Spring naar inhoud

Brief (169) uit Schiedam

Emotioneel afgestompt, liefde-
loos opgevoed, seksueel mis-
bruikt, wantrouwen tegenover
mensen, ofwel vrolijk wat heb-
bedingetjes opgelopen in het
tehuis huizen in mij als vlooi-
en in een verwaarloosd bed.

Geen wonder dat die de mensen
van het pleeggezin onverschillig
jegens mij werden, met al die
breinprut in mijn hoofd geramd
had ik geen idee natuurlijk hoe
in een gezin te leven, op mijn
negende al vanuit een voor een
kind beroerde gezinssituatie
(agressieve, zuipende vader)
door de kinderbescherming in
een tehuis gedropt met hand-
tastelijke groepsleiders en op
mijn zeventiende, wederom
door de kinderbescherming,
in genoemd gezin geplaatst
zonder daarin van mijn kant
ook maar een millimeter zeg-
genschap te hebben gehad,
niet onwaarschijnlijk dat ze
mij een vreemd ventje vonden
en me daarom mijn gang maar
lieten gaan uiteindelijk. Maar
ha, een mens kan, om maar eens
een zeverende wijsheid uit het
wereldpotje te vissen, niet alles
hebben in het leven, zeker niet
in dit, mijn, geval, al viel er wel
als lekker pluspuntje een fikse
vrijheid op mijn overkomen
pleeggezinsdakje waar ik flink
van heb geprofiteerd zoals ik
in de vorige brief al schreef,
dus dat tikkie onaardige ge-
schrijf over die mensen, en
vooral over die man, uit dat
gezin is wellicht toch wat
onterecht gezien mijn eigen
binnenhuisbeschadigingen
want met zulke levensdeuken
op en in het lijf gedreven is
geen goed allegaartje te spin-
nen zullen we voor het gemak
maar even poneren. Maar nu
ben ik met mijn persoonlijke
deuken voor dit moment wel
even klaar hier. Beter kunnen
we het over het weer gaan heb-
ben, daar is iedereen mee ver-
trouwd. Zo drijven er op dit
moment dikke, bijna zwarte
wolken, alsof ze een deerlijke
werkdag hebben, in druk-druk-
druk-doen voorbij, helaas zon-
der een spatje regen op de
wereld neer te laten petsen en
dat is jammer want zo is dit
weerpraatje zonder nat-ramp
een zeer kort leven beschoren.

Gaan we nog maar even terug
naar het overleden echtpaar, of
nee, terug naar Elles de zus van
de overleden Zus. Elles met haar
wapperende rooie haar en d’r
zalig lange benen en d’r sneeuw-
witte huid, bij roodharigen zo
kenmerkend. Een tijdje geleden
zag ik haar op het terras van een
kroeg zitten, helaas oud geworden,
een bijna bejaarde, zeer vermoeid
zo leek het, niets was er meer
over van de vlammende gebeur-
tenis die ze destijds was, een
treurig overgebleven hoopje
van eens grote beloften op
het gebied van een opwinden-
de erotiek die ze eens in mij
opriep toen alles sowieso
een ongekende belofte inhield
jong als we waren maar er in
onze naïviteit niet bij konden,
met jeugdige overmoed renden
we er onverschillig langs en
raakte ze heel per ongeluk al-
leen soms wat vluchtig aan zonder
te beseffen wat we aanraakten.

Maar ik ben weer in het figuur
van een oude leuterende man
aanbeland, eentje die met wee-
moed tijdens het schrijven van
bovenstaande herinneringen
met zijn vingers aan zijn scha-
mele pik voelt of er nog leven
in zit en moet constateren dat het
dode deel aanzienlijker is dan het
levende deel en zo alleen tot de
conclusie kan komen dat hij lievige,
zoete liedjes als hieronder niet meer
heeft te schrijven:

Verliefd

je lach
je lopen
en bewegen

je ogen
je stem
van helder glas

als een
heldere hemel
bij zware regen

schoon je
in mij
de laatste

kras

~~

Ik zie het me al voordragen
node de handen aan een rol-
lator om niet van het podium
te flikkeren.

