Spring naar inhoud

Brief (191) uit Schiedam

Mien Corona is ook weer extra bezig.
Dus afwachten maar wat we nu weer
aan niet mogen over ons uitgestort
krijgen. D’r was in ieder geval gister-
avond al een lekkere heibel op het
slaapscherm over ’t verplicht dragen
van mondkapjes. Het is te hopen van
niet want mijn adem gaat nu al met
veel moeite in en uit mijn mond laat
staan als er ook nog een beschermlap
tegen mijn lippen moet gefrommeld
om Mien C. buiten mijn lijf te houden.

Maar eh…

Even wat anders dan Mien die me in de
weg zit. Even iets vaccinerend middels
een al aardig ouder schrijfstukje over
een poëziemiddag in schoon Leerdam:

Omdat

stoeltjes en bankjes gezelsamig klinken
een kleed op de vloer waarin verdrinken
gordijntjes snoezig hangen op slaap
en het behang nooit recht voor z’n raap
een tafel er is tot steels wrijven van knietjes
daarop de vaas met vergeet-mij-toch-nietjes
enkele spiegels ter bevestiging in plons
een dekbed heerlijk zo zacht van het ons
de keuken heel schoon om te plezieren
fijn serviesgoed om de sfeer op te sieren
de tuin vol van veel prilwillend beleven
alsook om bloemkes tijdig water te geven

o hoe lief en zorgzaam is toch dat zijn
het kan niet anders of ’t zal zonder pijn
de glimlach vereeuwigd in blakend geluk
hoe romig dat huisje tot nooit meer stuk

dit:

in het weekend op een poëziemiddag in
Leerdam mocht ik tot mijn volle vreugde
een paar laatste-kans-ouderen bewonder-
en in het lyrisch beleven van hun nog
jonge liefde. Een liefde zo overvol van
verliefdheid dat er uit deze onbedwing-
bare borreling van gevoelens wel iets
moois móest groeien en, u voelt hem al
aankomen, dat had het dan ook ten volle
gedaan mocht ik meebeleven op die mid-
dag waarin ik en mijn vriendin, en ook
SAGE-maatje zijnde, lekker onbevangen
geplonsd waren; het paar namelijk had
hun zo jonge liefde in een aantal verzen
vereeuwigd die beslist de buitenwereld
in geslingerd moest worden, want zulk
een spetterende liefde op zulk een laatste-
kans-leeftijd dat mocht toch werkelijk niet
onopgemerkt voorbijgaan, dat moest…
Nu ja, zelfs ik wilde dat met mijn danig
gemoed heus wel invoelen. Het paar
toog dus het podium op alwaar het om
beurten elkaar zoet gevliesde versjes
tegen het lijf lispelde met blikken die
er beslist niet om logen, die liefde droop
van het podium en uit de versjes zoge-
zegd, mooi mooi mooi, zo vond vooral
ook het paar zelf want het ene versje
na het andere werd opgelepeld in een
uiterst lieflentelijke performance waar
maar geen einde aan leek te komen zo
vertelde alras mijn rug vanuit een wazig
pijngebeuren uiteraard in het geheel niet
toepasselijk bij het zo liefde vol gepresen-
teerde podiumfeest.

Welnu, so far so good, want in een optreden
zulk een borrelgevoelens te etaleren oké,
daar kan ik nog inkomen, zo’n eenmalige
gebeurtenis daar kan een mens nog over-
heen groeien. Echter, daar waar dit soort
versjes na die uiteraard eenmalige voor-
lezing op een podium beslist diep in de
lade van het gezamenlijk nachtkastje be-
hoort te verdwijnen en alleen nog tevoor-
schijn gehaald wil worden na een echte-
lijke ruzie om de ietwat gemolde gemoed-
eren weer in verliefdstand te krijgen heb-
ben de zo pril geliefden de tenenkrom-
mende verliefdheidsmoed gehad om
deze versjes te laten drukken én ook nog
te laten bundelen. Het hun liefbundeltje
was daar ter plekke te koop zo werd vol
trots vanaf het podium door het o zo houd-
bare stelleke zonder ook maar een kleine
glimp van géne gemeld. Gelukkig, zo be-
dacht ik me, had het laatste-kans-stel in
hun verliefde enthousiasme vrijwel de
hele bundel voorgelezen zodat ik me geen
zorgen hoefde te maken iets uitermate
belangwekkends aan de lieflispel te heb-
ben gemist. Geen enkele aandrang groei-
de in mij om het boekje te gaan kopen,
zulk een uitspatting moest maar het best
tussen de kaften blijven zo leek mij, der-
mate gesterkt als ik was door de zo duren-
de voorleesbeleving.

