Spring naar inhoud

Brief (161) uit Schiedam

Al drie dagen het nieuwe jaar.
Op bed in gesprek ’s morgens
met Saskia over het kwijt zijn,
sinds de afbraakaanslag op
mijn lijf, van het gevoel voor
het maken van kunst en het
schrijven en vooral hoe verder,
want twee jaar bijna niets ge-
daan, zeker wat de kunst be-
treft, het schrijven pruttelde
weliswaar nog twee of drie
gedichtjes plus wat van deze
brieven uit mijn wrakke lich-
aam, maar om daar nou een
lyrische woordje over naar
huis te schrijven het is toch
wel een strofe of wat teveel
gevraagd, waarachtig, geen
gouden envelop gevuld met
schoonheid kan ik van de
daken laten dwarrelen, meer
een struikelpropje op de
rand van een stoep is het, de
nok is ver te  zoeken. En dan
heb ik het nog niet eens over
wat er met al de werken die
Saskia en ik gemaakt hebben
gaat gebeuren. Zal alles danig
voor niets zijn geweest mochten
wij onverwacht verongelukken
of anderszins ’t leven ophouden
te leven, wordt alles, door ons
geproduceerd, door onwetende
familieleden hup gewoon in een
container geflikkerd, wellicht
buiten een paar werkjes die ze
zelf heel erg per ongeluk mooi
vinden voor boven de bank? Het
kan me eerlijk gezegd niet eens
zo heel erg veel schelen, het ple-
zier van het maken was toch uit-
eindelijk het mooiste aan dat ge-
pruts met kunst, iets maken van-
uit het niets om maar eens een
clichéuitdrukking te gebruiken
dat is 95% van de lol. Is een werk
klaar wordt het van de wereld en
verdwijnt het al snel, zeker als het
verkocht is, naar een bestaan waar
je als maker volkomen buiten staat,
alleen je naam bungelt er nog aan.

Okay, het niet eens zo erg kunnen
schelen is wellicht wat al te stoer
uitgedrukt in het kader van boven-
staande door mij zuur uitgebraakte
mogelijke toekomstbeelden voor
de door ons geproduceerde kunst
die ik daar uit mijn mouw schud
als waren het te besmeuren tover-
ballen waarvan, na de tover, niet
meer overblijft dan een rotrestje
NIETS.

Natuurlijk zou het mooi zijn als
er vlaggen en wimpels van ge-
weldig op ons werk zouden worden
geplant door mensjes die zich be-
roepen voelen tot de kunst, al
zal ik er mijn hierboven getoon-
de al te stoere schouders vooral
even niet mee belasten al die
spierballentaal over het niets
kunnen schelen zo stoer geuit
door mij fiks onderuit te schop-
pen en bibberend gaan wachten
op wat erkenning. Wel zou dat
zeker een mooi zielig verhaaltje
opleveren over kunstenaar snakt
naar erkenning.

Eh mooi dus even niet maar!

In ons gesprek kwamen we ook
op Kunstwerkt, een vereniging
van Schiedamse kunstenaars die
een eigen tentoonstellingsruimte
heeft en waar ik, als ik er al eens
naar toe ga om een zoveelste ope-
ning te beleven, vaak het geploeter
zie van al die (plusminus 50) bij de
vereniging aangesloten kunstenaars.
Een geploeter tot meestal erg weinig.
Als ik de daar opgehangen werken
zie komt bij mij heel graag het idee
van wat een broodje weinig in mijn
lijf schuren. Bijna niets is er verras-
sends als ik dat fröbelwerk zie, hoog-
uit, bij heel veel geluk, een paar uit-
zonderingen daargelaten. Maar dat
gebeurt maar zelden, het is meestal
veel van hetzelfde, veel van wat er
in de kunstwereld al ellenlang ge-
presteerd en getoond is. Van oor-
spronkelijkheid is bijna geen pluis
te bekennen ondanks al ’t serieuze
geploeter van de deelnemers. Nee
waarachtig, ik zak niet met mijn
reet op mijn enkels van verbazing
bij het zien van al die lappen kunst.
Eerder wil er een algehele rilling
achter mijn ogen zich optutten naar
een grimas van teleurstelling die
alras op mijn gezicht voorbijtrekt
als een tsunami niet meer te keren.
Overigens hangt ons werk soms
ook tussen die lappen, het zei maar
even gezegd.

