zelf nooit
iets fout doet. Vooral de politiekers van
heel Nederland lopen maar wat graag te
hoop op de kijkbak om Halsema op de
brandstapel te smijten, of in ieder geval
willen ze dat Barbertje (zoals Multatuli
al eens verhaalde) moet hangen.

Wonderlijk toch om te zien dat dingetje
Corona niet alleen vlees dood maar het
ook nog eens, vooral dus in politiekers,
heerlijk laat trillen van dubieuze aan-
doeningen waarbij vooral het eigen po-
litieke kontje met een fijn en zacht be-
haarde borstel arglistig wordt schoon-
gepoetst om vooral zelf te schitteren als
een niet-Barbertje.

Maar zoals gezegd: Geen Femke!

En ook niet over het weer!

Hoewel het, pech voor Femke, de laatste
dagen wel mooi was dat weer. De zon
danste al zijn stralen uit over klompen-
land of er heel geen iets als een corona-
dingetje bestond in lijven boven al die
wooden shoes (zoals de klompjes in het
buitenland genoemd worden). Een zon-
netje waarvan de meeste Nedermensen
naar buiten braken om de coronablub-
ber uit hun lijf te laten stralen waarbij
een ondeugend aantal ook al Ruttes
regeltjesdroom vertrapte. Met of eh
zonder klompen.

Net E. Busken van Jeroen Brauwers ge-
lezen. En godver dan kan je als bejaar-
de je beter heel gelukkig prijzen als het
coronadingetje over je nederdaalt om
je met een beetje adempijn de dood in
te jagen gezien het verhaal van de hoofd-
persoon van het boek; een oude man
(zeer hoog opgeleid volgens hemzelf)
die na een val op zijn achterhoofd tegen
zijn zin in een verpleeghuis moet ver-
blijven daar net doet of hij doof is en
niet kan praten, maar ondertussen
allerlei giftige gedachten in zijn hoofd
krijgt als reactie op de psychiater, de
psycholoog, de verpleging, de leiding
en de bewoners van het verpleeghuis.
Eigenlijk op iedereen bromt hij vanuit
zijn zelf vermeende geleerdheid met
uiterst negatieve maar prachtig gefor-
muleerde gedachten. Een genot om te
lezen dit boek, vooral vanwege het
virtuoze taalgebruik van de schrijver.
En nu maar hopen dat hij niet door dat
coronalieverdje zal worden gegrepen,
die schrijver, want op een leeftijd dat
hij heel fiks bij risicogroep mag behoren
met zijn meer dan tachtig jaar achter de
ribben te hebben gehangen. En voor mij
hoeft het ook niet dat coronakleddertje,
ook ik heb me ras bij de risicogroep te
scharen volgens de virusgeleerden die
inmiddels als specialist ook al specialist
zijn geworden in het stuipen op ieders
lijf jagen.