Spring naar inhoud

Brief (177) uit Schiedam

Zo, even een paar weken per brief niet
gecoronaad. Een mens zou het virus
verdomme alleen al door het er ellen-
lang over te hebben hup het gezonde
lijf in schrijven om vervolgens op de
ic te belanden en daar heerlijk, want
helemaal alleen, je dood in sterven.

Wat ik al die weken uitgespookt heb;
naar de tv zitten staren en naar de tv
zitten staren en… Niets dus eigenlijk.
Lezen ging niet, schrijven ging niet.
Gewoon, zoals bejaarden veelal plegen
te doen; naar de pixelbak zitten lubbe-
ren met ogen dik van het lubberen. Dat
is wat ik in al te nauwe belevenis heb
gedaan. En eten. Niet teveel want, zo
zeiden de tv-smoelen, van corpulen-
tie krijgt Mien virus nog meer honger.

Is Mien ha toch nog ergens goed voor.

Slank als een jonge den die te weinig
vocht tot zich heeft kunnen nemen
kreupel ik nu door de kamers van
mijn huis, een rugzak vol virusioenen
achter me aanslepend zodra ik even
niet naar de bewegende stilzitbak zit
te kijken.

De VVD staat op 43 zetels! Rutte effect.
Zal wel snel veranderen. De mensen in
het land beginnen al weer stevig zich
niet aan zijn regels te houden. De zon
wint het bij zijn eerste mooie naar-bui-
ten-ga-dag-aansporing glansrijk al van
het politieke Ruttezonnetje. Mooi. Je zou
anders van de weeromstuit denken dat
Nederland zowaar klaar is voor een to-
talitaire staat bij een door corona-angst
gedreven al te braaf volk met Rutte, ui-
teraard van oor tot oor lachend aan het
roer. Zie het kekke China bijvoorbeeld
waar het volk beperkt wordt tot een
puppet on a string zonder uitbraak-
mogelijkheden dan alleen een virus-
uitbraak. Nee, Rutte is geen dictatert,
ook al worden we als volk fiks beperkt
in onze bewegingsvrijheid. Een beper-
king waarbij men zich kan afvragen
of de politiekers niet al te veel uit de
klomp schieten met die nietleefregels.

Overigens wat die klomp betreft niet
zo erg, want het zou heerlijk zijn eens
van dat idiote internationale idee af
te komen dat hier in Nederland ieder-
een nog immer op klompen rond klep-
pert daarbij een wezenloos tulpje in
de kleihanden klemmend met hun
Hansje daarnaast in volle trotsblos
zijn verneukeratieve vinger in een
dijk gepropt daarmee de nationale
trots, zijnde de bloembollen, te vrij-
waren van een dramatische verzuip-
dood.










Brief (176) uit Schiedam

Het is toch wel een knotsgekke ervaring
binnen te moeten blijven terwijl zonlicht
door de ramen je aanbrult dat je naar
buiten moet, hij niet voor niets zijn best
doet zijn stralen naar je te zenden, je
verdomme toch zeker met de eerste echt
mooie lentedag van het jaar en de kleum
nog in je winterbotten het best maar jezelf
bij de kladden zal grijpen en dat kille lijf
van je naar buiten te sleuren om in ieder
geval een stevig stuk op te warmen, het
plotse coronagedoe van je vel af te laten
branden voordat het je volledig te pakken
krijgt en je gezellig in een ic-bed propt of
nog erger et cetera.

Ofwel ik kan wel zeggen dat de angst voor
dat pestvirus mij inmiddels ook lekker on-
der de huid is gaan kruipen nu men al de
wereldeconomie in elkaar laat storten door
de hele santenkraam gewoon op slot te gooi-
en. Een in elkaar stort tot dat virus, vet ge-
vreten, ons met rust te laat zodat we vrolijk
verder kunnen gaan het aardbolletje waar-
op we met zijn allen lopen te raaskallen op
te vreten in een tempo tot nu toe ongekend.

Want wat blijkt;

De luchtvervuiling is enorm afgenomen sinds
wij gedwongen in huis bij elkaar gepropt
hebben te leven tot Mientje Corona er genoeg
van heeft als een uitgehongerd monster on-
genadig ons te bespringen tot ze totaal ver-
zadigd is. Komt die verzadiging er niet zullen
we moeten wachten tot het menselijk vernuft
een vaccinerende oplossing heeft gevonden.
Waarna uiteraard een volgend Mientje Coro-
na zich olijk kan aandienen met een wellicht
nog grotere honger dan de huidige.