Even mooi niet!

Trouwens ik ben toch al niet
van het optreden, bij hoge, ja
hoge uitzondering heb ik het
ooit twee keer gedaan in al
te bevende verlegenheid die
van mij immer een drilpud-
ding maakt waaruit een lied
alleen maar kan klinken als
komt het uit een lekke band
van een auto waarmee een
uurtje of wat doorgereden is.

Zoals ik al zei: even mooi niet.

Brief (168) uit Schiedam

Godver moet ik het al weer
over de dood hebben net nu
ik het in de vorige brief naar
er het-er-helemaal-niet-meer-
over-hebben heb geschoven.
Mijn excuus is dat het nu van
buitenaf komt, want wat las ik
in het plaatselijke sufferdje van
een tijdje geleden:

“Met veel verdriet in ons hart,
maar in dankbare herinnering
geven wij kennis van het over-
lijden van onze lieve moeder,
oma en overgrootmoeder Zus
Wigmans-Daniëls.”

De moeder van het gezin waar
ik onverhoeds (niks wist ik er
van tot een dag ervoor) werd
gedropt door een mij toege-
worpen voogd (toegeworpen
ja, want die voogd had ik ook
plots die dag voor mijn vertrek
uit het tehuis) is niet meer.

Dood dus de zus van de rooie
Elles, die rooie waar ik het al
een beetje over gehad heb in
deze brieven. Dat ik geen rouw-
kaart heb gekregen om de
uitvaart bij te wonen is nat-
uurlijk logisch, in geen dertig
jaar heb ik nog iets van me
laten horen, zelfs geen kaartje
op verjaardagen of feestdagen.
Volkomen terecht geen kaart.
En om eerlijk te zijn zou ik so-
wieso niet naar de begrafenis-
plechtigheid zijn gegaan had ik
het wel geweten, want toch een
plechtigheid waarbij de familie
na zo’n lange tijd van stilte van
mijn kant niet zou weten wie
die vreemde vent dan wel is.

Goed, allebei erg dood mijn eh…
pleegouders zoals gezegd werd in
het tehuis bij de aankondiging van
mijn vertrek door die verse voogd.
Haar man Koos was een paar jaar
eerder overleden (hoorde ik ook
pas veel later) en nu dus de rossige
vrouw.

Wat ik me er van herinner?

De man Koos die na een werkdag
nou niet bepaald de vrolijkste man
in huis was meestal, direct nadat
hij thuiskwam en op de bank was
geploft begon hij aan een flesje
bier te lurken dat de rossige
vrouw op zijn verzoek voor hem
uit de keuken had gehaald om
niet lang na het leeglurken van
het biertje onderuit gezakt op
de bank zijn bezweette on-
gewassen voeten op de glazen
salontafel te leggen waar-
omheen wasemvlekken van
het werkzweet in zijn sokken
groeiden en vervolgens in
slaap te viel totdat het eten
door de rossige vrouw op
tafel werd gezet. De rest van de
avond kwam er weinig vrolijks
nog uit de man. Wat overigens een
hemelsbreed verschil was met de
man die hij in het café altijd speel-
de. Daar was hij de vrolijkheid
zelve. Ja veelal dé aanjager van
uitbundige sferen in het café zo
mocht ik meemaken omdat ik in
hetzelfde café nogal eens kwam.

Ze, de man en vrouw, waren heus
ook wel aardig af en toe, maar toch
vaker onverschillig tegenover mij.
Een voorbeeld: Ik had in de begin-
periode dat ik daar in huis woonde
een keer last van een steenpuist
op mijn linker bil, het was nogal
een enorm ding waar ik behoor-
lijk ziek van was. Koorts en zo.
Ongeveer twee dagen heb ik op
bed gelegen zonder ook maar ie-
mand te zien die eens kwam kijk-
en hoe het met me ging, als ik het
me goed herinner kwam er niets
te drinken, kwam er niets te eten,
kwam er dus geen greintje aan-
dacht van de man of de vrouw die
mijn pleegouders waren genoemd
door die o zo plotselinge voogd.

