Spring naar inhoud

Brief (146) uit Schiedam

Eigenlijk heb ik de jongere zus
daarna nooit meer gesproken,
soms zag ik op straat die toen
al niet meer zo fikse bos rode
haar voorbijflitsen maar haalde
het niet in mijn hoofd haar te
benaderen, wipte haar uit mijn
leven zoals ik met meerdere
mensen deed. Of zij met mij,
dat kwam ook nogal eens voor.
Niet de meest leutige persoon
was en ben ik nog steeds, regel-
matig werd ik op feestjes uit-
genodigd, één keer, daarna niet
meer. Feestneus niet groot ge-
noeg waarschijnlijk. Geen pro-
bleem, want überhaupt geen zin
om zo’n neus op te zetten.

Ik slik zo’n 14 pillen per dag, toch
blijf ik een enorme honger houden
naar het leven. Je zou toch denken
dat een mens het wel welletjes zou
vinden zijn of haar leven nog door
te dansen op een sloot pillen. Mooi,
niet. Honger, honger, een niet af-
latende honger woelt er in mij. Al
zou ik het dubbele aantal van die
pillen moeten slikken nog vrat ik
het leven er bij op als was het een
culinair hoogstandje in een vijf
sterren restaurant, al heb ik nooit
in zo’n restaurant gegeten. Vreemd,
zeker als je ’t afzet tegen het laatste
stukje uit de vorige brief over een
bejaardenhuis waarin alles piept
en kraakt aan ouderen daar rond-
dolend zonder perspectief dan al-
leen hoe de volgende dag nu weer
door te komen.

De taart, denk aan de luchtigheid
van de taart meneer briefpenner!

Verliefd

Je lach
Je lopen
En bewegen

Je ogen
Je stem
Van helder glas

Als een
Heldere hemel

Bij zware regen

Schoon je
In mij
De laatste

Kras

Zouden de piep- en kraakgeluiden
sterk verminderen als je dit versje
aan genoemde ouderen liet lezen?
Ik denk dat er eerder een walm
van weemoed in troebele ogen gaat
stromen, bovenop het gekraak en
gepiep. Ja, zoiets als in dit gedicht:

Als

als bomen iel gewaaid
zijn vol met einde
en de lucht van aarde is bewolkt

er geen verleden meer

gemaakt wordt
waarin grage stappen haken

de snelheid van
het heden alleen
nog op een stoel
wordt vastgelegd

als woorden schrijnen
in hun letters van
gedachte zinnen zonder zijn

als dan pas als het ware
knelt er weemoed in geraamde
ogen ergens achter een gordijn


Wat dat betreft kan ik ze maar beter
wegdonderen, die 14 pillen per dag.









Brief (145) uit Schiedam

Pepernoten, chocoladezoetwaren
en kinderspeelgoedreclames op tv
begin september, glimmende kerst-
zooi en vooral veel licht spetteren-
de lampjes aan oeverloze snoertjes
eind oktober. Het feestsfeertje wak-
kert weer in vol ornaat. Winkels
kwispelen puilend naar de voor
een feestje altijd wel te porren
klanten. Ook de oliebollenkraam
staat sinds twee weken verkoop-
lustig te walmen, weliswaar op
een andere plaats dit jaar, wat
meer gezellie (en voor het op-
hogen van de verkoop uiter-
aard) pal in het centrum van
Schiedam. Wel jammer, andere
jaren namelijk reden we er
dagelijks, als we boodschappen
gingen doen, langs en konden
zo af en toe vanuit de auto gratis
een paar van die bolletjes mee-
pikken die door een medewerker
van de bollenkraam reclamematig
werden uitgedeeld.

Maar goed, even geen sfeerge-
wauwel nu, maar harde feiten;
tot een aantal jaar geleden deed
ik nooit mee aan al dat opgeleg-
de feestgedruis, elke uiting ervan
hing me als een bal kots in de
keel. Nee, daar ging ik ff mooi
nooit aan beginnen. Vorig jaar
stond er ie dus. In mijn huis.
In mijn boekenkast. Een kerst-
boom! Weliswaar een dertig
centimeter hoog babyboompje
en zonder ballen of ander op-
smukspul, maar het ding stond
er wel. En nog naar mijn volle
tevredenheid ook. Waarmee
maar kan gezegd dat je een
sentimentele zak wordt zo
gauw je naar een bepaalde
leeftijd toe knikkebolt die
een treurige zak tranen van
je maakt ook al verzet je je
met nog een laatste beetje
kracht in je kreukbotten er-
tegen. Dit jaar zal er weer een
boompje staan want zoals ge-
zegd; gezellie. Zeker als het
zo vroeg donker wordt, een
donker als lijk je al in een urn
te vertoeven.