Al die beelden van hierboven zijn dus wel
ff lekker sappig door de tv in mij neer
gekliederd, laat dat duidelijk zijn en aan
de media over. In te overvloedige hoeveel-
heden plempen media met overlopende
gezichten, als zijn ze met een spannende
kwis bezig, de hele coronazooi in een niet
aflatende stroom aan grafieken, wijze
heren alsook naar aandacht soppende
politiekers over ons heen in een plotse-
linge liefde voor de oudsten onder ons.
Een liefde in tegenstelling vreemd genoeg
tot een jarenlange bezuinigingsdrift waar-
van diezelfde oudjes tot nu toe onbehoor-
lijk het slachtoffer zijn.

Je zou van de weeromstuit dat liedje van
H. Marsman over Herinnering aan Hol-
land over gaan doen, ff het huidige Hol-
land erin gaan smeren.

Iets als:

Denkend aan Holland
zie ik het wrede corona
graag door ellendig
klaagland gaan,
rijen ondenkbaar
witte doodsbedden
als droge fluimen
tot het einde staan;
en in de kwellende
aarde verzonken
de rijen lijken
bedekt door wat zand,
stoottroepen, dokters
kapotte zusters,
zerken en walmen
in een doods verstand.
de zucht dringt gestaag
en de traan wordt er handzaam
in grote roodkleurige
ogen gesmoord,
en in smalle gewelven
wordt de lach van het later
met veel hijgende krampen
gedempt en vermoord.





Brief (175) uit Schiedam

Nog een brief, niet de laatste die vorige.

Het monster Coronaatje is wellicht niet zo
gulzig, of, dat kan ook, ze is rustig begon-
nen met haar vraatzucht, ze is gewoon ff
aan het wennen aan al dat mensenvlees
zo makkelijk en massaal voorhanden, en
dan, ze heeft al etend ontdekt dat niet ie-
dereen waar ze in bijt sterft, dat ze dus
mooi heel rustig door kan doen met het
verorberen; blijvend vlees genoeg in the
pocket. Ze kan op d’r dooie gemak nog
een stevig tijdje door met de fijne vreet-
hobby want bibberend van angst voor
haar gulzige doodzucht zit het mensen-
vlees in huisjes weg gekropen. Voorals-
nog niet in staat terug te bijten gaat hun
vlees voor geen meter meer naar buiten.
Het lijkt wel een helse derde wereldoorlog.
Wat overigens een tikkie erg overdreven
is en mede ingegeven en aangewakkerd
door de media die dag en nacht de vraat-
zucht van het monster toont in de meest
rampzalige beelden stevig geschraagd met
woorden van plots erg wijze heren, op-
geviste specialisten en aandachtsgeile
politiekers die de ramp nog zwaarder
maken dan een ramp maar heeft te zijn.
Het is net een spannende serie op tv;
hoe zal het verdergaan, waar eindigt
het, wanneer hebben we een tegengif,
lopen we niet te hard naar de limiet
van bezette ic-bedden, kan de zorg het
überhaupt nog wel aan. Kortom, wie
zal er winnen. Iedere dag zit ik aan de
verbeeldbuis gekluisterd om naar gra-
fieken te kijken die stijgen of dalen, die
mij vertellen hoe spannend het gevecht
met dat monster is, of er weer meer ziek-
en zijn, of er weer meer doden zijn geval-
len, of ik almaar banger moet gaan wor-
den voor mijn hachje, of ik nog wel een
volgende brief kan schrijven zoals in
een vorige brief ook al gesteld werd.
Wel vreemd is het dat het monster voor-
al een voorkeur voor oud vlees heeft, je
zou toch verwachten dat jong vlees voor
dat vreetzakje veel lekkerder zou zijn,
dat ze daar toch zeker, zoals de mens, ‘n
gigantische voorkeur voor zou hebben,
maar nee, voornamelijk oud vlees zal
het zijn. Waarom? Makkelijker bij de
verzwakte afweerstuipen te grijpen
dat oude vlees zo zeggen de geleerden
onder ons. Wat dat betreft is dat vreet-
beest behoorlijk gemakzuchtig en daar-
door, zo zal je zien, uiteindelijk toch ook
wel weer eenvoudig te verslaan.

