Skip to content

Brief (132) uit Schiedam

Stukje.

Of:

Waarom koeien nooit ’s ff omhoog kijken.

Een hoge berg waarop een wat lallende koe
’t wil naar het schoon gewaande dalletje toe
te vol van al te dolle malse groene weiden
wil ze, toch koe, een leven als koe weer leiden
over de rand kijkt ze heimweeïg naar beneden
totaal en knots in de war haar brein versneden
potver hogerop is weinig graas nog te behalen
hier moet ik als koe ja te duur mijn lot betalen
zo in het hoog te leven is zo niks ik geef het op
dacht ze almaar droever wordend aan de top

heus de weiden bleven in haar kop fiks dollen
nog een tel en ze ging verdomd de berg af rollen
op tijd bedacht ze dat d’r hoeven zullen splijten
deed ze zich onvervaard van de berg af smijten
om van haar tieten sowieso maar niet te spreken
danig zullen ze van het hevig dalen openbreken
net zo haar staart al sloeg ze die om elke boom
’t hielp haar mooi niet aan een reddingsdroom
van ’t geraas alsook gedonder snelden haar poten
als luciferhoutjes knakknak volledig naar de kloten
haar kop ja sloeg alras flink tegen de berg tekeer
geen sappig weitje vloeide in haar hoofd nog neer
haar ogen trouwhartig als ze veelal kunnen zijn
gebroken op de bergflank vergingen ze van pijn
haar buik waarin een kalf zou moeten groeien
er gingen stenen van de flank in liggen knoeien
ja zelfs de horens kraakwreed zouden ze bonken
nooit meer om een fraaie puike stier nog lonken
zo’n lief zou van haar lijf te mies van het kraken
de gedachte aan een fikse stootpartij ras staken
zo bekeken is het wellicht ff beter niet te lallen
toch zou ze,  heel koe, nog eens graag bevallen
edoch t’ dal zal naar deez donkere feiten gekeken
heel dra uit haar koeienkop toch moeten breken
aan de top verdomme heeft ze te blijven hangen
stil berustend in haar eigen erge lot gevangen

een zwaluw frank en vrij boven haar gevlogen
wiebelde met z’n snelle staart van mededogen
ook de wolken werden plots grijs van zinnen
en hielden als troost hun regenbuien binnen
de zon echter deed al het loos gekoe met felle
stralen te grof naar prut en pruts verschralen

en zo werd het natuurlijk chaos daar kon je
de graastijd op gelijk zetten, een koe met van
alles boven haar kop en in te groot verlangen
onder de horens daar wil het leven dolgraag
wel een tikje aan gaan tornen tot zelfs  aan
de naden van de evenaar want een koe op de
top van een berg is geen pakje van een cent
nee zeg daar zou sinterklaas zich zelfs aan
vertillen al kreeg die oude bak alle hulp van
de Kerstman er gratis bij, chaos alom daar op
die bergtop dus waar ook de sterren de maan
en zelfs sterrenstelsels een deuntje in het zakje
er heel graag bij gierden, zo’n uitgelezen kans
was in het hele heelal nauwelijks te grijpen;
een koe helemaal opgeklommen naar de top
die voor alle graasvezels in d’r melklijf naar
het dal terug wilde daar schudde zowaar de
eeuwigheid zelfs een stevige ribbel van op,
het is dat God niet bestaat anders had Hij er
zich ook nog heilig tegenaan gaan zitten be-
moeien in een almacht Hem in alle ril aan-
gewreven door ons mensen omdat we zelf,
net als de koe, al te bang zijn om geheel op
eigen topje door het leven te tuffen, enfin
de koe raakte zoals we zagen van dit alles
een stormpje in paniek en flikkerde zichzelf
dus ondanks of juist dankzij al die bemoeie-
nis van zwaluw, wolk en zon boven haar
bedrukte kop in onmacht van de berg af
met toch wel ff de belangrijke kanttekening
dat niet hoeft benadrukt dat het ongerijmde
hierboven in rijm gegeven zich op de koe
aanvloog met een wellust die bijvoorbeeld
alleen stieren zich kunnen permitteren in
een plots door een tochtige koe veroorzaakte
geile bui omdat ’n wiefke met vol bescheten
dijen tochtig hem willig staat aan te lonken
als was het Brigitte B. in hoogst eigen per-
soon die zoals bekend hier en daar wel een
paar mannen het hoofd op hol bracht in het
verleden daar echter al een tijdje mee klaar
is in de hoedanigheid van oude dame die ze
nu is en vandaaruit marmottige dieren onder
de buikjes kietelt ter compensatie en heus
wel ook om het erge feit dat wij mensen nogal
onaardig tegen dieren kunnen zijn zo voelt ze
heel eerlijk waar tot in haar graag niet gewilde
rimpels en zo ook past in dat beeld de onfor-
tuinlijke koe voor een deel als voorspeld be-
hoorlijk aan flarden gehusseld door de steile
en ruwe bergflank zodat de altijd bereid zijnde
stier zich zoals ook al voorspeld in rap tempo
van haar afdraaide en deze hele van top naar
dal stort een diepe treurnis voor haar ging zijn
en ze nooit meer haar blik zal op richten om
’s even te kijken wat er allemaal gebeurt daar
boven haar van gras en graas vervulde kop.