Maar over de doden niets dan goeds
natuurlijk, want zo heb ik wel door
die onverschilligheid een aantal jaar
behoorlijk mijn eigen gang kunnen
gaan, iets waar ik ze nog altijd dank-
baar voor ben, want net uit het te-
huis waar heel stevig gemept en
misbruikt werd naar ineens zoveel
vrijheid was mij een ongelooflijk
feest. Zeker in de weekenden als ik
met vrienden op stap was en dagen
even gewoonweg niet thuis kwam.
Een ongekende luxe na dat Spar-
taanse opvoedingsgedoe in het te-
huis met zoals gezegd stevig mep-
pen alsook een danig potje seksu-
eel gedonder aan je onvolgroeide
lijf. En nu zijn ze allebei dood en
zullen ze dit wat ik hier schrijf ge-
lukkig nooit kunnen lezen, want
zoals ik ze hier neerzet daar ging-
en ze een hoop negatief gepruttel
tegenaan gooien zo is wel zeker.
Overigens dat lezen is iets wat
sowieso niet snel gebeurd zou
zijn want alleen via het internet
op deze site zet ik dit spul neer
en daar komt zelden of nooit
iemand neuzen wat die Spaland-
ganger daar wel allemaal ge-
schreven heeft. Een verdomd
kek en aangenaam idee voor-
alsnog.

Brief (167) uit Schiedam

Al dat suffe, kale geouwe-
hoer over Chinezen en hun
coronadingetjes zo dacht ik
op het eerste gezicht toen
ik net de hiervoor gaande
brief nog eens las maar op
de tv even later de feiten
toegeschoven kreeg van een
nieuwslezer dat er inmid-
dels meer dan veertig-
duizend mensen ziek zijn
geworden, er al zo’n zeven-
honderd-zoveel aan het
virus zijn bezweken en 
het niet helemaal kaal ge-
ouwehoer wil zijn geweest.
Zo kan achteraf een tekst
nog wel eens wat naar een
meerwaarde groeien door
feiten die er op het moment
van het schrijven nog even
niet waren.

Wel is het zo dat het lijkt of
het steeds moeilijker wordt
om iets te schrijven dat een
beetje hout snijdt waarmee
de taal rond gemept wordt
naar een deuksappig stuk
waar iedere lezer totaal van
uit z’n veilige veldje wordt
gelazerd.

Maar eh is het schrijven juist
niet dé manier om het nodige 
houtje te vinden, dat ik via de
taal om maar eens een voor-
beeld te noemen de dood die
mij op de hielen zit volgens
de specialisten in het zieken-
huis zo kan bewoorden dat
het doodgeval geen zin meer
heeft om in mijn taal rond 
te luizen als een horzel uit-
bundig feestvierend op een
dier om het beest er bewust
van te maken gewoon een
makkelijk prooibeest te zijn
huppelend op vier poten on-
der een lijf vol dooie dood.

Maar godver, weer die dood.

Dan liever uit armoe een anek-
dootje over Elles, die fikse rooie
of beter nog over het tehuis waar
ik acht jaar heb moeten verblijven. 
Over zoiets als een week in de iso-
leercel te worden gepropt omdat
je een strootje tegen de regels van
het tehuis bent ingegaan doormid-
del van het kapot gooien van een
stapel borden uit verzet tegen het
gedwongen kort laten knippen
van je haar terwijl jongens buiten
het tehuis (op de middelbare school
in de stad waar je als tehuiskind les
kreeg omdat er in het tehuis zo’n
school niet was, alleen lagere school)
met half lang haar rondliepen en op
die manier precies konden zien dat je
met je opgeschoren hoofdhaaruiterlijk
uit een tehuis kwam waar uiteraard
de stadsjongens bijna allemaal vreemd
en pesterig tegenaan keken. Een stapel
borden aan gruzelementen uit woede
en de ondergane vernedering dus, dan
naar de slaapzaal gerend om de knetter-
ende boosheid van de groepsleider die
als oppas van beslist-goed-kort-dat-haar  
met een valse glimlach bij het haarknip-
gebeuren had gezeten te ontlopen en
ook om niet in een handgemeen met
die vent te geraken. Mis dus, hij rende
achter me aan en al gauw rolden
we vechtend over de vloer waarbij
ik uiteraard het onderspit wel moest
delven te jong als ik nog was voor een 
gevecht met een volwassene. Ik daarna
voor een kleine week in genoemde iso-
leercel werd gegooid. Een ruimte met
een stalen deur en nog een deur van
hout daarvoor om er zeker van te zijn
dat de boel niet opengetrapt kon worden
zowel door de opgeslotene als wel door
iemand van buitenaf.