Dat binnen zitten, vanwege corona, is
voor mij niets nieuws, de laatste jaren
heb ik, sinds mijn gezondheid vond dat
ik niet zo gezond meer mocht zijn, toch
al heel veel achter mijn voordeur door-
gebracht (ik kan het ding uittekenen zon-
der mijn hemd op te lichten als het ware),
iets waar ik niet zoveel moeite mee heb,
genoeg te doen namelijk; lezen, een uur-
tje of anderhalf per dag schrijven (meer
laat mijn niet meer gezondheid nog toe),
uit het raam staren naar de eksters, dui-
ven en spreeuwen. Meer vliegspul is er
in deze omgeving niet te zien. Of beter
nog, is er door mij niet gezien. Meeuw-
en namelijk zijn inmiddels uit zicht ver-
dwenen nu er ondergrondse vuilcon-
tainers zijn geplaatst in de straat zodat
ze de vuilniszakken niet meer leeg kun-
nen plunderen en ik o.a. niet twee keer
per week al de voor die vogels niet eet-
bare rotzooi uit mijn vuilniszak van de
stoep heb schoon te schrapen met een
loeiharde bezem. Ook de mussen aan
de achterkant zijn al een paar jaar ver-
dwenen sinds er in de woning op de be-
gane grond (ik woon op de eerste ver-
dieping) onder mij een verse buurvrouw
is komen wonen die gek op katten is die
dan weer gek op mussen zijn die geen
bescherming hebben omdat in de meeste
tuinen geen struiken en groen meer staat
waarin die beesten ter voorkoming van
een gewisse dood kunnen vluchten; een
grote tegel-zee die tuinen. Eerst had deze
buurvrouw nog een grote hond (zie vorige
brieven) die de katten wegjoeg, maar in-
middels is de hond doorgegeven aan een
nieuwe eigenaar en zijn die vogelvreters
weer terug. Een beetje kattencorona zou
de oplossing zijn, maar helaas coroontje
lust geen dieren, althans ze heeft nu een
fikse voorkeur voor mensen, oude mensen.







Brief (174) uit Schiedam

Een kleine drie weken kreunt
Nederland nu onder het ge-
wicht van het virus dat de he-
le wereld in haar greep houdt.
Drie weken en we zijn nog
altijd lief voor elkaar, de mees-
ten van ons bereid braaf naar
onze overheid te luisteren die
onder leiding van Mark de ene-
na de andere maatregel uit-
vaardigt om ons uit de heb-
berige klauwen van het geval
corona te houden, bereid ook
zijn we om, mocht het geval
nog erger gaan tieren, ouderen
aan die schrokop op te offeren
door ze geen i.c. behandeling
meer te geven bij een te hoge
leeftijd of als ze een hopeloze
ziekte in het oude lijf dragen,
bereid zijn we wellicht zelfs om
bij genoeg bang ons leven van
nu zo totaal te laten inperken
dat we alleen nog als een stel-
letje uitgedroogde dreutels
tweepersoons over de straten
zullen zwerven in armoe de
afgelopen 50 jaar ongekend.
Dat laatste echter is pas voor
een tikkeltje verder weg in de
tijd als dat gedrocht van een
virus niet wil ophouden zich
aan ons vol te vreten en wij
dus nog maar half hebben te
bestaan. Hoewel zoveel ver-
der in de tijd nou ook weer
niet want het vreetmonster
heeft nu Zuid-Holland al be-
reikt en dat is de provincie
waar ook Schiedam ligt en
waarin ik nogal welig tier
met een mank hart dat het
monster niet zal kunnen over-
leven zoals hierboven al bleek
met de al geopperde gedachte
in het nieuws dat oudere men-
sen met al te zware kwalen het
leven fijn kunnen vergeten om-
dat er vanwege knel in de zorg
niet de moeite meer wordt ge-
nomen ze nog wat te beademen
als laatste redmiddel en dus,
zoals ik al eerder schreef, zou
dit zomaar de laatste brief
kunnen zijn. Is overigens niet
erg want… Nu ja, wat ik maar
wil zeggen is dat het niet erg…

Tot zover het coronajournaal.