Het kan zomaar plechtig zijn

stenen / platte stenen
de rivier ketst ze
in een heg rondom een speelplaats

een brulboei loopt schreeuwend
de omgeving schraal te schrapen
een vrouw met watten in haar nogal lege bh
zegt ‘schoonheid is tastbaar’

in de vijver geeft
een meerkoet een
waterhoen een zoen

de brulboei gooit een raam in
de watervogels schrikken uit elkaar
de vrouw plukt de watten weg
zegt – haar bh herschikkend- :
‘mij blijft schoonheid tastbaar’

Brief (131) uit Schiedam

Zo, eindelijk een muizenval gekocht. Niet
zo’n ding waarin een muis direct met huid
en haar aan de martel wordt overgeleverd
tot een verlossende dood er op volgt. Eerder
een fraai kooitje is het, waar het muisje op
zijn of haar gemak tijdens een gedwongen
verblijf het te grote stuk kaas dat ik er hoop-
vol in heb gestoken tot moes kan verknab-
belen om daarna door mij, toch zeker dé
dierenvriend, vrij te worden gelaten op
een plek waar hij of zij niet bang hoeft te
zijn dat er direct gevaar dreigt zoals daar
bijvoorbeeld kan zijn een volgevreten kat
die met het muizenspul dan maar uit ver-
veling gaat dollen tot dodens toe. Dollen ja,
want zo’n huiskatvetplofvel krijgt met de
beste wil van muisvreet geen hap meer door
het fijn verwende keeltje van alle graag in
de bek geschoven luxe blikvoer zo liefde-
vollerig door het naïeve en altijd erg klaar
staande baasje naar de eisende kaken ge-
serveerd als was het een geliefde die op ieder
spinnend klaagzuchtje als de donder bediend
hoort te worden.

Een muizenval dus, want helleluja er scheuren
namelijk nogal wat van die grijszakjes in mijn
huis rond sinds een paar maanden. Een kek
vangoptrekje vroeg al een hels tijdje om de
hoogste prioriteit. Een vangding waar de staart-
hompjes zoals gezegd met het allermooiste ge-
voel van ha fijn lekker even zonder zorgen naar
binnen kunnen schreden om aan een, door het
muisspul nog nooit beleefde, feestdis te gaan
zo was heus echt waar mijn diervriendelijke
gedachte bij de aankoop van dat zo schone
muisvanggebouwtje een kleine week geleden.

Een fikse dierenvriend, ik dus.

Echter en ja hoor, dan komt natuurlijk danig
de werkelijkheid met uitgestreken smoel om
de hoek kijken en doet zich een fikse berg
anders piepen dan de bedoeling was bij deze
muisvangonderneming. Een week of wat na de
kooiplaatsing namelijk knallen ze racend overal
nog steeds rond, die grijsbakken, ja verdomd in
elk hoekje van het huis kan je ze de hand wel
schudden hadden die knaagrampen daarvoor
de juiste uitrusting van moeder natuur gekregen.

Overal zag ik ze!

Behalve natuurlijk in het glimmende kaasop-
trekje door mij zoals gezegd diervriendelijk
met verdorie de meest exclusieve kaasstukken
opgefleurd!

En dan blijkt de aaibaarheidsfactor toch nog
wel heel snel tot het uiterste nulpunt zo te
dalen dat er van lieve kooitjes voor die beest-
muisjes even mooi geen sprake meer gaat
zijn, dat heel die dierenvriend onbedaarlijk
rap verbouwd wordt tot een verdelger van de
ergste soort. Dat er dus ff geen mogelijkheid,
hoe gruwelijk ook, door mij geschuwd is om
die verdomd aanwezig blijvende knaagzooi
zo snel mogelijk totaal om zeep te slopen  tot
heel ver onder nul.

In de door mij aangeschafte glimmende kooi
heb ik tenslotte na de uitroei een speelgoed-
muis gezet die op een weekje al beroerd naar
alle denkbare kaassoorten zo begon te stinken
dat ik ook dit geval heb terug verbouwd tot een
hoopje uitgebluste watten en een zielloos lapje
grijze stof.

Werner Spaland

 

 

rode gele witte

stil hier

dat wel

alleen op zon en feestdagen
dan komt er nog wel eens wat

met bloemen wanneer het nog niet zo lang geleden is
met borstels bij al wat langer in de tijd
met lege handen als er net een restje nog is te beleven

nooit meer is er ook

zelfs in de meerderheid
rijen dik
en met geen borstel nog te doen

5 weken heet hier fraai opbeurend aardvers

ik ben daarvan

en van de bloemen

tulpen

rode
gele
witte

iedere zondag
van mijn vrouw

rode
gele
witte

en na vijf weken
ook van ene Jaap
hand in hand
met mijn vrouw

ik…

maar wij mogen ons
niet verplaatsen
strikte orders van boven

de dood namelijk
moet netjes blijven

rode
gele
witte

5 weken heet hier fraai opbeurend aardvers

ik ben daarvan

 