Twee bij vier meter groot was
het hok, op de vloer alleen een
matras zonder frame eronder,
een raampje in het schuine dak
zodat je alleen een stukje wolk
of wat lucht kon zien vanuit de
voor de rest gruwelijk lege cel.
Veertien of vijftien jaar ik de
eerste keer dat ik opgesloten
werd in de isoleer. De tweede
keer was niet lang daarna om-
dat ik met een vriendje wegge-
lopen was uit het tehuis maar
helaas al de volgende dag weer
werd opgepakt en dus regel-
recht vanuit het politiebureau,
we waren door de politie opge-
pakt, de isoleercel in gegooid.
De derde keer staat me niet
meer zo bij waarvoor ik opge-
sloten werd, maar het zal vast
wel opnieuw voor iets onbenul-
ligs zijn geweest wat mij betreft. 
Zo jong en voor, in mijn ogen,
bijna niets opgesloten, ook
helemaal niets te doen kreeg
je er, nog geen letter bijvoor-
beeld mocht je er lezen, laat
staan televisie kijken. Op je
nagels en in jezelf bijten dat
was wat je kon de hele dag
en vaak ook de hele nacht.

Een houtje gevonden in deze
brief? 

Meer een splinter zo is mijn
idee.

Brief (166) uit Schiedam

Een paar dagen geleden
een halve dag in het ate-
lier in de weer geweest
met kunstgedoe voor een
tentoonstelling in maart, 
want af en toe moet je,
kunstenaar zijnde, je ge-
doetje laten zien om niet
helemaal te versterven naar
onzichtbaarheid per snel-
kookpan vol allerhande
leven waar een mens zich
nu eenmaal niet onderuit 
kan beleven.

De expo heeft een politiek
themaatje over het terug-
brengen van 130- naar
100 kilometer op al de
Nederlandse wegen. We
doen mee met een zen-tijd
tekening nog te maken op
een redelijk groot doek. De
hele middag bezig geweest
en ff geen zin meer om te
koken dus op naar het Chi-
nees afhaalrestaurant om
een klodder op Chinees lijk-
end eten te kopen. Neder-
lands eten eigenlijk, om-
gebouwd tot een Chinees
lijkende hap, of, dat kan
ook, andersom. Nu ja, het
is om het even zo zullen
de Chinezen wellicht den-
ken; als de rare Nederlan-
ders het maar vreten, en
gelukkig dat doen ze dan
ook in donders grote slobber.

Waarom dit hele gebeuren
hier vermeld?

Wel, het verbaasde ons dat
het zo stil in het restaurant
was daar waar het altijd wel
krioelde van klanten en het
verbaasde ons nog een fiks
metertje of wat meer dat we
binnen een paar minuten al-
weer buiten stonden met een
dampende hap verpakt in
plastic bakjes hangend in
een dun wit plastic tasje
zoals je bij ieder Chinees
restaurant wel krijgt.  
Meestal duurt het wel een
stief-kwartiertje voor je
met de net verkregen hap
in een laaiend tempo naar
huis kan razen om die ver-
worven hap, in de hoop dat
ie nog warm is, te consu-
meren. Nu dus hup was het
in een paar minuten klaar.