Brief (173) uit Schiedam

Ik heb vanmorgen maar een paar
emmers onder de televisietafel ge-
zet want de dreiging van het virus
stroomt met onvoorstelbare strom-
en uit de tv, de godganse dag wordt
er wel ergens op een zender over
geleuterd hoe erg het wel niet is en
hoeveel erger het nog kan worden.
Je begint van de weeromstuit bijna
te denken dat de hele mensheid zo’n
beetje zal gaan uitsterven, of in ieder
geval dat jij de zes plankjes alvast
moet bestellen waarin jouw door
het virus vermoorde lichaam kan
worden weggedragen naar een
koud kil gat gegraven in de korst
van de aarde waarop je een korte
wijle hebt mogen ronddwalen als
mens van goede wil. Een goede
wil overigens meestal mislukkend.
Gelukkig hebben we daar, net als
we voor het virus zullen vinden,
een oplossing voor gevonden door
een God in het leven te roepen die
de boel bij het tonen van een beetje
berouw over een mislukte goede
wil wel weer ff vergevingsgezind
gladstrijkt als ware het een peule-
schilletje op een fluitje van een
cent al zal dat fluitje niet helpen
te voorkomen dat er stemmen op-
gaan dat het een straf is van die-
zelfde Man en Hij dus helemaal
niet zo vergevingsgezind is als de
butlers in Zijn huis altoos beweren
als je daar zondags op bezoek mag
komen met een zak vol zilverwerk
om Hem te eren.

Een raar volkje die de mens hoor!

Tijd voor een gedichtje dan maar:

Veel zon schraapt onverschillig grasgroen bloot

mevrouw
meneer
meneer
mevrouw

het zijn trala nog lang niet dood
niet even soms / maar steeds
in tuinen vogeldwalen slijtgelopen

/ restjes
/ sperma
/ nog
/ van
/ overkomen

spagaat van bloemen
broodjes zoet
aan mosterd wijken mocht de kamer niet

een huis vol afgehouden woorden
het vette welkom op de mat
wat dikke meubels om te scoren

de zon per draadje aan het dak

Brief (172) uit Schiedam

Mogelijk 80000 doden door virus
volgens zeer geleerde virologen.
De kans dat ik er een van ga zijn
wordt zo wel heel erg aanzienlijk.
Een beroerde maar belangrijke
spier knispert er, zoals inmiddels
per deze brievenserie wel bekend,
zwak in mijn niet stervensbereid-
willige lijf rond. Een lijf sowieso ff
niet bestand tegen corona. Echter
dingetje c hupt, of je het wil of
niet, je mond, ogen en wellicht
alle andere gaten in je lichaam
binnen met een gretigheid waar,
ondanks mondkapjes alsook alle
Ruttes van de wereld, geen enkel
verweer tegen is. Dingetje c kiest
je beroerd genoeg nogal wille-
keurig uit om je in een onbewaakt
ogenblik spetternat af te lebberen
met een honger ongekend in ons
zo gezapige leventje met als ge-
volg dat het zomaar zou kunnen
dat dit dan de laatste brief heeft
te zijn als het een tikkie tegenzit.

Binnenblijven en deze brieven
volpennen over dat binnenblij-
ven is mijn komende lot mag je
de berichten uit de keeltjes van
de politiekers geloven, want vol-
gens hen is dat het beste, binnen
blijven. Lekker thuisblijven zou
je zo op het eerste gezicht denken.
Benieuwd hoe dat lekker er over
drie weken bijstaat. Hoeveel men-
sen elkaars hersens hebben in-
geslagen uit pure wanhoop zo
lang op elkaars lip te moeten
leven. Ik vermoed dat het er
een stevig aantal zal zijn on-
danks alle lievigheid die er nu
in het begin van deze corona-
periode rond knalt in het hele
land. Of men nog zo bezorgd
zal zijn over de bejaarden, of
men nog van alles belangeloos
wil doen voor een ander, de
supermarkten dan nog niet
krak veel grover leeggeplun-
derd gaan worden, ik nog wel
braaf binnen zal blijven, Sas-
kia nog wel zo liefdevol zal
zorgen dat het binnen gebeur-
en blijft lopen zoals het nu
loopt omdat het lichaam (om
mijn zwakke pruttelhart heen
gebouwd) niet naar buiten kan
en ik ook niet voor al het binnen-
gebeuren meer kan zorgen en zij
daar nu lekker voor opdraait.