Nu ja, ieder vlindertje fladdert zoals het
gevlekt is, daarom ook nog even dit:

Pamflet

‘Good Vibrations’
‘Good Vibrations’
‘Good Vibrations’

De situatie is als volgt:

ironie als schaamlamp
over monddood blijspel

ei!

en

wisselvallig uitgalmen
langs muren van papier

‘Good Vibrations’
‘Good Vibrations’
‘Good Vibrations’

Demarreren!
Demarreren!

demarreren in blessuretijd
een ontroerende aanblik

proeven, vooral proeven
langs tandstenen beddingen
aan droomspelonk vol tong









Brief (190) uit Schiedam

Op een terras waar Saskia en ik (na
een rolstoelwandeling waarbij ik zo-
als inmiddels gebruikelijk in de rol-
stoel zat omdat een uur lopen sinds
mijn hartprut nogal boven mijn mo-
gelijkheden is gaan behoren) waren
neergedwarreld was ook een trouw-
erij bezig op dat moment waarbij de
zon heus allerliefst scheen met een
draagbare warmte waarvan wij net
als het trouwgebeuren profiteerden.
Saskia, na wat gezemel van mijn
kant over een eventuele veel te snelle
dood die mij uit de wereld zou knal-
len en over dat ze gewoon de aller-
goedkoopste begrafenis moest orga-
niseren opdat de zuur gespaarde
centen (niet verzekerd, ik) ff niet
in de klauwen van die graaiende
zwarte kraaien gingen verdwijnen,
vertelde dat zij er nog niet zo lang
geleden toevallig over na had zitten
denken dat we samen eens op inter-
net naar een begrafenisonderneming
moesten zoeken zodat zij dat niet
hoefde te doen als ik net ons wereld-
je had verlaten omdat ze niet wist
hoe ze er dan aan toe zou zijn. Een
redelijke gedachte wat mij betreft,
zeker daar ze er op liet volgen dat
ze mij het liefst in mijn huis wilde
laten opbaren zodat zij op de mo-
menten dat zij dat wilde nog bij me
kon zijn. Dat knalde wel even bij
me binnen zo’n liefelijke gedachte,
trouwens het hele gesprek rakelde
bij mij de altijd wel ergens diep
weggeborgen emoties zo hevig naar
boven dat het leek of mijn hart,
door af en toe een hartslag of wat
over te slaan, mij er op attendeerde
het donkere gelul over hem te stop-
pen anders kon het begraafonder-
werp van het gesprek wel eens
heel snel aanstaande gaan zijn.
Rap liet ik Saskia merken dat het
me allemaal wat teveel werd zo
open over mijn dood te spreken
daar het plots wel erg te dichtbij
kwam.

We hebben nog een tijdje van de
zon genoten, ondertussen ons
laten vermaken door het trouw-
gebeuren dat volgens het ritueel
verliep overbekend in heel de wer-
eld Nederland met alleen het ver-
schil dat het hier buiten gebeurde,
maar voor de rest; ambtenaar in
toga, publiek op stoelen keurig in
rijtjes opgesteld, het bruidspaar
natuurlijk in het eeuwige trouw-
uniform, zij in het wit, hij in het
zwart, zij met uiteraard een fiks
bruidsboeket, hij met een bak on-
handig gestuntel in zijn lichaam
alsof hem iets overkwam waar-
mee hij nog moest leren dealen.

s’ Avonds lekker onderuit op de
bank gezakt samen naar de slimste
mens gekeken, iets wat we iedere
avond doen omdat de vragen zo
simpel zijn veelal dat we ze vrij-
wel allemaal kunnen beantwoord-
en.

Nu ja, wij?