Heel opmerkelijk allemaal
al besteedden we er voor
de rest geen aandacht aan.
Echter toen we ’s avonds
op de televisie een item
zagen bij nieuws-uur dat
door de ophef over het co-
rona-virus dat in China is
uitgebroken veel Neder-
landers de hier wonende
Chinezen ineens mijden
als de pest, als wordt dat
virus door die Chinezen
heel mogelijk welbewust
en met het allergrootste
genot wordt rondgestrooid
als zijn het van die lange
plastic zakjes gevuld met
fikse lappen kroepoek.

Heel de wereld is dus ff in
paniek want bang voor een
pandemie van de ergste 
orde terwijl er relatief maar
een gering aantal personen
behept is met het virus waar-
bij weliswaar doden te be-
treuren zijn maar vergelijk
je dat met het drinken, roken
en autorijden wat slachtoffers
betreft zouden we daar toch
een flink hapje meer van in
paniek hebben te raken. Het
is twee dagen geleden dat we
het voedsel dat we bij de Chi-
nees hadden besteld opgegeten
hebben, maar geen spoor van
welk virus dan ook raast er in
ons lijf rond om ons een danig
afbraakje te bezorgen wellicht
leidend tot een gruwelijke dood.

Maar godver!

Ben ik al weer aan de dood be-
land, het geval blijft maar achter
me aan leuren met een gretigheid
tot zeker ongekend in de wereld.

Met een gedichtje van je af schrijven
is dat wat? Zo’n geval waarin de dood
wordt bezworen,  nu ja, eigenlijk zoals
al door vele dichters is gedaan.

Dus een gedicht om die verdomde dood
een stevig eind uit het raam te flikkeren?

Mooi niet! 

Brief (165) uit Schiedam

Gisteren naar tennis gekeken.
Vind ik wel lekker om te zien,
ja ik ben ff ook zo iemand die
makkelijk klaar gestoomd kan
worden voor brood en spelen
ook al is onze democratie een
fikse luxe waar ik me heerlijk
in wentel uiteraard, maar rolt
de boel een andere kant op kan
ik me door mijn liefde voor
brood en spelen heel wel in
een andere politieke constel-
latie laten glijden en er even-
zo in wentelen als in onze nu
nog bestaande democratie.
Waarmee maar op knullige
wijze is gezegd dat ik op
alles ben voorbereid want,
nog knulliger, zekerheid die
vind je alleen bij de dood,
op een gegeven moment legt
iedereen het zo welbekende
loodje, daar verandert voor-
alsnog niemand wat aan,
zelfs de Paus, zijn Baas of zoon
niet. Maar eh van tennis naar
democratie naar de dood? Ver-
domme hoe erg kan een mens
dolen in zijn of haar eenzame
bestaan waarin het kijken
naar twee mensen die elkaar
bestrijden in een strijd zonder
meer wapens dan een racket
waarmee ze elkaar niet eens
mogen raken om ’s ff lekker
wat fysieke pijn in de ander
te veroorzaken, nou ja, het
brengt in mij een genot te-
weeg te vergelijken met een
uitstekende kop koffie ook
al laat het gedoe alleen wat
meppen tegen een bal zien. Ha,
ik kijk er zoals gezegd nogal
graag naar dus laat dat brood-
en-spelen-gedoe voor het ge-
wone volk maar over ons uit-
gestort worden, ik in ieder ge-
val vreet daarvan met enorm
veel plezier. Ja, sinds er ge-
leerde heren in het zieken-
huis mij hebben verteld dat
het een wonder is dat ik nog
leef ga ik me natuurlijk niet
met dit wonderleven ver-
diepen in zware intellectuele
zaken die mij, als wonder, ff
helemaal naar de donder
helpen vanwege hun gewicht
waarmee een wonder niets
kan, mooi niet. Ze, de geleerde
heren, keken bij de wonder-
uitspraak namelijk als ver-
zwegen ze dat wonderen in
het algemeen maar bedroe-
vend kort duren, dus dat
brood en spelen is zo gek
nog niet! Brood heb je zo
op en een spel hoef je niet
af te kijken om de boel een
beetje re te hebben aan het
eind van je leven. Een boek
niet af kunnen schrijven
bij voorbeeld, het geeft toch
een enorm stressgevoel zo
net voor je dood zodat je
mogelijk met gekromde
tenen van ellende sterft
en je schoenen niet eens
meer fatsoenlijk passen in
je laatste bewegingloos lijk-
beleven op dit aardbolleke,
je in je kist komt te liggen
met hele erge blote sokken
terwijl je je godver nog nooit
een moment op blote sokken
buiten je huis hebt begeven.

