Over urnen gesproken.

Zevenenveertig jaar en zich hup
doodgedronken dus mijn jongste
broertje, ja die van het huilend
zwaaien achter het raam bij mijn
vertrek uit het tehuis, het broertje
waardoor ik in het huis van be-
waring heb gezeten heel vroeger
en waar ik het al over heb gehad
in een vorige brief en nu alleen
kort aantip vanwege het besproken
donker tijdens al de feestleut hier-
boven.

Nooit is de roodharige meer in mijn
bed gekropen, heeft waarschijnlijk
zo gewalgd van mijn afwijkend ge-
drag dat ze dat als immer begeerd
meisje niet meer wilde meemaken,
nooit meer zo’n raar, onervaren en
bang piemeljochie in haar armen
wilde hebben, zij die maar een lok
achter haar oor hoefde te leggen om
de mannen om haar heen tot hevige
neukbereidheid te brengen. Nee, niet
helemaal waar; dat nooit meer. Jaren
later, ik was rond 32 jaar belde ze me
’s avonds (nadat ik een avond achter
de bar van haar café had staan help-
en met oberen) op of ze langs mocht
komen, ze wilde met me vrijen. Niet
gedaan. Het vlammende haar was al
niet zo vlammend meer en ook het
tehuis zat nog te stevig in mijn vol-
wassen lijf.

Brief (144) uit Schedam

Een oudere en een jongere zus.
De zogenaamde pleegmoeder
was de veel oudere van de twee,
de jongste negentien jaar en van
een knoeiende schoonheid; de
erotiek lekte er met niet aflaten-
de stromen van af. Vlammend
lange lokken rood haar deden
er nog een bedwelmend schepje
bovenop. Een paar weken nadat
ik in het gezin was geperst door
een mij aangewreven voogd zei
de jonge tegen de oudere zus
dat ze die nacht bij haar in huis
bleef slapen. En zo geschiedde
het dat ze zo rond elf uur plots
tussen de lakens van mijn bed
schoof met de woorden ik heb
het koud. En zo geschiedde het
dat ze plots naakt tegen mij
aanlag en ik naar het uiterste
randje van mijn bed schoof en
zei niet begreep waarom. En zo
ook geschiedde het dat ik niets
kon of durfde zeggen over de
geweldige seksuele opleiding
die ik in het tehuis had genoten
middels  een paar al te geile
groepsleiders alsook met de
medewerking van de manke-
poot die mij de stevige angst
van geen meisjes benaderen
knalhard in m’n puberlijf had
doen groeien. Kortom zo ge-
schiedde het dat het hele bed-
gedoe op niets uitdraaide.

Volgens  de cardio gisteren gaat
het naar omstandigheden rede-
lijk wel met mij, ik heb er weer
een half jaartje bij gekregen zon-
der me om de  plaatsing van dat
hartpompje te hoeven bekom-
meren. Beter nog, het hele ding
kwam niet eens ter sprake tijd-
ens het spreekuur. Goed, waar
mij twee jaar geleden nog werd
gezegd dat ik een wonder ben
vanwege het feit dat er nog flink
wat beweging in mij ronddoolde,
mag ik nu dus weer wonderloos
zes maandjes verder plonzen in
dit bestaan waar de Trumpen,
de Erdogannen, de Putinnen,
de Kim Jung Unen, de Johnsons 
en nog wat andere loslopende
veel te bezige mannetjesputters
rondwaren als zijn ze eigenaar
van de wereld. Wat dat betreft
is er weinig reden tot juichen.
Maar komaan zeg, ik leef nog.
En het eigen leven is het enige
waar een mens zich echt om
bekommert zo las ik geloof ik
in een essaytje van Montaigne.