Lees ik net dat hartpatiënten
al niet meer op de intensive
care gelegd worden omdat de
overlevingskans te klein wordt
geacht en ook om jonge gezon-
de mensen die het virus hebben
opgelopen een beter kans te ge-
ven weer op de veerkrachtige
beentjes weg te kunnen laten
hobbelen het ziekenhuis uit.
Zag ik in het weekend allerlei
jonge mensen buiten heel ge-
zellie doen en dicht op elkaar
gepakt hun sociaaldingetjes
beleven zonder zich zorgen te
maken over het virus. Zie ik
heus wel de noodzaak van de
artsen om jonge patiënten op
de intensive care te verzorgen
en mij als hartpatiënt de toe-
gang te weigeren, maar zie ik
niet in dat een aantal van die
onverschillige jonge puisten
die ik in het weekend buiten
bezig heb gezien dat verdient
ten koste van minder gezonde
mensen. Lees ik hierboven
het laatste taalsprongetjes nog
even over zie ik wel in dat ook
ik zomaar een potentiële super-
marktplunderaar kan zijn in
mijn egoïsme toch vooral te
blijven leven ondanks dat ik
al een paar jaar een stevig
toontje krakkemikkig in mijn
lijf hang en de jonge puisten
dus niet in de weg behoor te
staan met gezeur over de voor
mij gesloten deuren van de in-
tensive care-units.



Brief (171) uit Schiedam

Trump, die opknak-president van Amerika,
is op het reuzelidee gekomen om Europa eens
lekker te pesten door alle Europeanen vanaf
nu zo’n dertig dagen buiten de deur te houd-
en omdat die naar zijn mening een klap te
weinig doen aan het indammen van dat virusje
met de mooie naam, als was het een bevallig
meisje, corona. Was op het nieuws vanmorgen.

Wat niet op het nieuws was vanmorgen is dat
dit al de hondereenenzeventigste brief uit Schie-
dam is.

Wat ook niet op het nieuws zal komen is het feit
dat een boek dat door mij geschreven is niet, wel
broodnodig overigens, herschreven zal worden
vooralsnog omdat ik al twee jaar geen donder zin
heb om daarmee te beginnen. Het laatste wat ik
aan het boek heb toegevoegd is de titel “Bedden-
goed” waarvan ik niet zeker ben of ik die zal ge-
bruiken want als ik bij mezelf naga of ik een boek
met zo’n titel zou kopen dan is het antwoord nou
niet direct ja. Nog maar ’s een tijdje, twee jaar?,
wegleggen dat boek lijkt me de beste oplossing.

Ook niet in het nieuws zal komen dat er in Schie-
dam komend weekend een tentoonstelling zal
worden geopend met het thema 100 omdat de
politiekers het stoere lef hebben gehad de beslis-
sing te nemen dat er in Nederland in verband met
het klimaatgedoe niet harder dan 100 kilometer
mag worden gereden. Zelfs niet zal er het nieuws
zijn dat wij, SAGE, er aan meedoen met twee werk-
jes. Zo’n 100 themaatje ligt weliswaar ver van onze
kunstgedoetjes, maar daar hebben we dan nog al-
tijd de in de hele wereld Nederland erg beroemde
Dichter! van dat zen-tijd gedoe voor achter de hand,
die dus in die tento vrolijk meedoet in een lekkere,
spottende prent. We hebben ook nog een, om het
echte kunstgedoe niet helemaal op de achtergrond
te laten geraken, hermetisch gedicht van honderd
letters naast de Dichter! gehangen, letters gevangen
in een hermetisch gesloten glazen zakje hangend
aan een ketting met als tegenhanger nog een twee-
de hermetisch gedicht van honderd luchtbellen in
een afgesloten glazen zakje aan de andere uiteinde
van de ketting zodat ze elkaar in evenwicht houden.

Steeds meer zonlicht spettert er tegen de ramen van
mijn werk-hok, het feest van de lente lurkt al weer
gretig aan de vitrage, het groenspul om en aan de
bomen knalt haar knoppen al een week of twee uit
nog ‘winter grauwe’ takken, krokussen dwalen ook
al een tijdje in de bermen alsof ze de gewoonste zaak
van de wereld zijn zo vroeg. Normaal gesproken zou
ik nu mijn fiets uit het vet snijden om de boel even
flink te gaan beleven, echter de boel in mij is niet
normaal zoals u wellicht uit een paar brieven hier-
voor hebt kunnen concluderen. In het vet blijft de
fiets dus. Verdomd jammer, want dit is zowat het
enige dat je nog onbekommerd kan doen in deze
sappige coronatijden waar je gedoemd bent nauwe-
lijks nog de deur uit te gaan, zeker zulke ziekzijn-
peulen als ik ben, wil je gezond blijven zo zeggen
de in de virus geleerde heren.