Brief (164) uit Schiedam

Vandaag beslist geen briefschrijf-
dag hupt het ikkerig achter mijn
toch behoorlijk aanwezige neus
die de eh eigenzinnige gewoonte
heeft zich toch bij iedere kans die
zich voordoet zijn aanwezigheid
er bij te sleuren als is hij onmis-
baar. Vandaag dus even niet net
nu ik hem zo hard nodig heb ter
vervolmaking van weer een br-
oodnodige brief om mijn leven
nog enigszins een potje leefbaar
te maken, om me te mannifester-
en (geen fout die dubble n) zodat
er in ieder geval op mijn grafsteen
kan komen te staan dat Hij er wel
ff was.


Om toch deze dag niet te verfrom-
melen tot niets hieronder dan maar
een al wat eerder geschreven tekstje,
want die grafsteen muss natuurlich
wel ff sein.

Omdat

stoeltjes en bankjes gezelsamig klinken
een kleed op de vloer waarin verdrinken
gordijntjes snoezig hangen op slaap
en het behang nooit recht voor z’n raap
een tafel er is tot steels wrijven van knietjes
daarop de vaas met vergeet-mij-toch-nietjes
enkele spiegels ter bevestiging in plons
een dekbed heerlijk zo zacht van het ons
de keuken schoon om te plezieren
serviesgoed er is om de sfeer op te sieren
de tuin vol van veel prilwillend beleven
alsook om bloemkes tijdig water te geven

o hoe lief en zorgzaam is toch dat zijn
het kan niet anders of ’t zal zonder pijn
de glimlach vereeuwigd in blakend geluk
hoe romig dat huisje tot nooit meer stuk

dit:

in het weekend op een poëziemiddag in Leerdam
mocht ik tot mijn volle vreugde een paar laatste-
kans-ouderen bewonderen in het lyrisch beleven
van hun nog jonge liefde. Een liefde zo overvol van
verliefdheid dat er uit deze onbedwingbare borreling
van gevoelens wel iets moois móest groeien en, u
voelt hem al aankomen, dat had het dan ook ten
volle gedaan mocht ik meebeleven op die middag
waarin ik en mijn vriendin, en ook SAGE-maatje
zijnde, lekker onbevangen geplonsd waren; het paar
namelijk had hun zo jonge liefde in een aantal verzen
vereeuwigd die beslist de buitenwereld ingeslingerd
moest worden, want zulk een spetterende liefde op
zulk een laatste-kans-leeftijd dat mocht toch werkelijk
niet onopgemerkt voorbijgaan, dat moest… Nu ja, zelfs
ik wilde dat met mijn zachte gemoed heus wel invoelen.
Het paar toog dus het podium op alwaar het om beurten
elkaar zoetgevliesde versjes tegen het lijf lispelde met
blikken die er beslist niet om logen, die liefde droop van
het podium en uit de versjes zogezegd, mooi mooi mooi,
zo vond vooral ook het paar zelf want het ene versje na
het andere werd eruit gelepeld in een uiterst lieflentelijke
performance waar maar geen einde aan leek te komen
zo vertelde alras mijn rug vanuit een wazig pijngebeuren
uiteraard in het geheel niet toepasselijk bij het zo liefde-
vol gepresenteerde podiumfeest.