Het is meestal Saskia die het eerst
een antwoord geeft en de wedstrijd
tussen ons over wie het meeste weet
altijd wel wint. Gelukkig heb ik dan
nog altijd die van Rossum om naar
te kijken en te bepalen in hoeverre
hij de wetenswaardige vragen die
hem door Philip Frerik de spelleider
worden gesteld van tevoren heeft in-
gestudeerd of niet, meestal gok ik op
wel.

Over de begraafdingen hebben we
het dank zij al die slimste mensen
niet meer gehad en Saskia won weer.






Brief (189) uit Schiedam

Verdomme, wel erg persoonlijk de
laatste zwik brieven, en dat terwijl
ik er tot brief 135 bijna steeds voor
heb gewaakt niet al te veel over mij
zelve te kakelen. Het komt, zoals ik
al eerder schreef, vast door dat dood
van Pierlalamannetje dat maar in
mijn rug blijft porren en mij ’n richt-
ing op blijft duwen die ik beslist nog
niet in wil. Ik sla hem af en toe flink
op zijn bek maar hij komt aldoor te-
rug, laat zich niet met een kluitje in
het riet sturen, daar is ie niet voor ge-
komen hijgt hij dan fluisterend op het
ritme van de ontelbare porstompen
in mijn rug. Er zijn toch wel andere
wrakken schreeuw ik hem veelal toe,
wrakken waarbij je niet zo zwaar
hoeft aan te dringen, wrakken die
graag bereid zijn met je mee te wan-
delen naar de Lethe om overgezet te
worden, wrakken die het op dit aard-
klootje wel gezien hebben en toe zijn
aan iets nieuws, iets spannends wel-
licht, zeker nadat ze handen vol leven
hebben gedronken zodat ze alles wat
geweest is op hun dooie gemakkie
graag willen en kunnen vergeten.
Hij blijft volharden het doodsman-
netje. Het idee hem op een onbe-
waakt moment in de rivier flikkeren
ramt soms mijn leef-lievend breintje
binnen. Vergeet het kreng misschien
mij en alles waarmee hij mee bezig
is. Is er de kans nog een stevig tijdje
het leven in het lijf laten woelen als
bij een vers geboren baby, want god-
ver aan een lijf zonder leefstof heb
ik mooi nog even een wijle de pest.

Te persoonlijk?

Dit dan maar:

Huis geverfd

Het begon pas echt nadat ik met een hamer
de pootjes van de kat aan gort had geslagen.
Tot dan toe had het geen enkele kans gehad.

Mijn leven.

Dus liet ik de kop van de hamer na de daad
omsmeden tot een brede band. Om de pols
te dragen. Mijn pols.

Drie dagen na het smeden zat ik in het gevang
al  heeft dit geen enkel belang voor mijn leven.
Een kleine week later namelijk was ik weer vrij.

Men had zich nogal vergist.

Uit het gevang wilde ik diep.

Eens danig onder de zeespiegel rond sprokkelen
leek me het juiste begin daartoe. Groots en vrij
zogezegd. Twee drie decimeter. Dieper kwam ik
niet. En dat fijne vrije bleef ontstellend weg met
zo’n luchtcilinder op je rug. De vissen ook dull.

Dan maar een straat beleven in een te iele auto.
Rood met witte stippen. Maar spillebenen had ik
al uit het water zo wil hier de logische volgorde.

Dus bouwde ik een vliegtuig.

Omdat er geen rem op zat werd ook dat niks
volgens de verkeersleiders. Ze wezen naar
beneden. Daar hing een fiets op slot tegen
de flank van een onaardig versleten paard.

Een oude man aaide de fiets.
Liet het paard ongemoeid.

Het paard kreunde de fiets van zich af. De
oude man liep door want een te meisje in
minirok keek alsof ze beslist!!! niet geaaid
wilde worden. De stof gaf haar rijke heup-
lijf voldoende ruimte.

Later dronk ze vast thee.
Met uitzicht op opa.

Beetje hongerig stap je van zoiets een patat-
zaak binnen en biedt op een hele koe. Dat
wilde ik. Alleen een koe in stukjes was er.
Broodje kroket dan maar. We kunnen er wel
een bestellen. Dat hoefde voor mij niet, een
meisje had ik ook nog niet gehad zo zonder
echt begin. Aldus verdronk er in het kanaal
een vis. Het dier was niet geleerd hoe kieuwen
werken. De burgemeester (ook van het kanaal)
sprak de hoop uit dat dit niet heel veel vaker
ging gebeuren: Jezus had al ’s iets met vissen
uitgehaald.