Dus dat van dat familiecontainertje
is nog zo gek niet gedacht. Wel kan
ik ons eigen werk natuurlijk niet
zelf een beetje objectief gaan zitten
beoordelen en wordt mogelijk zo’n
klaarstaande familiecontainer toch
nog de grootste misdaad ooit tegen
kunst gepleegd. Ik bedoel maar ff.



Brief (160) uit Schiedam

Tweede kerstdag de godganse
dag naar de televisie gekeken.
Wel vier kerstfilms gezien, dat
moet namelijk, is ieder jaar
weer een must om het feest
een beetje op te beulen, een
beulen tot onze ogen bont en
blauw zien van het kijken naar
al het liefelijks dat in de mees-
te kerstfilms wordt gepropt om
wellicht te laten zien dat het
joch niet voor niets moest word-
en geboren in een wereld waar
het “sappige” kleurtje pikzwart
zo graag en lang al de boventoon
voert. Dit alles broodnodig over-
goten uiteraard met een maagde-
lijk sneeuwlaagje waar wij mens-
jes beslist niet buiten kunnen bij
het ondergaan van dit geboorte-
feest om er ten volle van te kun-
nen genieten.

We hebben het weer overleefd.
Vooral ook doordat we geen “ge-
zellig” familiediner dit jaar hoef-
den te doorstaan, mijn gezond-
heid namelijk laat zoveel gezel-
ligheid niet toe. Uren en uren
tussen mensen zitten en verplicht
meeleuken met alle kerstgein het
is normaal al een hele opgaaf en
nu met mijn kreupele gezondheid
dus zeker. Dank mijn lief hartje.

De afgelopen twee jaar mocht ik
het grote feest in het ziekenhuis
meebeleven, in bed als patiënt.
Hoewel meebeleven, in het ene 
kregen we, o geweldige kerstop-
tater, nog net een kerstgebakje
of zoiets, in het andere werd er
als ik het nog wel heb helemaal
niets aan gedaan. Dat waren dus
twee uitermate aangename “kerst-
vieringen”. Maar dit jaar spande
de kroon zo met z’n tweetjes en
al die films. Weer voor een heel
jaar opgeladen ben ik, een heel
jaar aan schulpleven kan ik weer
aan, tenminste als mijn hart er 
ook nog even vrolijk aan mee wil
doen, anders was dit de laatste.

En nu op naar oudejaarsavond,
op naar 2020, op naar weer een
heel nieuw jaar vol van mezelf,
want daar gaat het toch uitein-
delijk om; het eigen ik. Een ik,
dat eigenlijk niet van jezelf is,
het is een ik dat via de blik van
anderen aan je wordt opgediend
zo heb ik weleens ergens gelezen,
aan de reacties van anderen kan
je zien welk ik je op dat moment
bent, een aardige ik, een sullige ik,
een kwaaie ik, een verliefde ik,
een sterke ik, een zwakke ik, een
vrolijke ik, een afschuwelijke
ik et et et et cetera. Nou moet
ik zeggen dat ik heel weinig met
anderen omga en er van mij
maar een klein ikje is, een ikje
dat nog net deze brieven kan
schrijven. Maar een ik alleen
nog gezien door het eigen ik
wat is dat voor een ik? Kan zo-
iets?  

 

Brief (159) uit Schiedam

Kerst en we (Saskia en ik) zitten
uiteraard naar de Paus te kijken.
Doen we ieder jaar. Niet omdat
we van de religie zijn, maar meer
om wat vrolijk commentaar te
leveren op het toneelstukje dat
in alle ernst wordt opgevoerd.
Commentaar op de toch ietwat
saaie jurken die de mannen (het
zijn alleen mannen die het stuk
mogen spelen) dragen, of over
de onderkin van de Paus die hij
met een beetje fantasie fiks als
schaamlapje voor alles wat ter
kerke komt zou kunnen ge-
bruiken, over de heiligen uit
de bijbel zoals Johannes, Paul-
us alsook die J. de doper enz. 
waarmee rondgestrooid wordt
als betreft het roomtaartjes van
een bijzondere soort helemaal
gebakken door God himself.