Dat het stel waaruit ik voort-
gekomen ben tot mislukken
gedoemd was komt zo vermoed
ik mede omdat de moeder Duits
was en na de tweede wereldoor-
log door mijn nog jonge vader,
gemobiliseerd voor de Arbeids-
einzatz, naar het voor haar vij-
andige Nederland gesleept is
waar ze zich op z’n minst ver-
schrikkelijk ontheemd en een-
zaam moet hebben gevoeld en
daarbij ook nog moest ontdek-
ken dat haar geliefde een notoire
zuipschuit bleek te zijn die zijn
gezin op de duur alleen nog ge-
bruikte om er te neuken en er
zijn o zo regelmatig opgelopen
drankroes uit te slapen. Zij er
na, zoals eerder elders gezegd,
vijf baringen genoeg van had,
zich uit het huwelijk wipte naar
een andere man zonder de vijf
baringen mee te nemen. Alleen
de allerjongste (een baby nog)
nam ze met haar mee die echter 
niet veel later (paar weken) door  
de kinderbescherming van haar
werd afgepikt om ook in het te-
huis te worden gedumpt want
dat was natuurlijk veel gezonder
voor zo’n ukkie dan bij de moeder
blijven. Nou, dat heeft dat ukkie
geweten, op zevenenveertig jarige
leeftijd was ie er al niet meer, had
ie zich hup de dood in gedronken.

Brief (143) uit Schiedam

Het stijltje laat nog steeds een fiks
draadje te wensen over zo zie ik in
de voorlaatste brief; te serieus. Het
moet vooral luchtiger. Net als een
grote taart die er zwaar uitziet
luchtig heeft te zijn bij het opkaken
anders ligt het in elkaar geflanste
zoetding veel te zwaar op de maag,
krijgt men er braakneigingen van.
Ook bij mij loeit er dan ’n kotsneig-
bekje op, zo’n bekje waar niemand
tegenaan wil kijken, waarvan men
onmiddellijk het hoofd weg draait.
En al heb ik een paar brieven te-
rug gezegd dat mijn schrijfkwak
tegelijk met mij verbrand mocht
worden, wil ik er, voor de time
beiing, toch wel een ietwat eetbare
feesttaart van maken die in ieder
geval mij een klein nog net te lezen
disje bereidt. Trouwens een kots-
bekje heb ik in het verleden in dat
tehuis al veel te over gehad zo heb
ik ‘olijk’ laten zien in een vorige
brief. Maar kotsbekjes, die hou
je niet zomaar even tegen, die over-
komen je, die zwellen in je op als
een lul van een groepsleider, on-
gewild in je pubermondje gepropt.

Vanaf een bepaalde leeftijd (ik dacht
16 of zo) mochten de jongens en de
meisjes in het tehuis naast elkaar
rond een grasveld lopen. Weliswaar
een meter bij elkaar vandaan. Daar
werd strikt op toegezien. Elkaar aan-
raken was streng verboden. Ene juf-
frouw mankepoot bewaakte op d’r
speciaal aangepaste fiets haar meis-
jes (ze was hoofdleidster over de
meisjesgroepen) alsof haar eigen
maagdelijkheid in ’t geding kwam.
Iets dat ze waarschijnlijk nog had
ook, dat vliesje waar niemand nat-
uurlijk aan wilde potelen vanwege
d’r onaantrekkelijke uiterlijk en dat
o zo manke pootje. Geruisloos kon ze
fietsen, maar niet geruisloos lopen.
Als een jongen en een meisjes elkaar
binnen die voorgeschreven meter na-
derden, gleed ze heel behendig achter
de rug van de twee overtreders van
haar fiets en tokbonkte op d’r gezonde
en manke pootje het laatste stukje tot
vlak achter de twee en gilde dat ze uit
elkaar moesten op straffe van zeker
twee weken binnen blijven. Dus je liet
het wel uit je hoofd om ietsje richting
je favoriete meisje te schuifelen nog
eens extra geholpen door de verwar-
ring van de nachten met lulvolle mond
en angst waarvan je onbedaarlijk naar
het kleinste daglichtstreepje ging ver-
langen zodat het in ieder geval zou
stoppen dat onvrijwillig potelen aan je
lichaam.