Terug naar moeder. Geen optie. Ik zag haar
al staan met die manke kat in haar handen.

Achter het enorme bureau stond een lege stoel.

De secretaresse en de stoelzitter waren gaan
lunchen. De telefoon rinkelde niet en op straat
speelde een mier met de schone gedachte een
klinkklare hoop op te werpen. Van tussen de
naden om de tegels verzamelde het dier gelikte
korrels zand.

In de fabriek maakten ze lepeltjes.

Er moest toch wat.

Toen ik mijn huis niet meer uit kon vanwege
de lepeltjes volgde ontslag want het gevang
had ik al gehad. De lucht kreeg een eigenaar-
dige gele kleur. Net of van Gogh tegen een
onnoemelijke hoge ladder op was geklommen.

In een kamer renden twee mensen om een
modelspoorbaan. Ruzie of gewoon wat geil.
De bakker stond al zijn hemden te verkopen.
Van brood en meer bakspul dus veel sprake.

De buurt wilde even geen vis meer.
En ik ving mijn huis te verven aan.

Zonder de lepeltjes was er weer ruimte. Het
huis brandde niet af. Zonk wel wat weg in de
aarde. Het geverfde was niet geheel en al voor
niets dus kwam ik vader tegen. Hij was ermee
verlegen. Moeder is dood maar nog altijd niet
bereid je te vergeven en zullen we het dak nu
repareren. Maar ik had net mijn huis geverfd.

“““““““““““““““““““

Brief (188) uit Schiedam

Alleen thuis. Niet zo bijzonder want
ik woon al jaren en jaren alleen. Wel
al bijna dertig jaar een latrelatie met
Saskia. We hebben namelijk veel
ruimte voor onszelf nodig de mees-
te tijd. In de weekends blijft ze altijd
bij me slapen, zondag en maandag
is ze de hele dag bij mij in huis, de
rest van de week zijn we overdag
meestal voor ons zelf bezig ieder in
ons eigen huis of samen aan het werk
aan kunstmakerij in haar huis waar
de woonkamer tot atelier verworden
is. Nu is ze, al is het maandag, net
vertrokken omdat ze met een vrien-
din heeft afgesproken op de Maas-
boulevard. In verband met het coro-
naschatje doe ik nog even niet mee
aan uithuizige uitjes. Een paar uur-
tjes gans alleen en deze brief aan het
schrijven.

Ook nog even de voorlaatste brief
gelezen waarin ik het alweder over
het boek heb dat ik nooit ook maar
een moment geprobeerd heb om
uitgegeven te krijgen daar er,
terecht vind ik, een ondoenlijke
vrachtwagen vol angst van zelf-
onderschatting dwingend almaar
in mijn hoofd rondscheurt, hard
toeterend om er vooral van af te
zien de wereld te beplempen met
een product door mijn persoontje
geschreven en dat ook nog eens
veel te dicht aan mijn huid hangt
met allemaal autobiografisch vol-
gekladderde beleefstukjes die veel
te privé hebben te zijn en hebben
te blijven zoals veel critici beweren
en waar ik dan weer geen bood-
schap aan wil hebben eigenzinnig
als ik ook nog eens wil zijn maar
dus niet kan zijn omdat genoemde
angst me om het gekraakte hart
slaat bij het idee een heel boek op
de mensenmarkt te gooien.

Mocht er na mijn dood belangstel-
ling voor zijn van een hier of daar
per ongeluk opgelopen vriend of
wat kennissen en bij hoge uitzon-
dering eventueel geïnteresseerde
familieleden dan moeten ze bij
Saskia zijn. Dood is dood name-
lijk, d’r komp geen hel of hemel
aan te pas wat mij betreft van
waaruit ik ff de boel nog kan be-
stieren over het hoe of wat van
al de nagelaten sporen in honderd-
en en honderden uren door mij op
papier geknald. Dood heb ik er ff
niks aan zodat ik met een eventuele
keuze van Saskia het niet te doen
zeer content zal zijn.