Hoor ik net van Saskia dat de opening van de hier-
boven genoemde tentoonstelling niet doorgaat van-
wege dat o zo verdomde corona ettertje.



Brief (170) uit Schiedam

Eerst toch maar weer even wat
lekker hypochonderen want
de afgelopen weken leek mijn
lichaam, of beter nog dat toch
al niet zo willige hart het loodje
te leggen. Vooral ’s nachts was
het heerlijk raak met dat ding
dat dus stevige last kreeg van
een zwaar stukje nood dat mij
fiks uit mijn slaap hield en mij
ten volle dreef tot hypochonde-
ren waar de dood graag brood
van lust. Niets namelijk voert
naar mijn idee sneller naar de
dood dan er constant aan denk-
en dat je het loodje legt. Gebeurt
dat tot wonder van jezelf niet
dan leef je wel als de dood om
dood te gaan. Nou moet eerlijk-
heidshalve gezegd dat ik al een
aardig tijdje, door het gedonder
van dat lubberhart, met het ein-
de van mijn leven rondhuppel
in mijn hoofd en er van doods-
angst al bijna geen sprake meer
is. Eerder is die angst geslonken
naar een poeltje vol stilstaand
water waarin ik, toegegeven,
zeker als het hart weer zieke-
lijk vervelend doet, nog al eens
als in een spiegel kijk om dan
daar mijn einde te zien rond-
wandelen dat er van overtuigd
is mij zonder de minste moeite
aan te kunnen raken doet ie bij-
voorbeeld uit verveling een
zwemstapje extra mijn richting
uit echter vooralsnog daar een
fijn tikkie te lui voor is.

Maar goed, tot hier het hypo-
chonderen dat dus eigenlijk
geen hypochonderen is want
drijvend op een stevige rea-
listische basis liggend in een
werkelijkheid die ik toch even
liever niet als werkelijkheid
gehad had willen hebben. On-
gelukkig genoeg is het de o zo
onverschillige natuur die mij,
zonder er ook maar een mo-
ment bij na te denken, in een
voor een mens veel te grote
willekeur aan kan wijzen om
dood neder te vallen ook al
heb ik daar geen ene spijker
zin in. Godver, ik heb nog wel
een stuk of wat ideeën in mijn
grijsbrij rondwaren aangaande
het een stuk lekkerder maken
van de wereld met door ons,
SAGE, gemaakte kunstwerkjes
en daarbij zeker nog een on-
noemelijke zin in een fikse
zooi van deze brieven ‘vol mij’
klaar te kladderen. Haast is
wellicht geboden, want de
natuur heeft er nog eens lek-
ker wat bij verzonnen om de
mensheid de doodstuipen op
het lijf te jagen met dat kers-
verse virusje met de veel te
mooie naam corona dat nu
gezellig over de aardbol graast
naar slachtoffers, vooral naar
kwetsbare al zieke ouderen.
En laat ik er door dat lubber-
hart van mij nu zomaar on-
bedaarlijk een van zijn. Wel
deerlijk lullig natuurlijk zo’n
viruseinde, kan je beter net als
Herman Brood heroïsch van
het dak van een hotel, het Hil-
ton bijvoorbeeld, afspringen,
blijft er tenminste nog iets van
je dood beklijven in de wereld,
zeker als je daarbij ook nog een
vriend als Bart Chabot hebt die
van dat beklijven een beklijven
heeft gemaakt waar je, zelfs al
leef je onder een tegel, niet aan
voorbij kan. Wegblijven van dat
virus dus. Echter Rabia, de van
staatswege aangestelde zeer
hardwerkende stofruimster,
toonde mij gisteren een mail
waarin meegedeeld werd dat
op de school waar haar doch-
ter les krijgt een virusgeval is
geconstateerd. Met andere
woorden, het komt wel erg
heerlijk dichtbij dat corona-
dingetje behept met een vraat-
zucht ongekend volgens een
aantal mensen die beweren
er verstand van te hebben.

















Brief (169) uit Schiedam

Emotioneel afgestompt, liefde-
loos opgevoed, seksueel mis-
bruikt, wantrouwen tegenover
mensen, ofwel vrolijk wat heb-
bedingetjes opgelopen in het
tehuis huizen in mij als vlooi-
en in een verwaarloosd bed.