Dinsdag naar de pillendokter, benieuwd
hoe hij vindt dat het met mij gaat en of
de pomp nog ter sprake zal komen. Liever
niet want om op de stroom van batterijen
mijn leven verder door te doen is niet
mijn meest geliefde verlangen, edoch
voor een transplantatie ben ik te oud,
dat is vooral voor de wat jongere mens
weggelegd zo zei een cardioloog me
lompweg zo’n anderhalf jaar geleden.
Dus maar om een andere pilman ge-
vraagd, een die wat relaxter met mijn
situatie omgaat, wat minder lompweg
ook. Een zachte heelmeester eigenlijk,
ook al is er een spreekwoord dat zegt
dat zulke meesters stinkende wonden
veroorzaken. We zullen zien. Trouwens
na je zeventigste begint de mens zo af
te takelen dat je als achtenzestigjarige
je kan afvragen of je Überhaupt nog
wel een levensverlengende opkikker
wil hebben. Kom maar eens in een
bejaardenhuis; een en al gekraak en
gepiep uit kromgetrokken lichamen
die zeer moeizaam rond schuifelen
achter rollators, een schuifelen dat
nauwelijks nog lopen genoemd kan
worden alsook al die kromgetrokken
lichamen die dramatisch totaal zo
vergroeid zijn met hun rolstoel
dat er een zuigend geluid te horen
valt als ze uit de kussens van zo’n
ding getrokken worden door het
personeel. Toegegeven, ik overdrijf
dat vergroeide en het zuiggeluid
wellicht een beetje, maar een heel
veel vrolijker beeld er van maken
lukt me toch ook ff niet.




Brief (142) uit Schiedam

Bij juffrouw Haai waren we nog
een gemengde groep; jongens
en meisjes door elkaar. Na Haai
werden we gescheiden en kwam
je of alleen in een jongensgroep,
was je een jongen, of in een
meisjesgroep was je geen jongen.
Zoals ik al eerder meldde zal ik
elf jaar geweest zijn toen ik als
beul-object van Haai werd
afgesnoept, vond men mij oud
genoeg om bij de meisjes weg te
houden al had ik even geen idee
wat ik met meisjes zou moeten
aanvangen. Gelukkig werd dit
tekort van geen idee verholpen
door een andere aanvulling;
’s nachts mocht ik de lullen
van de heren groepsleiders
gaan betasten. In het begin deed
ik het nog wat onhandig, want elf
jaar zijnde heb je nog wat weinig
ervaring natuurlijk. Vonden de
leiders niet zo erg erg, want jong
en fris zijnde was ik al genoeg om
hun geilheid op te wekken. Mijn
onervarenheid deed er niet toe.
En ach, dat het kindergeestje er
niet aan toe was, big deal, door
eigen opwinding gedreven
speelde alleen hun in mijn handen
klaarkomen ’n rol. Later, het ge-
doe speelde tot mijn zeventiende,
werd ook mijn mond een fijn op-
windend object. Uiteindelijk, net
voordat ik achttien werd, werd
mijn gebruikte lijf plots uit het
tehuis gepulkt door een aange-
stelde voogd, mij van Nijmegen
naar Schiedam treinend alwaar
ik in een pleeggezin werd ge-
dumpt bij mensen mij totaal
onbekend. Maar komaan ik
was inmiddels wel wat gewend
door eerst uit ons gezin naar
een tehuis te worden gemoffeld,
daarna van groep naar groep
gedreven te zijn om hier in dit ge-
zin met vier kinderen te eindigen
zonder dat mij ook maar iets werd
gevraagd. Edoch, om even terug te
komen op de strikte scheiding van
de jongens en de meisjes in dat te-
huis en hetgeen er ’s nachts mocht
gebeuren, het was een toffe aan-
slag op de pubergeest; meisjes niet,
mannen wel. Een kekke basis voor
de rest van het nog te beleven sex-
gebeuren in je leven, so ff to speak.

 

Brief (141) uit Schiedam

Buiten het kots eten, de stoffer
en het bloedmeppen, was er ha
nog een vrolijk iets dat ik als
kind mocht beleven had ik
volgens Haai wat verkeerds
gedaan. Kon ik namelijk ook
veroordeeld worden tot uren
in de hoek staan, maar wel
met het voordeel dat de stof-
fer op de plaats bleef waar
het ding hoorde, op het blik
bij de vuilnisbak. Een geluks-
vogeltje ik dus. Een nog veel
groter vogeltje was ik toen ik
na een jaar of twee (ik zal dan
een jaar of elf geweest zijn) weg
bij Haai werd gehaald en naar
een andere groep met oudere
kinderen werd overgeplaatst.
Geen kots meer, geen stoffer
meer, geen hoekwerk meer
dus ook geen Haai meer. Dat
van Haai klopte wel, de rest ging
gewoon vrolijk verder, de kots
bleef nog een tijdje (uiteindelijk
wen je wel aan levertraan),  het
meppen ging heerlijk door al-
leen nu niet meer met een stof-
fer maar met een stok of met
vuisten al naar gelang waar een
groepsleider zin in had. En zin
dat hadden ze veelal wel.