Maar waarom niet zelf de hele zooi
in een stevig fikkende open haard
geflikkerd? Dan zou ik het nu direct
moeten doen en dat zou me weer-
houden nog wat verder aan deze
brieven te schrijven om redenen
hieronder gegeven want omdat
er grote kans is dat het ieder mo-
ment kan gebeuren dat mijn hart
er de brui aan geeft maar het niet
zeker is wanneer ga ik onverdroten
voort met het schrijven van deze
brieven, daarbij ook dwingend de
gedachte om het volledig afsterven
van mijn hersens tijdens het er nog-
niet-de-brui-aan-geven-gebeuren te
voorkomen. Ik wil voor zeker niet
als een te snel vervaagde oude zak
dit wereldje verlaten, zo’n oudje
dat achter zijn rollator vele malen
per dag omvalt zonder ook maar
een tel te beseffen dat ie aan het
omvallen is of al omgevallen is.

Godver, weer veel dood hier.

Weg! weg!! weg!!!








Brief (187) uit Schiedam

Zouden ze nog leven? Geurts, die van der
Ploeg en die hopman van de padvinderij?
Mannen die mij waarschijnlijk begeerlijk
vonden, niet van mij af konden blijven.
En juffrouw Haai? De juffrouw die uit
sadistische neigingen ook niet van mijn
lijf af kon blijven per stoffer en beuk-
vuisten. Hels nieuwsgierig ben ik of ze nog
leven, of ze nog wel eens aan mij denken,
de mannen daarbij met een laatste zielige
prikkeling in hun genotsstengel zonder er
nog wat meer mee te kunnen dan schamele
straaltjes eruit pissen opgevangen in een
in een door verpleegsters omgebonden
luier en de juffrouw haar nagels van de
vingers zwak nog in de door ouderdom
verkreukelde handpalmen drukkend om
het verlies haar neigingen ooit nog te kun-
nen botvieren met in haar ogen mogelijk
het beeld van mijn van angst sidderende
lijf in blote kont om de klappen met de
stoffer te ondergaan. Vijfentachtig, negen-
tig jaar hebben ze minstens te zijn, hun
leven wellicht al voor negentig procent
verdaan weggezakt in rolstoelen of klam
kreunend achter rollators krakend, wan-
hopig de veel te naderende dood nog wat
voor zich uitschuivend.

Dat ze nog lang mogen blijven leven!

De roodharige leeft zeker nog, af en toe spuit
ze wat rarigheden over mij rond zo hoor ik
van mensen uit mijn en haar omgeving. Leuk
vind ik dat, het geeft mij het vileine genot dat
ze nog altijd met me bezig is, die nu niet meer
zo lekkere rooie. Andersom geldt dat natuurlijk
ook, een stevig deel in ’n door mij geschreven
boek, Beddengoed, gaat over Elles, zoals ze zich
later liet noemen (in mijn tijd heette ze Alie,
rooie Alie), dus wederzijds dat tot nu bezigzijn
met de ander. Wat mijn persoontje betreft nat-
uurlijk logisch, de rooie heeft mij, vers uit het
tehuis bij haar zus in huis gedropt, op een nacht
wel even danig ontmaagd en de eerste zo wordt
vaak gezegd vergeet je nooit meer.

Herinneringen, wellicht wekken ze bij de rood-
harige boosaardigheid op omdat ik destijds,
een flinke tijd na mijn ontmaagding, niet met
haar naar bed wilde na een smeektelefoontje
van haar kant.

Zin om het haar te vragen na al die jaren?

Nee!