Brief (130) uit Schiedam

als ik morgen zal sterven gaan

wat moet ik dan
wat moet ik dan

wat moet ik dan
in godsnaam aan

moet ik nieuwe kleren kopen
of in een kloffie liggen gaan
waarin ik jaren heb gelopen

moet mijn haar dan
ook naar net gekamd
of gaat het per se in
gepaste hoed geramd

zal ik mijn handen braaf
tot vouw hebben te kluwen
of doe ik wat vingers
ver mijn neus in duwen

ga ik mij een laatste
keer nog laten kussen
of mijn eenzaamheid
in ferme lach graag sussen

laat ik mijn ziel
naar boven stijgen
of eigenhandig
naar de duivel nijgen

doe ik mijn laatste uur
in zwarte sokken
of zal ik op strikt
gepoetste schoenen gokken

moet ik iedereen naar
mij maar laten gapen
of zal ik brutaal wat
restjes uit mijn oren schrapen

laat ik uit bijna dode borst
een laatste zucht nog wellen
of stop ik hem vol leefgedoe
om allen nog ’s flink te kwellen

zal ik op mijn dooie eind
fier nog een gedicht uitkraaien
of met lege woorden
alles hevig gaan verdraaien

moet ik allen per lieve
lach wellicht bestoken
of zeggen dat ook zij behoren
tot toekomstig dode knoken

ga ik om wat eigen grote lol
een laatste gil tot slot nog slaken
of zal ik…

o als ik morgen

wat moet ik dan
wat moet ik dan

 

Brief (129) uit Schiedam

Donorvreugde

Vanaf nu ben ik een zakje bruikbare
organen die na mijn dood ontsloten
kan worden waarop het graaien in
mijn nog warme vlees kan beginnen.

Ergens een niertje nodig? Alstublieft!
Ergens een longetje nodig? Alstublieft!
Ergens wat oogjes nodig? Alstublieft!

Is het zakje leeg? Geen punt, we persen
er wat vette watten in en hup ik ben als
zakje fraai klaar voor mijn verrukkelijke
uitvaart. Niemand die ook maar iets van
mij zal missen, ha, vette watten genoeg.

Wel jammer is dat ze geen stemadvies
uit het zakje kunnen klauwen, een bordje
met daarop D66* zal er zeker tussen alle
smurrie aan bloed en versleten vlees hup
te vinden zijn geweest, want ik wil heus
wel als leegplukzakje door het leven gaan,
tenminste als er niet de voorwaarde aan
verbonden wordt dat ik dan als een
gezondheidsfrater met een strikt vita-
minengebod door het leven moet gaan.
Hel nee, ik wil wel kunnen zuipen als
een paard met extra brede bek, ik wil
wel kunnen roken als een ketter die
met god geen raad weet, ik wil wel een
zooi lijfafbraakrisico’s kunnen nemen
ook al zal de inhoud van het zakje daar
baarlijk ongezond door gaan pruttelen.
Ik wil zogezegd prikkelend kunnen leven
als de Duivel in een verboden hemel. Zo
niet, geef mijn zakje dan maar aan Fikkie!

* D66 wil iedereen automatisch donor
laten zijn.

Werner Spaland

Brief (128) uit Schiedam

Goed,

Eens een persoonlijk stukje dan maar.

Nee, niet over mijzelf! Mooi niet. Want
eer ik me de kleren van het lijf zal ruk-
ken om kwetsbaar in mijn witte velletje
mijzelf aan u ten onder te laten gaan
moet er net wel ff iets meer gebeuren
in de wereld dan dat er nu gebeurt. Al
die zooi bommen, die onophoudelijke
stroom vluchtelingen en de olijke knots-
plomp aan poliktiek het zal me godver
niet de al genoemde kleren van het lijf
doen rukken. Nee, eer dat gebeurt zal
er zowaar plots een gat in de zool van
een van mijn schoenen moeten vallen,
zal er een pukkel recht op mijn neus
zich moeten ontplooien naar een grove
schending van het aangezicht, zal mij,
door een onbenullig vleugje wind, de
hoed naar erg blootshoofds moeten af-
waaien, ja, zal een vuile rand onder
een van mijn nagels zich aan mij moet-
en openbaren  zodat ik van walging mij
wel moet ontbloten naar een schraal
hoopje verfoeistof ten aanzien van Jan
en iedereen. Dus over mijzelf?

Mooi niet!

Wel dat een zus van mij drie kinderen
gekregen heeft. Dat ze alle drie nog
leven. De zon hevig tekeer gaat in het
blauw. Dat ze daardoor nat worden van
het zweet als ze door hun moeder de
deur uit worden geschopt naar mijn
moeder die niet naar natte kinderen
durft te kijken en ze dampend op haar
schoon geschrobde stoep laat staan.
Dat die drie boos worden op hun oma
die dan weer toegeeft aan haar kledder-
kleinkinderen door een erg pikzwarte
zonnebril op te zetten zodat het zweet
oplost voordat het haar ogen bereikt en
de dag voor iedereen toch nog goed af-
loopt.

Werner Spaland