Geen wonder dat die de mensen
van het pleeggezin onverschillig
jegens mij werden, met al die
breinprut in mijn hoofd geramd
had ik geen idee natuurlijk hoe
in een gezin te leven, op mijn
negende al vanuit een voor een
kind beroerde gezinssituatie
(agressieve, zuipende vader)
door de kinderbescherming in
een tehuis gedropt met hand-
tastelijke groepsleiders en op
mijn zeventiende, wederom
door de kinderbescherming,
in genoemd gezin geplaatst
zonder daarin van mijn kant
ook maar een millimeter zeg-
genschap te hebben gehad,
niet onwaarschijnlijk dat ze
mij een vreemd ventje vonden
en me daarom mijn gang maar
lieten gaan uiteindelijk. Maar
ha, een mens kan, om maar eens
een zeverende wijsheid uit het
wereldpotje te vissen, niet alles
hebben in het leven, zeker niet
in dit, mijn, geval, al viel er wel
als lekker pluspuntje een fikse
vrijheid op mijn overkomen
pleeggezinsdakje waar ik flink
van heb geprofiteerd zoals ik
in de vorige brief al schreef,
dus dat tikkie onaardige ge-
schrijf over die mensen, en
vooral over die man, uit dat
gezin is wellicht toch wat
onterecht gezien mijn eigen
binnenhuisbeschadigingen
want met zulke levensdeuken
op en in het lijf gedreven is
geen goed allegaartje te spin-
nen zullen we voor het gemak
maar even poneren. Maar nu
ben ik met mijn persoonlijke
deuken voor dit moment wel
even klaar hier. Beter kunnen
we het over het weer gaan heb-
ben, daar is iedereen mee ver-
trouwd. Zo drijven er op dit
moment dikke, bijna zwarte
wolken, alsof ze een deerlijke
werkdag hebben, in druk-druk-
druk-doen voorbij, helaas zon-
der een spatje regen op de
wereld neer te laten petsen en
dat is jammer want zo is dit
weerpraatje zonder nat-ramp
een zeer kort leven beschoren.

Gaan we nog maar even terug
naar het overleden echtpaar, of
nee, terug naar Elles de zus van
de overleden Zus. Elles met haar
wapperende rooie haar en d’r
zalig lange benen en d’r sneeuw-
witte huid, bij roodharigen zo
kenmerkend. Een tijdje geleden
zag ik haar op het terras van een
kroeg zitten, helaas oud geworden,
een bijna bejaarde, zeer vermoeid
zo leek het, niets was er meer
over van de vlammende gebeur-
tenis die ze destijds was, een
treurig overgebleven hoopje
van eens grote beloften op
het gebied van een opwinden-
de erotiek die ze eens in mij
opriep toen alles sowieso
een ongekende belofte inhield
jong als we waren maar er in
onze naïviteit niet bij konden,
met jeugdige overmoed renden
we er onverschillig langs en
raakten ze heel per ongeluk al-
leen soms wat vluchtig aan zonder
te beseffen wat we aanraakten.

Maar ik ben weer in het figuur
van een oude leuterende man
aanbeland, eentje die met wee-
moed tijdens het schrijven van
bovenstaande herinneringen
met zijn vingers aan zijn scha-
mele pik voelt of er nog leven
in zit en moet constateren dat het
dode deel aanzienlijker is dan het
levende deel en zo alleen tot de
conclusie kan komen dat hij lievige,
zoete liedjes als hieronder niet meer
heeft te schrijven:

Verliefd

je lach
je lopen
en bewegen

je ogen
je stem
van helder glas

als een
heldere hemel
bij zware regen

schoon je
in mij
de laatste

kras

~~

Ik zie het me al voordragen
node de handen aan een rol-
lator om niet van het podium
te flikkeren.

Even mooi niet!

Trouwens ik ben toch al niet
van het optreden, bij hoge, ja
hoge uitzondering heb ik het
ooit twee keer gedaan in al
te bevende verlegenheid die
van mij immer een drilpud-
ding maakt waaruit een lied
alleen maar kan klinken als
komt het uit een lekke band
van een auto waarmee een
uurtje of wat doorgereden is.

Zoals ik al zei: even mooi niet.

Brief (168) uit Schiedam

Godver moet ik het al weer
over de dood hebben net nu
ik het in de vorige brief naar
er het-er-helemaal-niet-meer-
over-hebben heb geschoven.
Mijn excuus is dat het nu van
buitenaf komt, want wat las ik
in het plaatselijke sufferdje van
een tijdje geleden:

“Met veel verdriet in ons hart,
maar in dankbare herinnering
geven wij kennis van het over-
lijden van onze lieve moeder,
oma en overgrootmoeder Zus
Wigmans-Daniëls.”