Brief (186) uit Schiedam

Een uurtje geleden heeft de bloedprik-
juffrouw van de trombosedienst een
gaatje in mijn arm geramd om daar-
uit, via een naald, een stroompje van
mijn edele bloed te verkrijgen en in
een buisje te laten lopen om vervolg-
ens dit mee te nemen naar het zieken-
huis alwaar er allerlei voor mij duistere
dingen mee wordt gedaan. Om de
twee, drie weken, het varieert nogal,
komt juffrouw Naald het bloedritueel
herhalen, altijd in dezelfde arm (de
rechter) laat ik mij braaf beprikken.
De ader onder mijn huid moet inmiddels
een gatenkaas lijken want als ik schat
hoeveel gaten er vanaf het moment
dertig jaar geleden dat mijn hart er voor
een deel de brui aan gaf in zijn geboord
moeten het er honderden en honderden
zijn, zeker als ik alle bloedpriksels in
het ziekenhuis tijdens de vele opnames
er bij reken. Liters van een kostbaar en
edel goedje zijn mij zo ontnomen, mijn
hele bloedhuishouden zal, zo gok ik, al
een keer of wat helemaal vernieuwd
zijn met dat wegnaalden van al dat
bloed. En waar is het allemaal gebleven,
waar laten ze dat spul als ze met hun
gegoochel aan mijn goedje klaar zijn.
Bloedworst er van bereiden? De resten
mee naar huis nemen en aan hun huis-
dieren voeren? Bottelen als Pleegzuster
Bloedwijn? In vette films gebruiken voor
levensechte wondeffecten? Er verf van
maken voor kunstschilders? Het bloed-
plasma er uit slopen? Heus allemaal
redelijk nuttige mogelijkheden zo wil
ik wel denken, maar ook dat ze het zo-
waar gewoon door de gootsteen kun-
nen laten weglopen als onbruikbare
rotzooi. Ik denk het laatste want er
worden hier thuis door mij veertien
pillen per dag geslikt, in tien dagen dus
honderdveertig, in een maand vier-
honderdtwintig en in een jaar zo’n
kleine vijfduizend. Zoveel pilspul,
dan wil dat door juffrouw Naald ge-
tapte sap toch zeker eh volledig be-
dorven zijn? Wel fijn hierbij is het
idee dat het coronamonster geen
zin heeft in mij allerlei verwoesting-
en aan te richten door al dat pillen-
drab, het zou zomaar kunnen dat
Mien Corona rechtsomkeer maakt
ziet ze mij in verre verten aan komen
rollen in mijn invalidenkar met een
wolk van pillengif om mij heen walm-
end als was ik een professionele pillen-
makerij. In dat mannetje moet ik niet
zijn zal ze dan geheid denken en maakt
in grote druppelstappen dat ze wegkomt
naar een ietwat minder giftig lijf ter sloop.






Brief (185) uit Schiedam

In Schiedam werden de meeste corona
boetes uitgeschreven door de boas. 592
zo vond ik op het internet. Da’s een flin-
ke duit voor de Schiedammers, maar ha,
hun en mijn stadje is wel eindelijk eens
ergens kampioen in. Dus lang leve de
boasjes. En ook dank lieve boasjes, kan
Schiedam weer even genoemd in dit
schrijven want dit briefgedoe wil nat-
uurlijk niet voor niets de titel brieven
uit Schiedam voeren, daar moet de
plaatsnaam wel af en toe in voor kom-
en, af en toe, dus wel weer genoeg Schie-
dam wat de klok heeft mogen donderen.

Vreemd, steeds minder behoefte aan
lezen, af en toe een uurtje wat letters
vreten uit mijn e-reader dat is al een
hele prestatie, niet eens iedere dag wil
dat het geval zijn, soms dagen niks dan
naar de televies kijken en wat tijd door-
brengen in de buitenlucht om de brood-
nodige beweging te bewerkstelligen,
voorgeschreven door de hartspecialist,
liefst twee maal 15 minuten maar dat is
mij teveel, een keer per dag dat kwart-
iertje eruit persen in behoorlijk veel
ademnood is het uiterste wat mijn hart
en ik nog kunnen bewerkstelligen, daar-
na plof ik in de meegenomen rolstoel die
Saskia, op dat moment de fijnste meid
van de hele wereld natuurlijk, nog uurtje
voortduwt terwijl ik met mijn zieke lijf zit
uit te hijgen van godver toch wel een heel
eind dat kwartier lopen, nu ja lopen, het
is meer met wankele benen, als van een
bejaarde, mij moeizaam voortbewegen
vol verlangen naar de vijftiende minuut
om dan neder te kunnen ploffen op het
gitzwarte kussen van de invalidekar. Een
wonder is het hoe snel een mens zich aan-
past aan veranderende situaties, liep ik
samen met Saskia een klein mensenleven
geleden in de Ardennen zomaar hup vier,
vijf uur over heuvel en dal, nu is een kwart
stukje uur al een hele prestatie. Maar on-
gelooflijk hoe wij kunnen genieten van
dat uurtje buiten wandelen, we de zon op
onze huid kunnen laten neerkletteren,
de wind langs alle vouwen en vetlagen
kunnen laten razen, zelfs als het regent
zouden we naar buiten willen gaan maar
dat doen we dus ff mooi niet want dan
worden we nat en daar zijn wij, of beter
gezegd ik, niet voor op de wereld gedropt,
tenzij het 40 graden is, maar dan blijven
we sowieso binnen vanwege ’t verrekte
hart van mij dat van zulk een tempera-
tuur bang als de dood wordt en dat wil
ik dus even niet, doodgaan, zeker niet
nu ik met behulp van Saskia nog zo lek-
ker rond kan rollen al is het in een be-
perkte wereld tijdens dit zo verdomde
coronatijdperk waarin zoveel niet meer
mag.