Allemaal oude mannen de
spelers. Ieder jaar zitten we
weer met de kneukel in ons lijf
te wachten of er een of twee
van ouderdom speciaal voor
ons voorover zullen gaan vallen,
maar elk jaar worden we weer
teleurgesteld, we vermoeden
dat ze bibberend van vermoeid-
heid net voordat ze opkomen
op een ouwel een onsje speed
tot zich nemen. Commentaar
ook op het vrolijke feit dat er
altijd wel een stukje in de tekst
zit over hoe erg de armoe in de
wereld is terwijl ze met hun
verschrompelde rimpelbilletjes
op enorme bergen geld zitten.

Genoten en de kerst geslaagd
zoals we verwachten. We zouden
geen ander toneelstuk voor-
geschoteld willen krijgen op de
eerste kerstdag ook al was het
een stuk van een tot in het on-
eindige beroemde schrijver, ff
mooi niet nee

Saskia deze brief laten lezen, ik
heb haar geen enkele keer horen
grinniken (een teken om te weten
of een tekst die komisch bedoeld
is ook leuk wil zijn, zij is altijd de
eerste die leest wat ik schrijf,
vindt zij het niet goed, weg ermee,
of heel rap totaal veranderen die
zooi!), welnu, ze vindt het een erg
flauwe tekst een beetje simpel zelfs,
dus…

Brief (158) uit Schiedam

De opoe van het pleeggezin is
inmiddels al een flink tijdje
dood, zo ook haar zonen, alleen
haar dochters leven nog en
een sloot door opoe nagelaten
kleinkinderen huppelen rond.
Ik weet dit omdat dit mij ter ore
is gekomen via een aantal ken-
nissen die af en toe nog wel
eens wat zien van die over-
gebleven familie, zelf namelijk
heb ik er al een jaar of dertig
geen contact meer mee. Ook
mijn eigen opoe is al jaren en
jaren dood, die heb ik dus wel
beleefd tot aan haar eind, altijd
trouw bij haar en opa langs ge-
weest, net zo trouw als zij bij
ons langskwam in het tehuis.
Opoe was de enige die op bezoek
kwam samen met een vriendin.
Om de zoveel tijd nam ze de
trein vanuit Driebergen naar
Nijmegen en bracht dan ook
kadootjes voor ons mee, zo heb
ik nog een foto van mij en een
vriend in het tehuis liggend bij
de verwarming uren luisterend
naar mijn van opoe cadeau ge-
kregen draagbare radio die met
de antenne tegen de verwarmings-
buis lag voor een nog betere ont-
vangst. De drinker met de losse
handjes en de wegloopster van
het huwelijksstel waaruit ik en
mijn broertjes en zusjes zijn
voortgekomen hebben we daar
nooit gezien, hadden het te druk
met het fijn maken van hun
nieuwe leven zonder ons zo kon
ik heel veel later zien op foto’s die
uiteindelijk bij ons terechtkwamen
na hun dood. Vooral de heerlijk-op-
vakantie-foto’s met hun nieuwe
partner staken er bovenuit en die
mij het meest staken bij het idee
dat wij op het moment waarop
die foto’s gemaakt zijn in het te-
huis zaten vol van verlangen ze
ondanks alles bij ons te hebben.

Maar goed, morgen is het kerst
en moeten we aan een ander
kindje denken dat geboren is
zo’n 2000 jaar geleden, een die
er gelukkig heel wat beroerder
aan toe was dan wij zo wil het
verhaal, vooral op het eind van
zijn korte leven heeft ie het flink
voor zijn kiezen gehad en dat
vooral opdat wij er het na 2000
jaar nog altijd over hebben en
zelfs een feesie van twee dagen
bouwen om zijn geboorte heer-
lijk te vieren als dank voor het
feit dat hij zijn vlees voor ons
erge zondaars hiel lief aan het
kruis heeft laten spijkeren in
zo’n dramatisch decor dat we
er nog wel 200 jaar mee vooruit
kunnen.