De moeder van het gezin waar
ik onverhoeds (niks wist ik er
van tot een dag ervoor) werd
gedropt door een mij toege-
worpen voogd (toegeworpen
ja, want die voogd had ik ook
plots die dag voor mijn vertrek
uit het tehuis) is niet meer.

Dood dus de zus van de rooie
Elles, die rooie waar ik het al
een beetje over gehad heb in
deze brieven. Dat ik geen rouw-
kaart heb gekregen om de
uitvaart bij te wonen is nat-
uurlijk logisch, in geen dertig
jaar heb ik nog iets van me
laten horen, zelfs geen kaartje
op verjaardagen of feestdagen.
Volkomen terecht geen kaart.
En om eerlijk te zijn zou ik so-
wieso niet naar de begrafenis-
plechtigheid zijn gegaan had ik
het wel geweten, want toch een
plechtigheid waarbij de familie
na zo’n lange tijd van stilte van
mijn kant niet zou weten wie
die vreemde vent dan wel is.

Goed, allebei erg dood mijn eh…
pleegouders zoals gezegd werd in
het tehuis bij de aankondiging van
mijn vertrek door die verse voogd.
Haar man Koos was een paar jaar
eerder overleden (hoorde ik ook
pas veel later) en nu dus de rossige
vrouw.

Wat ik me er van herinner?

De man Koos die na een werkdag
nou niet bepaald de vrolijkste man
in huis was meestal, direct nadat
hij thuiskwam en op de bank was
geploft begon hij aan een flesje
bier te lurken dat de rossige
vrouw op zijn verzoek voor hem
uit de keuken had gehaald om
niet lang na het leeglurken van
het biertje onderuit gezakt op
de bank zijn bezweette on-
gewassen voeten op de glazen
salontafel te leggen waar-
omheen wasemvlekken groei-
den van het werkzweet in zijn
sokken. Vervolgens viel hij in
slaap totdat het eten door de
rossige vrouw op tafel werd
gezet. De rest van de avond
kwam er weinig vrolijks nog
uit de man. Wat overigens een
hemelsbreed verschil was met de
man die hij in het café altijd speel-
de. Daar was hij de vrolijkheid
zelve. Ja veelal dé aanjager van
uitbundige sferen in het café zo
mocht ik meemaken omdat ik in
hetzelfde café nogal eens kwam.

Ze, de man en vrouw, waren heus
ook wel aardig af en toe, maar toch
vaker onverschillig tegenover mij.
Een voorbeeld: Ik had in de begin-
periode dat ik daar in huis woonde
een keer last van een steenpuist
op mijn linker bil, het was nogal
een enorm ding waar ik behoor-
lijk ziek van was. Koorts en zo.
Ongeveer twee dagen heb ik op
bed gelegen, als ik het me goed
herinner, niets kwam er te drink-
en, niets kwam er te eten. Geen
greintje aandacht van de man of
de vrouw die mijn pleegouders
waren genoemd door die o zo
plotselinge voogd.

Maar over de doden niets dan goeds
natuurlijk, want zo heb ik wel door
die onverschilligheid een aantal jaar
behoorlijk mijn eigen gang kunnen
gaan, iets waar ik ze nog altijd dank-
baar voor ben, want net uit het te-
huis waar heel stevig gemept en
misbruikt werd naar ineens zoveel
vrijheid was mij een ongelooflijk
feest. Zeker in de weekenden als ik
met vrienden op stap was en dagen
even gewoonweg niet thuis kwam.
Een ongekende luxe na dat Spar-
taanse opvoedingsgedoe in het te-
huis met zoals gezegd stevig mep-
pen alsook een danig potje seksu-
eel gedonder aan je onvolgroeide
lijf. En nu zijn ze allebei dood en
zullen ze dit wat ik hier schrijf ge-
lukkig nooit kunnen lezen, want
zoals ik ze hier neerzet daar ging-
en ze een hoop negatief gepruttel
tegenaan gooien zo is wel zeker.
Overigens dat lezen is iets wat
sowieso niet snel gebeurd zou
zijn want alleen via het internet
op deze site zet ik dit spul neer
en daar komt zelden of nooit
iemand neuzen wat die Spaland-
ganger daar wel allemaal ge-
schreven heeft. Een verdomd
kek en aangenaam idee voor-
alsnog.