Welnu, so far so good, want in een optreden zulk een
borrelgevoelens te etaleren oké, daar kan ik nog inkomen,
zo’n eenmalige gebeurtenis daar kan een mens nog over-
heen groeien. Echter, daar waar dit soort versjes na die
uiteraard eenmalige voorlezing op een podium beslist diep
in de lade van het gezamenlijk nachtkastje behoort te
verdwijnen en alleen nog tevoorschijn gehaald wil worden
na een echtelijke ruzie om de ietwat gemolde gemoederen
weer in verliefdstand te krijgen hebben de zo prilgeliefden
de tenenkrommende verliefdheidsmoed gehad om deze
versjes te laten drukken én ook nog te laten bundelen.
Het hun liefbundeltje was daar ter plekke te koop zo werd
vol trots vanaf het podium door het o zo houdbare stelleke
zonder ook maar een kleine glimp van géne gemeld.
Gelukkig, zo bedacht ik me, had het laatste-kans-stel in
hun verliefde enthousiasme vrijwel de hele bundel voor-
gelezen zodat ik me geen zorgen hoefde te maken iets
uitermate belangwekkends aan de lieflispel te hebben
gemist. Geen enkele aandrang groeide in mij om het
boekje te gaan kopen, zulk een uitspatting moest maar
het best tussen de kaften blijven zo leek mij, dermate
gesterkt als ik was door de zo durende voorleesbeleving.

Nu ja, ieder vlindertje fladdert zoals het bevlekt is, daarom
ook nog even dit:

Vlinderspraak

Good vibrations

Good vibrations
Good vibrations

De situatie is als volgt:

Ironie als schaamlamp
Voor monddood blijspel

Ei!

En

Wisselvallig uitgalmen
Op muren van papier

Good vibrations
Good vibrations

Demareren!
Demareren!

Demareren in blessuretijd


Brief (163) uit Schiedam

Vanavond uit eten met het Bel-
gische echtpaar Lieve en Renaat
Ramon. Renaat is dichter, schrij-
ver en kunstenaar. Lieve is zijn
wat jongere vrouw die de heer-
lijkste gerechten ieder jaar onze
eetbekkies voorzet. Het is name-
lijk langzamerhand traditie dat
Saskia en ik in de zomer een
aantal dagen bij hen gaan lo-
geren en dan die heerlijke ge-
rechten krijgen voorgeschoteld.
Kosten nog moeite worden door
het echtpaar gespaard om ons
het naar de zin te maken in
een prachtig huis, wat zeg ik,
in een villa gelegen in een
grote tuin waarin het lekker
vakantiegevoelig toeven is als
we, Saskia en ik, de omgeving
van Brugge en Brugge zelf niet
aan het verkennen zijn. Ze laten
ons daarin geheel vrij, ’t logeren
schept wat hun betreft geen ver-
plichtingen om elkaar maar te
vermaken. Nee, wij, Saskia en
ik, zijn graag met zijn tweeën
op pad, wat ff niet wegneemt
dat we af en toe ook met Lieve
en Renaat het Belgische leven
in duiken. Af en toe, want de
gastgevers zijn, ondanks hun
stevige leeftijd, Renaat heeft
al lang de niet-meer-werken-
plicht op zak, nogal eens aan
het werk met eigen teksten
zoals recensies, beschouwen-
de stukken, gedichten, essays,
kunst en een tijdje geleden
met een boek over concrete
poëzie, getiteld: Vorm & Visie
waarin ook een stevig stuk
over ons, SAGE, werk is ge-
plaatst daar wij ook concrete
poëzie maken. Vanuit die
hoedanigheid hebben we
elkaar ook leren kennen op
een tentoonstelling in het huis
van twee Belgische dichters
(Olaf Risee en Tine Moniek) 
in het dorp Waregem alwaar
we Renaat hebben ontmoet.
Later heeft Renaat meegedaan
aan een tentoonstelling in Schie-
dam die we met Olaf en Tiene
maakten als een vervolg op die
expositie bij hun thuis.  

Vanwege mijn kekke niet-ge-
zondheid zijn we de laatste
twee jaar niet meer in Brug-
ge geweest, maar dit jaar zo
hebben we met elkaar af-
gesproken gaan Saskia en ik
weer proberen om het jaar-
lijkse logeren een vervolg te
geven als mijn hart zo vrien-
delijk wil zijn ff mee te werken
aan de onderneming, jazeker,
want met m’n knaklichaam op
reis gaan is tegenwoordig ver-
domme verdomme een hele
onderneming.