Brief (184) uit Schiedam

1 juli en ik voel niks! Ja, mijn hart dat
onregelmatig klopt, maar dat is niet
vanwege Ruttes gevierde teugels, het
is, zoals bekend, meer omdat het een
slap aftreksel is van wat het ooit was
en van wat het nog altijd had moeten
zijn; een zeker in coronatijd fier werk-
end geval. Helaas het ding is te voor-
tijdig met de fierklop gestopt een aan-
tal jaren geleden (zie vooral voorgaan-
de brieven over het hoe en wanneer et
et et et et et et et et et et et et cetera
en ook kan ik niet beloven ’t er nooit
meer over te hebben).

Voor mijn gevoel al een onnoemelijke
tijd geen gedicht meer geschreven. Een
gevoel waarvan ik me afvraag of ik het
al die tijd erg heb gevonden. Ik bedoel
ik heb niet hele dagen lopen janken dat
er geen vers of stroof door mij in deze
wereld is geplempt. En zo ook jankte de
wereld niet dat ze niet is verfraaid met
een ongelooflijk fantastisch erg te mooi
gedicht van mij. Zelfs het huidige corona-
geval spoedt mij niet aan tot een poëtisch
uitbraaksel. Dus wat de verskunst betreft
geen gedoe er meer mee in deze brief.
Overigens, met de rest, zoals aan een
boek nog een keer prutsen, redigeren,
columns schrijven, verhalen schrijven
en nog wat ander lekspul is het droevig
gesteld, nee geen ramp, want dan zou
ik fiks overdrijven, zeker gezien de ver-
wachtingen vanuit de wereld eh…

Daarom nog maar een stukje uit het dag-
boek van een fiks fiks aantal jaren geleden:

9 dec. 1989 11.30
Buiten is het stil. Dat is het al jaren. Mensen
glijden als niet bewegende schaduwen langs
mijn raam. Alleen een hand beweegt. Op-
gestoken, om naar mij te zwaaien. Ik
zwaai terug. Een leven zonder woorden.
De kennis van tien woorden is genoeg om
aan dit dagelijkse schouwspel mee te doen.
Hallo hoe gaat het? Goed. Nou tot ziens
maar weer hé. En verder gaan we weer.
Naar onze veilige hokken. De straat ligt
vol met angst en zal als je te langzaam
loopt zich zo aan je schoenen vast vreten.

25 febr. 1990 11.30
Ik ben er nog steeds bij!
Wel steeds dieper zinken (in gedachten).
Lichtpunt; een zwarte kaars die niet brand.
Lezen; niets!
Leven; zonder energie, dus vegeteren.
Zien; ontluikende natuur, heel vroeg dit jaar.
Schrijven?; ha ha ha.









Brief (183) uit Schiedam

abcdefghijklmnopqrstuvwxijz

Zo, hiermee is zo’n beetje alles
wel geschreven. Het zou toch
lekker zijn als je als schrijver
hiermee klaar zou zijn. Dat de
lezer zijn of haar eigen verhalen
maakt uit deze reeks letters gaf
je je boeken uit met alleen deze
zo beroemde abc-regel ook wel
bekend, zo mag ik toch wel ver-
onderstellen, onder de naam al-
fabet.

Slapend rijk toch zeker!