Pff, ik merk dat ik vandaag mijn
dag niet heb wat het schrijven
betreft: een beetje saaie opsom-
ming van gebeurtenisjes uit het
verleden. Komt waarschijnlijk
omdat ik zo snel mogelijk klaar
wil zijn met dat Haaiengedoe,
ook is het te lang al geleden om 
er nog meer woorden aan vuil
te maken. Buiten dat, wat is er
zo interessant aan een paar tikjes
uitdelen hier en daar door die Haai.

In die andere groep begon ook nog
een ander feest. Namelijk kregen
een paar mannelijke leiders wel erg
veel interesse in mij. Daar ga ik in de
volgende brief vet mee verder, want
met schrijven is het nog steeds niets
zoals ik hierboven al constateerde,
dus ff een beetje afstand dan maar,
ff weer het schrijfstijltje ’n erg beetje
opkalefateren.

 

 

 

 

Brief (140) uit Schiedam

Ja, helemaal leeg moest het bord,
om in deze nieuwe brief nog maar
even door te gaan over mijn per-
soontje alsook over juffrouw Haai.
Zo was er het vervelende dat ik
nogal last van astma had die tijd,
veel moest hoesten, ook ’s nachts.
En daar was Haai het niet mee
eens, haar nachtrust werd erdoor
verstoord dus kwam ze regelmatig
uit haar kamer gestormd om mij
in grote woede op mijn gezicht te
beuken. De rest van de nacht pro-
beerde ik de hoest in te houden,
wat veelal niet lukte , dus op een
gegeven moment beukte ze een
keer zo hard dat er bloed vloeide.
Kussen en lakens zaten ’s morgens
onder het bloed. Voor iedereen
zichtbaar. Helaas ook voor Haai.
Ze vroeg hoe het kwam. Wist ik
niet natuurlijk zo zei ik om haar
boosheid niet nog erger over mij
heen te roepen. Voor straf liet ze
mij net zo lang op blote voeten
in de koude slaapzaal voor mijn
bed staan tot ik het wel zou weten.
Het besmeurde beddengoed zo
zag ik een dag later had ze in de
vuilnisbak gepropt, weg voor al
te nieuwsgierige ogen. Koud en
zonder eten zo ging de dag voor-
bij. Een lange, lange dag. Maar ja,
de juffrouw werd niet voor niets
stiekem Haai genoemd.

Tegenwoordig heb ik het altijd
wel koud (zelfs in de zomer
draag ik bij 25 graden nog dikke
truien). Komt door het leefspier-
tje dat nog maar voor twintig
procent zijn werk doet zo is mij
aan mijn bed plomp aangezegd
door een medicijnmeneer die
over mijn en andere harten gaat
en mij ook gelijk een hulphart
aanbeval, want als ik er niets
aan zou laten doen ging ik rap
dood aldus de dikbuikige pillen-
meneer. Dat is nu twee jaar ge-
leden. Zonder hulphart ( een
pomp die op het hart geplaatst
wordt en met baterijen aan de
gang moet gehouden die buiten
je lijf met een riem aan je vast-
gesnoerd moeten en die met
hun energiestroompjes via een
elektriciteitskabel de pomp
zoals gezegd aan het werk
hebben te houden, een kabel
door een gat, jazeker, in je
buik naar het hulphartje
lopend, een open gat, dat
ook ópen dient te blijven
en ha twee keer in de week
schoon moet gemaakt om
infecties te voorkomen,
een precies werkje waar
mijn partner Saskia, zelf
doen dat kon en mocht niet,
speciaal in geoefend zou
moeten worden door een
verpleegkundige) zit ik dit
hier redelijk tof te typen alsof
er krek gewoon ff mooi niets
aan de hand is, want wat nou
bloedpompje.