Brief (157) uit Schiedam

De zon schijnt, de lampjes in
de kerstboom schijnen danig,
een lekker stukje klassieke mu-
ziek rolt er uit de speakers, de
huishoudelijke hulp die ik sinds
anderhalf jaar mag toelaten in
mijn huis met toestemming van
vadertje staat houdt het woon-
boeltje kek soppend proper en
toch wil het vandaag maar niet
schijnen en rollen en proper zijn
in mij, nee donker, stil en zwart
is alles al een paar uur, geen en-
kel zonnetje in de ooghoeken te
ontwaren.

Oorzaak?

Geen idee!

Een poëempje dan maar:

Vloeiblauw (muren en andere zaken)

zinswendingen en de snelheid
van groei in een proeftuin vol
op prille billen losgewikt en af-

gestoft naar vrouw en haard

– goed viesdoen een kunst van
kannibalisme zonder bloed in
de badkuip tussen mooimuren –  

de schuimkraag opgezet in glas
achter een krant verdraaid van
mini’s en wel 120 minuten gratis
bellen met de buitenwereld groen

de zijnsvraag even weggemoffeld
in ogen open als twee linkerhanden 

Hoewel, ook geen lap tekst om
vrolijk van te worden al begint
het gedicht heel hoopvol over
’t leven in de tuin van de jeugd
met rappe groei en prille billen,
want al snel wordt er getrouwd
om daarna zonder bloed in de
badkuip elkaar het leven een
tikkie erg zuur te maken en te
eindigen met ogen waar geen
interesse meer is dan voor een
glas bier en gratis miniadver-
tenties in de krant naar waar
alles groener is dan tussen de
mooimuren van het huwelijk.
Een te erge voorstelling van
zaken dit gedicht? Kijk naar
het gemiddelde huwelijk, plak
bovenstaand gedicht erop en
het plaatje wil toch zeker klop-
pen als een bus die altijd braaf
op tijd bij de halte aan komt.
Eigenlijk is het not done je
gedicht uit te leggen, want
zei Favereij niet ooit in een
interview dat je je gedicht
door het uit te leggen afpikt
van de lezer?

Nog een paar dagen voor de
kerst, misschien is er daarom
geen zonnetje te ontdekken in
de buurt, het joch moet vooral
in het donker geboren zijn, op
een zomerse dag zou het toch
heel ander feestje worden zo
vermoed ik, want wat te doen
met de ster van Bethlehem zo
in de zomerzon, wat met de
herders die slapen in de nacht,
wat met het lied stille nacht
heilige nacht en wat met onze
lichtjes in de kerstboom? Een
ster niet te zien dus. Luie her-
ders die verdomme slapen
midden op de dag. Een treur-
boom zonder lichtende licht-
jes! Het zou de kneutersfeer
van de kerst toch zeker hele-
maal verzieken?







Brief (156) uit Schiedam

Net Chretien Breukers gezien
bij VPRO boeken, heeft een
dun boekje geschreven over
eigenlijk zichzelf en wat sm-
fantasieën waarbij hij half en
half liet blijken daar ook wel
mee te spelen of gespeeld te
hebben. Voor de rest ging het
interview over dat het boekje
(nogal dun namelijk) over ‘t
mislukken in de liefde en in
het kunstenaarschap gaat. En
nu maar hopen voor Breukers
dat het mislukken zich naar
lukken heeft gegroeid anders
moet ie er nog zo’n boekje
tegenaan knallen.