Helaas zit de wereld een beetje
knellender in elkaar. Lezers steken
direct hun middelvinger op deed
je als schrijver dit makkie aan hen
verkopen om het maximale aan
geld en bewondering te oogsten,
of realistischer wellicht, je hersens
zouden tot pulp geslagen worden,
je geschonden lijf op een stapel van
je boeken verbrand worden en de
as daarna met hardleren laarzen in
de kleigrond worden gestampt of…

Nu ja, eh… vul maar in.

Enfin, het is, zoals wel vaker, weer
zo’n dag dat ik niets te schrijven
heb. Niets maar dan ook helemaal
niets komt er uit mijn vingers dan
bovenstaand gebrabbel over hele-
maal niets!!! Ik kan net zo goed
terug in mijn bed glijden om de
lakens te verwennen met mijn aan-
wezigheid, er in mijn nietserig-
heid fikse kreukels in gaan liggen
draaien, daar dan een aantal
foto’s van maken, die in een boek
plakken, er schoon bij schrijven dat
het landschapskunst is, weer terug
het bed inschuiven, lekker duttend
wachten tot het geld binnenstroomt
en zo aan het eind van mijn levens-
bedoening met het idee sterven dat
ik heel geweldig wat gepresteerd heb
in het leven.

Kan allemaal.

Maar, corona is ook nog altijd doende.
Niet dat ik daar weer over wil schrijven,
maar het is over een dag 1 juli, de dag
waarop Rutte en knechtjes de teugels
flink wat laten vieren, Nederland weer
een beetje Nederland mag worden, de
klompen van vreugde weer mogen klos-
sen op onze kleibodem, er het schuim
van de hielen van koning alcohol weer
uitbundig mag worden gehapt op de
terrassen, de ingeslapen spieren fijn
op allerlei schooltoestellen kunnen ge-
dropt weer om het lijf toch vooral puik
te doen lijken, de zee weer kan stranden
op de onmetelijke bubs bijna naakte
zandhoppers die als een vleselijke muur
haar zoute zeewater zal stuiten, het
straal vliegend tuig dat weer mag vol-
gepropt met voor corona onbevreesde
lijven die niet anders kunnen dan echt
op vakantie MOETENMOETENMOETEN.

Heus het zal voelen als bevrijdingsdag.


















Brief (182) uit Schiedam

Nou, toch maar niet, dat dode toetsen-
bord, toch ook nog maar even niet de
deleteknop zoals ik mezelf in de vorige
brief aansmeerde, gewoon hoop houd-
en dat het ooit heus nog wel wat wordt,
dat er op een dag een brief, verhaal of
gedicht uit mijn vingers druipt waarvan
de hele wereld Nederland uit de lang al
ongebruikte klompen schiet en heel de
wereld Buitenland eindelijk eens van ‘t
verrekte beeld afkomt dat heel de wereld
Nederland nog altijd van die belachelijk
houten gevallen draagt. Blijven mooi al
die Chinezen, die verdomde coronaprut-
sers, lekker weg uit heel de wereld Neder-
land. En nu we het toch over corona heb-
ben, we mogen van de heer Rutte vanaf
1 juli weer met zijn allen in de zon zitten
samen.

EINDELIJK.

Hoewel, die verdomde frotsbal straalt
op dit moment zo hard dat het, wat mij
betreft, niet uit te houden is buiten. 1
juli is nog een kleine week niet aan de
orde, dus leve Mark voorlopig!

Ooit schreef ik een gedichtje over zon
en aanverwante zaken:

100% katoen.

Juni, de zon is er, en er zijn terrasjes.

Er is ijs genoeg.
Er is bier genoeg.
Er is wijn genoeg.

Hartige hapjes geen probleem.

Er zijn boten.
Er zijn bootvluchtelingen.
Er zijn dode bootvluchtelingen.

Juni, de zon is er, en er zijn terrasjes.


Toen: bootvluchtelingen en zon.
Nu: een vet virusje en ook zon.

Het gaat best wel prima met de wereld.
Hooguit trappelt er een financiële crisis
op de virusduikplank van de economie,
een dipje dat de hele wereld met een sterk
vermagerde geldbuidel zal opschepen,
wellicht zal er dus ook volgend jaar niet
uitbundig van de terrasjes genoten kun-
nen worden want te arm, maar voor de
rest gaat het, zoals gezegd, prima ver-
domme nog aan toe.