Maar genoeg over België en
dat brakke lichaam van mij.

Tijd voor een eigen versje dat
ik ook al plaatste in brief 152
maar hier nog eens herhaal
vanwege Mien die zo haar
eigen ideeën over gedichten
heeft.

So ’n netjes leven

eer ik voor eeuwig liggen ga
geen been meer zal verzetten
mijn voeten aan septembersla
de haren danig aan het pletten

ja eer ik op een steen zal staan
gebeiteld in begin en eind
het vlees alreeds te ver gegaan
de huid heel slapjes afgeteint

wil ik per bloterike onderbroek
de rulle sokken op halfzeven
mijn mond naar enen kus op zoek

de dood nog wel wat laten streven
door te rukken aan het kille doek
en als een kat mijn zee van levens leven

Wat heeft Mien van zestienhoog-
achter aan dit gedicht eigenlijk?
Mien zit daar niet op te wachten.
Mien heeft haar leven aan d’r kop,
die heeft geen enkele behoefte aan
al dat poëtengedoe, Mien wil goed
vreten en een vent, en Mien is daar
al d’r hele leven een beetje in onder-
bedeeld, Mien is niet voor de korte
rok geboren zeg maar, Mien bengelt
met d’r lege handen eeuwig langs ’n
oerlelijke lange roepjurk omdat d’r
loopstengels met recht stengels ge-
noemd worden door de zeldzaam
aan d’r bedrand toegekomen man-
nen die zichzelf, bij nader toezien
van al dat benige niets, met dove
blindheid zagen beladen en vanuit
dit inzicht dan liever toch kozen
voor de wat hoeriger korte rokken-
storm ergens heel ver van Miens
plots wel heel ontzielende bedrand.
En Mien dan in tranen uiteraard,
heel gewoon overigens, want Mien
doet meestal in tranen, da’s heel
lang geleden al d’r levensroep ge-
worden zeg maar, vandaar ook
dat wonen op zestienhoogachter,
mét balkonnetje, een hoog bal-
konnetje, een balkonnetje waar
vanaf ze tot nu toe nog niet heeft
durven springen bang als ze toch
is haar dé man te moeten mislopen
in d’r soepdood daar ergens onder
aan de gevel van haar zoveelhoog-
achter, nee, Mien wordt niet nat
van zo’n versje, Mien wilde zolang
als ze zich al kent een vent en Mien
wil dat nog steeds, dus een vers, an
d’r reet termee!

Hoewel…

Maar ach, met zo’n doodkwak-
psalmpje als hierboven gegeven,
daar ontroer je toch zeker zelfs
niet de allerzachtste boterbakker
mee tot mannentranen om ver-
liefd op te worden? Nee, die poëten
poe he zien maar tot ze een ons
wegen met hun vleugversjes, ze
kunnen wat Mien betreft de voeten
van die kersekut aan de overkant
beter gaan kussen, tenzij…

Tenzij die poëten zelf aan haar
bedrand… Miens stengels willen
bij deze gedachte wel klapperen
als zijn het plots echte volbenen,
Mien moet er heel erg van kirren,
maar van versjes pur sang blijft
ze een afkeer houden. Zoals ge-
zegd; geen boterham kan ermee
belegd, en dat, natuurlijk met
een heerlijke vent erbij, dat is
waar het allemaal voor haar om
draait, één bloem gekregen van
een vent is haar meer poëzie dan
heel zo’n vers als hierboven, d’r
balkonnetje zou niet meer voor
haar bestaan zou er nu zo’n heer-
lijke harige hand vol bloem aan
haar bedrand staan te beleven,
want zo’n dood vers, ook al is
het met veel vitaliteit aan leven
d’r in, da’s toch zeker een bord
zonder vreten. En dan die zee
van levens, an-Miens-hoela toch
zeker, heus, één keer een balkon-
stort en de rest van die zeelevens
huppelt vrolijk mee de dood in
daar onderaan die veelhooggevel
terecht gekwakt.

En daar heeft Mien me een behoor-
lijk stevig punt.