Wel mis ik de Contrabas, de
poëziesite waar Breukers de
scepter zwaaide, las je daar
regelmatig dan bleef je rede-
lijk op de hoogte wat er in
poëzieland gaande was. Nu
schijnt hij een of ander baantje
te hebben in Praag. Een eh
managersfunctie zo te zien
aan zijn uiterlijk, zijn haar kort
geknipt, heel wat dikker ge-
worden, keurig in het pak,
een donkere bril op en nog
net geen dikke sigaar tussen
zijn lippen gepropt. O ja, hij
staat ook nog met een gedicht
in ons Poëziepleinboek, ooit
hadden we hem benaderd om
een gedicht te leveren voor ons
project (door de stad posters
met gedichten en op de achter-
grond kunst van voornamelijk
Schiedamse kunstenaars waar
aan het eind van het project
een poëziepleinboek uit voort-
kwam) maar hij was min of
meer wat op de achtergrond
geraakt (genoeg dichters) dus
schreef hij op een gegeven
moment een mail of ie nog
mee mocht doen met ons
project. En ja, dat mocht.
Hij blij, wij wat minder want
hij stuurde ons een gedicht 
dat we niet echt eh geweldig
vonden, gelukkig stuurde hij
wat later een verbeterde ver-
sie (zonder de laatste strofe).
Ga z’n boek wel bestellen want
per slot volgden we hem (voor-
namelijk middels de Contra-
bas) en zijn vrouw (waarvan
hij inmiddels is gescheiden
en die ook schrijft alsook
kunst maakt) al een paar jaar.

Genoeg Breukers nu.

Tijd voor weer een stukkie over
het eigen gebeuren, de brieven
heten niet voor niets uit Schiedam
te komen.

Echter, dat is voor een volgende brief.

Brief (155) uit Schiedam

Bonken deden ze ook, de mannen 
die bij opoe over de vloer kwamen,
het liefst zo hard mogelijk want je
moest er wel wat aan hebben aan
dat bonken. Vooral als de rooie in
de buurt was werd er gebonkt, ze
had wel te zien dat ze wat waard
waren, de heet opgelopen mannen,
zien dat ze behoorlijk wat in hun
mars hadden, en dan vooral op de
plek van hun ondertussen, daar
waar nogal wat bungelde volgens
henzelf en dat ook wel een worm-
vormig uithangsel wordt genoemd
in de officiële voorlichtingslitera-
tuur. Het bonken ging als volgt;
het groepje op-bezoek-mannen
ging in een kring staan waarbij
een aangewezen vrijwilliger
(meestal de magere man uit de
groep die nogal eens een etterig
gedrag vertoonde tegen mensen)
als eerste in het midden moest
staan om de eerste bonk te ont-
vangen, deze moest zijn borst
ontbloten en de rest in de kring
mocht om beurten met de vuist
een bonk op de ontblote borst
geven, zo hard mogelijk. Dagen-
lang liep je met een vage pijn in
je borst rond na het bonken. Ook
ik, nogal stevig gebouwd, mocht
meedoen met de mannen hoewel
ik pas zeventien was. En die rooie
maar roepen; harder, harder ter-
wijl ze op lange benen onder een
korte rok om de kring heen walste,
haar rode haar als een waaier van
ophitsende aanmoediging om haar
heen zwiepend. Eens in de zoveel
tijd gebeurde het dat bonken, met
niet meer aanleiding zoals gezegd
dan de aanwezigheid van de rooie
die de mannen als het haar ging
vervelen met pijnlijke borstkassen
achterliet in een teleurstelling zo
pijnlijk als hun gekrenkte lichamen.
Het bonken stopte pas toen ik uit
het pleeggezin vertrok, de rooie
zag ik af en toe nog, maar de mannen
heb ik daarna nooit meer gezien dan
vluchtig in het voorbijgaan op straat
waar ze me nauwelijks nog groeten
uit schaamte neem ik maar aan, net
als ik die nu ik dit opschrijf dat met
een behoorlijke portie schaamrood
op de zwaar verouderde wangen
doe hier ooit een stevig bonkje aan
te hebben meegedaan hoewel het nu
voor mijn hart wel eens een verfris-
send beukje zou kunnen zijn zo bij
tijd en wijle in plaats van de vrese-
lijke defibrilator.

Nog acht dagen en we zijn weer in de
kerstsfeer, in ieder geval beter dan dat
bonksfeertje.